1/29
Een uitgebreide set vocabulaire flashcards gebaseerd op de lesbrieven Geldzaken en Crisis, inclusief definities voor monetaire functies, banktermen en economische concepten.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Rekenmiddel
Functie van geld waarbij de waarde van verschillende goederen met elkaar vergeleken kan worden.
Ruilmiddel
Functie van geld waarbij het wordt gebruikt om goederen of diensten mee te betalen.
Spaarmiddel
Functie van geld waarbij het bewaard kan worden voor toekomstig gebruik.
Chartaal geld
Tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten.
Giraal geld
Niet-tastbare tegoeden op een betaalrekening (rekening-courant) bij een bank.
Maatschappelijke geldhoeveelheid
Al het chartale en girale geld dat in handen is van het publiek en gebruikt wordt als ruilmiddel.
Arbeidsdeling
Ook wel arbeidsverdeling genoemd; het splitsen van het productieproces in kleinere onderdelen om de arbeidsproductiviteit te vergroten.
Directe ruil
Ook wel ruil in natura genoemd; de directe ruil van goederen tegen andere goederen zonder tussenkomst van geld.
Indirecte ruil
Ruil waarbij goederen worden geruild tegen geld.
Nominale waarde
De waarde die expliciet vermeld staat op een munt of bankbiljet.
Intrinsieke waarde
De materiaalwaarde of intrinsieke waarde van de grondstoffen waaruit een munt of bankbiljet bestaat.
Tekenmunt
Een intrinsiek onvolwaardige munt waarvan de nominale waarde hoger is dan de materiaalwaarde.
Fiduciair geld
Geld dat zijn waarde ontleent aan het vertrouwen dat men ermee kan betalen, zoals tekenmunten en bankbiljetten.
Europese Centrale Bank (ECB)
De centrale bank voor landen met de euro, verantwoordelijk voor prijsstabiliteit en de uitgifte van euromunten en bankbiljetten.
De Nederlandsche Bank (DNB)
De centrale bank van Nederland die het beleid van de ECB uitvoert en toezicht houdt op financiele instellingen in Nederland.
Wederzijdse schuldaanvaarding
Het proces waarbij een bank giraal geld schept door een lening te verstrekken, waarbij zowel de bank als de lener een verplichting aangaan.
Liquiditeitspercentage
De verhouding tussen de liquide middelen en de rekening-couranttegoeden van een bank, berekend als: rekening-couranttegoedenkas+tegoed bij DNB×100%.
Solvabiliteitspercentage
De verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen van een bank, berekend als: vreemd vermogeneigen vermogen×100%.
Inflatie
Een stijging van het algemeen prijspeil in een land.
Bestedingsinflatie
Prijsstijging die ontstaat wanneer de totale bestedingen de productiecapaciteit van een economie overstijgen.
Kosteninflatie
Prijsstijging veroorzaakt door het doorberekenen van hogere productiekosten, zoals loon- of grondstofkosten, in de verkoopprijzen.
Deflatie
Een daling van het algemeen prijsniveau.
Hypothecaire lening
Een langlopende lening bij een bank met onroerend goed (huis of grond) als onderpand.
Waardevast
Situatie waarin uitkeringen of pensioenen meestijgen met het inflatiepercentage.
Welvaartsvast
Situatie waarin uitkeringen of pensioenen meestijgen met de gemiddelde stijging van de cao-lonen.
Transactiekosten
Alle inspanningen en kosten die nodig zijn om een ruil tot stand te brengen en af te wikkelen.
Comparatief voordeel
Het voordeel dat iemand heeft bij de taak waarin hij relatief het minst slecht is ten opzichte van een ander.
Absoluut voordeel
Een voordeel in het aantal benodigde uren per taak of financieel voordeel bij de productie van een goed.
Bankrun
Een situatie waarin veel klanten tegelijkertijd hun geld bij een bank opvragen uit angst voor een faillissement.
Depositogarantiestelsel
Een wettelijke regeling die het spaargeld van burgers garandeert tot een bedrag van €100.000 bij een faillissement van een bank.