nederlands toetsweek 1

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/78

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

79 Terms

1
New cards

Orienteren lezen

een eerste indruk krijgen van een tekst (titel)

2
New cards

globaal lezen

hoofdzaken uit de tekst halen (kernzinnen)

3
New cards

intensief lezen

een tekst helemaal begrijpen (betekenis van woorden)

4
New cards

Kritisch lezen

een tekst beoordelen (informatie juist?)

5
New cards

onderwerp

waar de tekst over gaat

6
New cards

Deelonderwerp

verschillende kanten van het onderwerp

7
New cards

hoofdgedachte

kortst mogelijke samenvatting van de tekst, hoofdgedachte is een mededelende zin

8
New cards

titel

maakt duidelijk waar de tekst over gaat en motiveert de schrijver om de lezer te laten lezen

9
New cards

ondertitel

kopjes of korte zinnen die fungeren als aanvulling op de titel

10
New cards

tussenkopje

geven structuur, lezer motiveren, kondigen deelonderwerp en zodat je de tekst snel kan scannen

11
New cards

alinea

witregel tussen alineas in en de spreker houdt een korte pauze

12
New cards

kernzin

belangrijkste zin in een alinea, begin of eind

13
New cards

citeren

letterlijk overnemen

14
New cards

eigen woorden

niet citeren, maar wel belangrijke woorden uit de tekst over te nemen

15
New cards

schrijfdoel

wat de schrijfer met de tekst wil bereiken

16
New cards

informeren

feiten opsommen.

17
New cards

instrueren

aanwijzingen geven.

18
New cards

uiteenzetten

feiten en hun samenhang.

19
New cards

overtuigen

Vooral argumenteren

20
New cards

beschouwen

van verschillende kanten belichten, de lezer laten nadenken

21
New cards

activeren

aanzetten tot een handeling of gedrag

22
New cards

amuseren

vermaken

23
New cards

uiteenzetting

informatieve tekst

24
New cards

betoog

schrijver ondersteunt zijn standpunt met argumenteren

25
New cards

beschouwing

schrijver voorlegt de lezer interpretaties, verklaringen of opinies

26
New cards

tekstvorm

Hoe de tekst er uit ziet

27
New cards

feitelijke uitspraak

Een uitspraak waarvan de schrijver of spreker meent dat deze waar, waarschijnlijk of aannemelijk is.

28
New cards

waarderende uitspraak

Een niet-feitelijke uitspraak.

29
New cards

intentie

intentie van de schrijver waarop hij over het onderwerp schrijft en hoe zich opstelt

30
New cards

toon

kun je afleiden op de opvattingen en gevoelens van de schrijver9

31
New cards

alineaverbanden

verbanden tussen alinea's

32
New cards

herhalimg van woorden of woordgroepen

aan het begin van een nieuwe alinea herhaal je woorden of woordgroepen van de vorige alinea

33
New cards

signaal woorden

geven een verband en kun je ook weten welk verband

34
New cards

signaalzinnen

aankondigende en terugblikkende

35
New cards

aankondigende zinnen

´ík zal verderop in de tekst een reeks bezwaren noemen´

36
New cards

terugblikkende zinnen

´eerder noemde ik al een reeks bezwaren´

37
New cards

Overgangszinnen met een verwijzing

zijn samenvattende zinnen aan het begin of aan het eind van een alinea. ze bevatten meestal een verwijzend woord: deze, die, dat

38
New cards

tegenstellend verband

geeft een tegenstelling aan, je kunt je standpunt benadrukken

39
New cards

opsommend verband

geeft een opsomming aan

40
New cards

oorzakelijk verband

koppelt een oorzaak aan een gevolg

41
New cards

redengevend verband

kondigt een reden aan

42
New cards

Uitleggend of toelichtend verband

leg je iets uit, licht je het een en ander toe

43
New cards

concluderend verband

leid je een conclusie in

44
New cards

samenvattend verband

Hiermee geef je een korte samenvatting van wat eerder is gezegd.

45
New cards

voorwaardelijk verband

met deze signaalwoorden stel je een voorwaarde

46
New cards

vergelijkend verband

Met dit verband geef je een vergelijking aan.

47
New cards

doel-middel

Met dit verband geef je aan dat er een middel nodig is om een doel te bereiken.

48
New cards

chronologisch verband

Met dit verband geef je aan hoe iets nu is vergeleken met vroeger, het geeft een ontwikkeling in de tijd aan.

49
New cards

verbindingswoorden

maak je duidelijk hoe de verschillende delen van de tekst met elkaar samenhangen

50
New cards

inleiding

1. belangstelling wekken

2. onderwerp introduceren en/of hoofdgedachte naar voren halen

3. aankondigen hoe de tekst is opgebouwd

4. de aanleiding noemen

5. de lezer of luisteraar welwillend stemmen

51
New cards

pakkende inleiding

goede inleiding

52
New cards

directe vragen

vraag waarop niet meteen een voor de hand liggend antwoord te geven, prikkely dit de nieuwsgierigheid van de lezer

53
New cards

retorische vraag

een vraag waarop je geen antwoord verwacht

54
New cards

openingszin

de eerste zin van een tekst

55
New cards

constatering

je stelt vast dat een bepaald verschijnsel of een bepaalde ontwikkeling plaatsvindt

56
New cards

anekdote

de schrijver vertelt een kort, kenmerkend of grappig verhaal, vaak als introductie van een probleem of verschijnsel

57
New cards

citaat

letterlijke weergave van wat iemand heeft gezegd

58
New cards

middenstuk

Bespreekt het onderwerp

59
New cards

slot

doel om de tekst af te ronden

60
New cards

samenvatting

Belangrijkste informatie uit een tekst in het kort opschrijven.

61
New cards

conclusie

eindoordeel, gevolgtrekking

62
New cards

aanbeveling

advies, raad

63
New cards

afweging

de schrijver weegt voor- en nadelen of mogelijke oplossingen tegen elkaar af en maakt zo een keuze

64
New cards

oproep

roept aan het eind van zijn tekst de lezer op iets te doen

65
New cards

uitsmijter

een opvallende of verrassende uitspraak

66
New cards

structuur/opbouw

hoe het verhaal in elkaar zit

67
New cards

functiewoorden

woorden die aangeven welke functie een alinea of een groepje alinea's in een tekst heeft

68
New cards

aanbeveling (advies)

De schrijver geeft, meestal aan het eind van zijn artikel, een goede raad of goed advies.

69
New cards

aanleiding

De schrijver geeft aan welke gebeurtenis hem ertoe gebracht heeft de tekst te schrijven

70
New cards

afweging

de schrijver weegt voor- en nadelen of mogelijke oplossingen tegen elkaar af en maakt zo een keuze

71
New cards

argument

de schrijver geeft aan waarom hij iets vindt. synoniem: reden

72
New cards

argumentatie

De schrijver geeft meerdere argumenten voor bepaalde opvattingen. synoniem: redenering

73
New cards

beantwoording

De schrijver geeft antwoord op vragen. Dat kunnen vragen van een ander zijn of van de schrijver zelf. synoniem: antwoord

74
New cards

begripsomschrijving

de schrijver probeert een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van een bepaald begrip te geven. synoniem: definitie

75
New cards

beoordeling

Een (positief of negatief) oordeel over een mening of een gebeurtenis.

76
New cards

bewering

Een uitspraak die de schrijver met argumenten moet onderbouwen. synoniem: mening, stelling

77
New cards

bewijsvoering

De schrijver probeert met feiten (uit onderzoek) de juistheid van een bepaalde stelling of theorie aan te tonen.

78
New cards

hypothese

Een voorlopig antwoord op de onderzoeksvraag

79
New cards

nuancering

de schrijver zwakt een bewering of standpunt af door te laten zien dat er ook andere gezichtspunten mogelijk zijn. synoniem: relativering