sociologie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/464

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:21 AM on 8/23/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

465 Terms

1
New cards

aanpassing

Functionele bijdrage (vereiste) van het gedragssysteem die bestaat uit het inpassen van het systeem in een externe omgeving (adaptation). (Parsons)

2
New cards

activiteit

Beweging in zinvolle activiteit. (Marx)

3
New cards

adaptief

Wat bijdraagt tot de aanpassing aan omgevingseisen.

4
New cards

adaptive upgrading

Door sociale differentiatie verhoogt een samenleving in toenemende mate haar mogelijkheden om zich aan de externe omgeving aan te passen. (Parsons)

5
New cards

affectief handelen

Sociaal handelen gedreven door of gebaseerd op affecten, gevoelens en/of emoties. (Weber)

6
New cards

affluent societies

Jagers-verzamelaarssamenlevingen met een voldoende aanbod van voedingscalorieën waarin niet genoeg gewerkt werd om over de nodige voedselbronnen te beschikken. (Sahlins)

7
New cards

aggregaat

Individuen die zicht tijdelijk op dezelfde plaats bevinden, maar zich niet als een groep zien.

8
New cards

aliënatie

= vervreemding

9
New cards

analytisch gevolg

Een gevolg inherent aan de handeling.

10
New cards

analytische inductie

Methode in kwalitatief onderzoek die eist dat elke case de hypothese ondersteunt. Als dit niet het geval is, moet de hypothese aangepast worden.

11
New cards

animisme

Het geloof dat dieren, planten of levenloze voorwerpen een spiritueel leven hebben en invloed uitoefenen op de maatschappij.

12
New cards

anomie

Toestand waarin maatschappelijke normen afwezig of afgebroken zijn of waarin er verwarring of conflict bestaat over de maatschappelijke normen.

13
New cards

arbeids(ver)deling

Een stabiele vorm van organisatie waarin er coördinatie bestaat tussen individuen en/of groepen die verschillende maar geïntigreerde taken uitvoeren.

14
New cards

ascetisme / ascese

Het beoefenen van zelfontkenning als een maat voor persoonlijke en in het bijzonder spirituele discipline (ook "wereldonthouding").

15
New cards

attachment

Internalisatie van normen via affectieve banden die een jongere vormt met personen uit de onmiddelijke omgeving en via de gevoeligheid voor die opinie van die persoon. (Hirschi)

16
New cards

attitude

Houding die men aanneemt t.o.v. de werkelijkheid die tevens een evaluatie bevat.

17
New cards

autoriteit (traditioneel, charasmatisch, rationeel)

Die vorm van macht die handelingen van anderen bepaalt via bevelen die doeltreffend zijn omdat ze in de groep als legitiem erkend worden, (1) omdat ze gebaseerd zijn op traditionele instellingen, procedures of macht, (2) omdat aan de leider bovennatuurlijke of uitzonderlijke eigenschappen toegekend worden, (3) omdat ze in overeenstemming zijn met meer algemene rechtsregels.

18
New cards

backstage

Het onzichtbare sociale leven waar mensen kunnen recupereren van de toneeltijes die ze op de frontstage moeten opvoeren. (Goffman)

19
New cards

beheeringssysteem

Een autoriteitsstructuur die gecoördineerde, collectieve inspanningen in complexe groepen mogelijk maakt.

20
New cards

behoeften

Behoeften die moeten vervuld worden om het overleven van een persoon, een groep of een organisatie te verzekeren.

21
New cards

belangengroep

Een quasi-groep waarvan de latente belangen omgevormd werden in manifeste belangen. (Dahrendorf)

22
New cards

belief

  1. Overtuiging: een specifieke visie, perceptie van de werkelijkheid verbonden met een specifiek iets (object). 2. Het aanvaarden van de morele geldigheid van het centrale waardenstelsel van de maatschappij. (Hischi)
23
New cards

berdache

Statuut dat voorkomst bij Native Americans: in een plechtigheid kan een biologische man overgaan tot de status van sociale vrouw.

24
New cards

betekenisloosheid

De verwachting dat voldoening schenkende voorspellingen over de toekomstige gevolgen van handelen niet gemaakt kunnen worden. (Seeman)

25
New cards

bevolkingsdruk

Wanverhoudingen tussen de omvang van een bevolking, de keuze van voedselbronnen en de werkstand die een bevolkingsgroep dwingt om ofwel de voedingsgewoonten te veranderen ofwel om harder te gaan werken (of die, als er gaan aanpassing plaatsvindt, kan leiden tot uitputting van bepaalde bronnen).

26
New cards

bewustzijn

Het heit dat iemand zich bewust is van zijn/haar bestaan als een individu. Volgens Marx wordt het bewustzijn gevormd door het sociale, het materiële en/of het historische.

27
New cards

bilateraal afstammingspatroon

Afstamming wordt bepaal via de moederlijke en de vaderlijke lijn: zowel de familie van de moeder als van de vader wordt familie van de kinderen.

28
New cards

biogradie

Het geheel van in wisselende mate ingrijpende levensgebeurtenissen die individuen ervaren.

29
New cards

biosociale verklaring

Het verklaren van interacties vertrekkende van biologische kenmerken of factoren.

30
New cards

bovenbouw

Dat deel van de samenleving dat bepaald wordt door de onderbouw en bestaat uit ideologie en sociale instituties, zoals religie, recht en staat. De functie van de bovenbouw bestaat erin de bestaande sociale verhoudingen te legitimeren. (Marx)

31
New cards

bovennatuurlijke compensatoren

Bovennatuurlijke verklaringen voor belangrijke levensgebeurtenissen die belangen beloven in een verre, ongedifinieerde toekomst of in een niet-verifieerbare context en daardoor compenseren voor concrete en bereikbare baten.

32
New cards

bronvermelding

Het vermelden van in onderzoek gebruikte bronnen.

33
New cards

bureaucratie

Formele organisatie gekenmerkt door gezagshiërarchie, arbeidsverdeling, benoeming op vasis van vakkennis, nadruk op geschreven regels, procedures en documenten, en een strikte scheiding tussen het privé-leven en de werkomgeving. (Weber)

34
New cards

catharsis

"Loutering", loslaten van emoties zodat onderliggende spanningen en angsten verminderd worden.

35
New cards

causale adequaatheid

Juiste waarschijnlijkheidsuitspraak m.b.t. oorzaak-gevolg relaties. (Weber)

36
New cards

causaliteit

Verband tussen twee klassen gebeurtenissen waarbij gebeurtenissen van de eerste soort leiden tot gebeurtenissen van de tweede soort omdat de eerste soort een noodzakelijk en/of voldoende oorzaak vormt voor het gebeuren van de tweede soort.

37
New cards

chiefdom

  1. Regionaal georganiseerde samenlevingen met een gecentraliseerd bestuur dat de activiteiten van verschillende dorpsgemeenschappen coördineert. (Earl); 2. Sociopolitieke organisaties met een gecentraliseerde overheid, erfelijkheid, hiërarchische statusverhoudingen onder een aristocratische ethos, maar zonder een formeel, legaal repressieapparaat en zonder de capaciteit om afscheiding te voorkomen.
38
New cards

churinga

Afbeelding in steen of hout die de stamtotem voorstelt.

39
New cards

civilisatiegeschiedenis

De geschiedenis van de psychologische en sociologische processen van de verfijning van de beschaving. (Elias)

40
New cards

clan

Matri- of patrilineaire exogame groep met een gemeenschappelijke voorouder en dikwijls gesymboliseerd door een totem.

41
New cards

commitment

De tijd en energie die geïnversteerd wordt in het volgen van bepaalde gedragslijn. (Hirschi)

42
New cards

communicatie

Het mede-delen van gedeelde betekenissen.

43
New cards

communisme

Politieke doctrine en/of politiek-economisch systeel waarin privé-eigendommen van de productiemiddelen wordt vervangen door het collectieve eigendomsrecht van de arbeiders op basis van noodzaak.

44
New cards

complexe stammen

Stammen met een rangordening volgens status of prestige, zonder sociale stratificatie ('rank societies').

45
New cards

condities

De elementen in een handelingssituatie die als niet veranderbaar worden waargenomen.

46
New cards

conditionering

Leerproces waarin nieuwe stimulus-response verbanden tot stand gebracht worden.

47
New cards

conflict

Interactie die door objectieve of subjectieve tegenstellingen wordt gekenmerkt, tegenstellingen die het gevolg zijn van een ongelijke controle over schaarse elementen.

48
New cards

conformiteit

Het inlossen van de normatieve verwachtingen van het maatschappelijke leven.

49
New cards

conscience collective

Gemeenschappelijk bewustzijn dat bestaat uit de totaliteit van overtuidingen en gevoelens die de gemiddelde burger heeft. (Durkheim)

50
New cards

consumentisme

Nadruk op directe behoeftebevredeging en vrijetijdsbestedeging, als kenmerk van de postindustriële samenleving.

51
New cards

conversation of gestures

Eerste stap in de menselijke interactie die als noodzakelijke factor gezien wordt voor de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. (Mead)

52
New cards

contextueel effect

Een beïnvloeding van interacties door de sociale omgeving waarbinnen die interacties plaats vinden.

53
New cards

coöperatieve relatie

Een relatie die ideale en gewenste regels oplegt die zonder dwang nageleefd worden. (Piaget)

54
New cards

creativiteit

De capaciteit van mensen om unieke producten te maken. (Marx)

55
New cards

crusading reformers

Individuen uit een bepaalde maatschappelijke groep met een ethische inperialistische houding gecombineert met een humanitaite motivatie. Door hun acties ontstaan nieuwe regelgeving, nieuwe outsiders en meestal ook een stijging in de onderhandhaving. (Becker)

56
New cards

cultural lag

De idee dat de immateriële cultuur (normen en wetten) trager verandert dan de materiële cultuur (technologie) waardoor sociale onaangepastheid tussen beide ontstaat. (Ogburn)

57
New cards

culture and personality school

Ontwikkeling in de studie van socialisatie die ontstond in de jaren dertig in de USA. De theorie werd vooral gekenmerkt door het toepassen van psycho-analytische principes op etnografisch materiaal. De belangstelling is dan ook dat verschillende culturen of maatschappijen verschillende persoonlijkheidstypes voortbrengt als het resultaat van verschillende socialisatie praktijken.

58
New cards

cultureel kapitaal

Machtbronnen gevormd door het bezit van geaccumuleerde kennis, vaardigheden en opleiding. (Bourdieu)

59
New cards

cultureel kapitaal

Linguïstische en culturele vaardigheden die door ouders aan kinderen uit de midden en hogere sociale klassen worden meegegeven.

60
New cards

cultureel relativisme

Het principe dat een cultuur slechts begrepen kan worden via haar eigen kenmerken omdat zij een specifieke aanpassing is aan de eisen van de omgeving en dat de criteria van andere culturen er niet zomaar op toegepast kunnen worden.

61
New cards

cultureel systeem

Subsysteem dat zorgt voor de indirecte bevrediging van interne vereisten. Op die manier staat het in voor de spanningshandhaving van het systeem. (Parsons)

62
New cards

culturele accumulatie

Zienswijze die stelt dat cultuurelementen niet onderhevig zijn aan selectie maar bij elkaar gevoegd worden in de tijd.

63
New cards

culturele antropologie

Wetenschap die de verscheidenheid aan menselijke leefvormen bestudeer.

64
New cards

culturele diffusie

Verspreiding van cultuurelementen door contacten tussen verschillende cultuurgemeenschappen.

65
New cards

culturele doelstellingen

De waarden, behoeften, aspiraties die mensen verwerven of opbouwen via het culturele systeem waartoe ze behoren. (Merton)

66
New cards

cultuur

Het geheel van gemeenschappelijke betekenissen die we aan het gedrag van een ander en aan ons eigen gedrag geven. het antwoord op de overlevingseisen die fysische omgevingen stellen aan menselijke samenlevingen en zo het menselijke, lichaamelijke handelen vorm geeft. Cultuur omvat alles wat door de mens in de loop der tijden werd verworven: waarden, normen, kennis, ideeën, technieken, materiële producten en kunstvoorwerpen.

67
New cards

cultuur (materieel, immaterieel)

  1. Culturele artefacten: alles wat in stoffelijke vorm kan worden vastgelgd. 2. De manieren waarop groepen mensen denken, hun waarden en normen, hun kennis en wetenschap, hun emotionele en esthetische uitdrukkingswijzen.
68
New cards

cultuur (postmaterialistisch, materialistisch)

De postmaterialistische cultuur kenmerkt zich door het belang dat aan esthetische, intellectuele en geborgenheidbehoeften gehecht wordt; de materialistische door het belang dat aan fysische en economische zekerheid wordt toegekend. (Inglehart)

69
New cards

cyclische theorie

Theorie die veranderingsprocessen beschouwt in termen van cyclische bewegingen, historische fluctuaties of steeds terugkerende veranderingspatronen.

70
New cards

definitie van de situatie

De overeenkomst tussen actoren over de vraag/ de kwestie hoe een bepaalde situatie te interpreteren en hoe er gepast op te reageren.

71
New cards

delayed response

Voor er op een stimulus gereageerd wordt, wordt het standpunt van de andere ingenomen en worden mogelijke responsen impliciet gestest en geselecteerd.

72
New cards

denominatie

Religieuze organisatie die typologisch tussen de kerk en de sekte staat. Ze keert zich niet af van de wereld, rekruteert door socialisatie, tolereet andere religieuze organisaties naast zich en beschikt over een bureaucratische organisatie en een "priesterschap".

73
New cards

deviante loopbaan

Proces waarin iemand zijn/haar zelfbeeld omvormt van niet-deviant tot deviant omwille van de negative sociale reacties op primaire deviantie, omwille van het door de omgeving als "deviant" gelabeld worden.

74
New cards

deviantie

Gedrag dat regels, normen of verwachtingen van de leden van de sociale groep schendt en waarop met afkeuring of straf gereageerd wordt.

75
New cards

dharma

De morele opdracht van een individu die vervuld wordt door gebruiken of wetten te gehoorzamen. De basisprinipes van het kosmische of individuele bestaan.

76
New cards

dialectische benadering

Benaring waarin relaties en wederkeringheid centraal staan.

77
New cards

dichotomisering

Een opdeling in insiders en outsiders. Personen aan beide zijde van de grens maken een opdeling tussen "wij" en "zij".

78
New cards

differentiële associatie

Verschil tussen het aantal contacten met situaties waarin algemeen geldende waarden en normen, een positieve houding t.o.v. wettelijke autoriteiten en wettig gedrag als gunsitg of voordeling worden beschouwd, en het aantal contacten met situaties waarin een afwijzende houding t.o.v. die elementen primeert. (Sutherland)

79
New cards

diffusie

Proces waarbij cultuurelementen of systemen van cultuurelementen zich verspreiden, waarbij ontdekkingen, uitvindeingen of nieuwe instellingen, aangenomen in een bepaalde regio, door samenlevingen in nabijgelegen gebieden worden overgenomen tot ze zich over de hele aardbol hebben verspreid. (Kroeber)

80
New cards

distinctie

De (poging tot) vorming van sociale collectiviteiten op basis van specifieke patronen van consumptie en levensstijl. (Bourdieu)

81
New cards

distributive justice

Verdelende rechtvaardigheid, bij ongelijke inversering krijgt de actor met de hoogste last het meeste profijt.

82
New cards

doelverwezenlijking

Functionele bijdrage (vereiste) van het persoonlijkheidssysteem die bestaat uit het bepalen van doelstellingen en het mobiliseren en toewijzen van middlene om deze doelstellingen te realiseren (goalattainment). (Parsons)

83
New cards

dramaturgie

Theoretisch perspectief dat het toneel en het theater als belangrijk organiserende metafoor gebruikt om het sociaal leven te bestuderen.

84
New cards

dwangrelatie

Relatie die een individu een uiterlijk systeem van dwingende regels oplegt. (Piaget)

85
New cards

dyade

De kleinste interactie-eenheid, bestaande uit twee personen.

86
New cards

dynamische dichtheid / densite sociale

Het aantal personen dat deel uitmaakt van een groep en de interactie tussen de leden van die groep. (Durkheim)

87
New cards

dysfunctie

Een bepaald gebruik of sociaal fenomeen kan functioneel zijn voor het specifieke sociale onderdeel waarin het voorkomt, maar kan ook negatieve gevolgen hebben voor andere delen van het sociale geheel.

88
New cards

ecological fallacy / ecologische fout

De foute veronderstelling dat uitspraken gedaan op aggregaat niveau geldig zijn op individueel niveau.

89
New cards

economisch kapitaal

Machtsbronnen gevorm door het bezit van materiële zaken als geld en eigendom. (Bourdieu)

90
New cards

education morale

Morele opvoeding van jongeren als basis voor organische solidariteit. (Drukheim)

91
New cards

effervescence collective

Collectieve extatische momenten waarbij het onderscheid tussen het sacrale en het profane beleefd wordt. (Durkheim)

92
New cards

emancipatie

Bevrijding van sociale, politieke en/of intellectuele beperkingen en de kans om al zijn/haar mogelijkheden te verwezenlijken.

93
New cards

emergent properties

Eigenschappen van een groep die verschillen van de eigenschappen van de individuen waaruit de groep is samengesteld.

94
New cards

emotie

Een sterk gevoel dat dikwijls samengaat met een fysieke reactie.

95
New cards

empirische kennis

Inzichten in de werkelijkheid vergregen op basis van ervaringen waarbij men zich laat leiden door feitelijke waarnemingen.

96
New cards

enquête

  1. Een reeks open en/of gesloten vragen die aan verschillende personen wordt voorgelegd. 2. Een onderzoek dat van zulke vragenlijsten gebruik maakt.
97
New cards

es

Dat deel van de menselijke persoonlijkheid waarin alle basis biologische driften en noden zijn opgeslagen. (Freud)

98
New cards

ethische controle

Vorm van boven-individuele sociale controle door middel van publieke opinie, religie, kunst of persoonlijke idealen. (Ross)

99
New cards

ethos

Algemeen aanvaarde levenswijze die voortvloeit uit een bepaalde wereldbeschouwing.

100
New cards

etniciteit

Met dit begrip wordt verwezen naar groepen van mensen die een afkomst en dus een cultuur delen. Etniciteit verwerf je bij geboorte en heeft dus een stabiel karakter.