1/55
Een set flashcards in woordenlijststijl gebaseerd op het lesmateriaal over bewustzijn, motivatie, emotie, denken, intelligentie, geheugen, sensatie en perceptie.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Cognitieve neurowetenschap
Een interdisciplinair wetenschapsgebied waarin cognitief psychologen, neurowetenschappers, computerwetenschappers en andere onderzoekers het verband bestuderen tussen mentale processen en de hersenen.
Bewustzijn
Het proces waarmee de hersenen een mentaal model creëren van onze ervaringen.
Seriële verwerking
Een werkwijze in informatieverwerking waarbij slechts één ding tegelijkertijd en achtereenvolgens verwerkt kan worden.
Parallelle verwerking
Een werkwijze waarbij twee of meer informatieverwerkingsactiviteiten tegelijkertijd plaatsvinden.
Voorbewuste
Volgens Freud het speciale onbewuste opslagruimtegedeelte voor informatie die momenteel niet in het bewustzijn is, maar wel direct beschikbaar is.
Priming
Een techniek waarmee impliciete herinneringen worden voorzien van een label dat het terughalen stimuleert zonder dat de persoon zich bewust is van het verband.
Circadiaanse ritmes
Fysiologische patronen die zich ongeveer elke 24 uur herhalen, zoals de menselijke slaap-waakcyclus.
REM-slaap
Een slaapperiode die ongeveer elke 90 minuten terugkeert en wordt gekenmerkt door snelle oogbewegingen (Rapid Eye Movements) onder gesloten oogleden en intense droomactiviteit.
Hypnose
Een opzettelijk veranderde bewustzijnstoestand die gekenmerkt wordt door een toegenomen beïnvloedbaarheid (suggestibiliteit) en meestal een diepe ontspanning.
Psychoactief middel
Een chemische stof die mentale processen en gedrag beïnvloedt doordat het een specifiek effect heeft op het zenuwstelsel.
Motivatie
Alle processen met betrekking tot het voelen van een behoefte of verlangen, het activeren, selecteren, sturen en volhouden van gericht gedrag, en het reduceren van de behoeftesensatie.
Extrinsieke motivatie
Het verlangen om een activiteit uit te voeren omwille van een externe consequentie, zoals een beloning of het vermijden van straf.
Intrinsieke motivatie
De motivatie om een bepaalde activiteit uit te voeren omdat deze op zichzelf als een beloning aanvoelt.
Overrechtvaardiging
Het proces waarbij een extrinsieke beloning een al bestaande interne/intrinsieke motivatie verdringt.
Flow
Een intense staat van concentratie tijdens een activiteit waarin iemand extreem geïnteresseerd is, gepaard gaande met het vervagen van het gevoel voor tijd en omgeving.
Gefixeerd actiepatroon
Een genetisch bepaald en niet-aangeleerd gedragspatroon dat bij alle individuen van een soort voorkomt als reactie op een identificeerbare stimulus.
Drijfveertheorie
Een motivatietheorie die stelt dat een biologische behoefte een toestand van energie of spanning (drijfveer) veroorzaakt die het organisme beweegt tot bevrediging om de homeostase te herstellen.
Homeostase
Het biologische evenwicht binnen een organisme en het vermogen van het lichaam om deze interne toestand te handhaven.
Zelfdeterminatietheorie (ZDT)
Een theorie die stelt dat mensen van nature hun omgeving vormgeven ten behoeve van groei en integratie, mits voldaan is aan de basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid.
Emotie
Een viervoudig proces bestaande uit fysiologische arousal, cognitieve interpretatie, subjectieve gevoelens en gedragsmatige expressie.
Uitingsregels
Aangeleerde culturele voorschriften over de manier waarop bepaalde emoties in een specifieke samenleving of groep getoond mogen worden.
Theorie van James-Lange
Een emotietheorie die stelt dat elke specifieke emotie het directe gevolg is van en correspondeert met een afzonderlijk patroon van fysiologische arousal.
Tweefactortheorie van Schachter
Een emotietheorie die stelt dat emoties ontstaan uit een combinatie van fysiologische arousal en een daaropvolgende cognitieve interpretatie of label.
Denken
Het cognitieve proces dat verantwoordelijk is voor het vormen van nieuwe mentale representaties door beschikbare informatie te manipuleren.
Concept
Een mentale representatie van een categorie van items, voorwerpen of ideeën die gemeenschappelijke kenmerken delen.
Script
Een specifiek type schema dat een cluster van informatie bevat over de verwachte reeks gebeurtenissen en handelingen in een bepaalde situatie.
Divergent denken
Een denkproces gericht op het overwegen en genereren van alle mogelijke opties en oplossingen voordat een specifieke keuze wordt gemaakt.
Algoritme
Een stapsgewijze procedure of formule die bij correcte uitvoering gegarandeerd tot een juiste oplossing leidt.
Heuristiek
Een informele vuistregel of denkstrategie die gebruikt wordt om snel en efficiënt problemen op te lossen of beslissingen te nemen.
Mental set
De neiging om een probleem te benaderen op een specifieke manier die in het verleden reeds succesvol is gebleken.
Functionele gefixeerdheid
Een vorm van mental set waarbij men niet in staat is om een object te zien als geschikt voor andere functies dan de gebruikelijke standaardfunctie.
Confirmation bias
De neiging om informatie te zoeken, te herinneren en te interpreteren op een wijze die de eigen reeds bestaande overtuigingen bevestigt.
Anchoring bias
Een denkfout waarbij beslissingen of schattingen onevenredig sterk beïnvloed worden door de eerste informatie die men hierover ontvangt.
g-factor
De algemene intelligentiefactor die volgens Spearman aan de basis ligt van alle specifieke mentale en intellectuele prestaties.
Gekristalliseerde intelligentie
De kennis die een persoon in de loop van het leven heeft verworven plus de vaardigheid om effectief toegang te krijgen tot die kennis.
Vloeibare intelligentie
De vaardigheid om complexe relaties waar te nemen en nieuwe of abstracte problemen op te lossen.
Erfelijkheidsratio
De mate waarin de variatie van een bepaalde eigenschap binnen een specifieke groep toegeschreven kan worden aan genetische verschillen.
Sensorisch geheugen
Het eerste geheugenstadium waarin zintuiglijke indrukken korte tijd (van een kwart seconde tot enkele seconden) worden bewaard.
Werkgeheugen
Het tweede geheugenstadium waarin informatie bewust verwerkt en gedurende ongeveer 20 seconden vastgehouden kan worden.
Chunking
Het proces van het groeperen van losse feiten of items tot grotere, betekenisvolle eenheden om de capaciteit van het werkgeheugen optimaal te benutten.
Procedureel geheugen
Het onderdeel van het langetermijngeheugen waarin motorische vaardigheden en gedragsprocedures ('weten hoe') onbewust opgeslagen liggen.
Declaratief geheugen
Het onderdeel van het langetermijngeheugen waarin feiten, persoonlijke gebeurtenissen en algemene kennis ('weten dat') expliciet opgeslagen liggen.
Consolidatie
Het proces waarin kortetermijnherinneringen door tussenkomst van de hippocampus worden omgezet in duurzame langetermijnherinneringen.
Specificiteit van codering
Het principe dat het terughalen van informatie succesvoller is wanneer de aanwezige herinneringscues overeenkomen met de cues die aanwezig waren bij de codering.
Vergeetcurve van Ebbinghaus
Een grafiek die aantoont dat het vergeten van nieuw geleerde informatie in het begin heel snel verloopt en vervolgens geleidelijk afvlakt.
Sensatie
Het vroege stadium van informatieverwerking waarin de zintuigreceptoren een fysieke stimulus omzetten in een patroon van neurale impulsen.
Perceptie
Het proces van het toekennen van betekenis en interpretatie aan een ontvangen patroon van sensorische impulsen.
Transductie
Het proces waarbij zintuiglijke receptoren fysieke energie omzetten in elektrochemische neurale signalen.
Sensorische adaptatie
Het fenomeen waarbij zintuiglijke receptorcellen minder gevoelig worden wanneer een stimulus gedurende langere tijd onveranderd blijft.
Absolute drempel
De minimale hoeveelheid stimulatie die vereist is om een specifieke stimulus überhaupt te kunnen opmerken.
Verschildrempel
Het kleinst waarneembare verschil tussen twee stimuli dat een persoon betrouwbaar als een verandering kan opmerken.
Proprioceptie
Het zintuiglijke vermogen om de positie en bewegingen van de eigen lichaamsdelen ten opzichte van elkaar waar te nemen via receptoren in gewrichten, spieren en pezen.
Bottom-upverwerking
Perceptuele analyse die gestuurd wordt door de feitelijke kenmerken van de binnenkomende stimulus (stimulusgedreven verwerking).
Top-downverwerking
Perceptuele analyse waarbij de waarneming primair gestuurd wordt door verwachtingen, kennis, geheugen en concepten (conceptueel gedreven verwerking).
Perceptuele blindheid
Een waarnemingsfout waarbij een fysiek aanwezige stimulus niet opgemerkt wordt doordat de aandacht op iets anders is gericht.
Wet van Prägnanz
Het fundamentele Gestaltprincipe dat stelt dat de menselijke geest de voorkeur geeft aan de eenvoudigste, meest stabiele en gestructureerde perceptuele organisatie.