1/138
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
de bestelling (de bestellingen)
een bestelling plaatsen (plaatste - heeft geplaatst)
la commande
passer une commande
de betaalapp
l'application de paiement
Het betaalmiddel (de betaalmiddelen)
le moyen de paiement
de betaalwijze (de betaalwijzen)
le mode de paiement
betalen (betaalde - heeft betaald) contant/ cash betalen
>< elektronisch betalen
payer, régler
payer comptant, en liquide
>< payer électroniquement
het huishouden (de huishoudens)
le ménage
de koopkracht
le pouvoir d'achat
het leefgeld
l'argent pour vivre au quotidien
openen (opende - heeft geopend)
>< sluiten (sloot - heeft gesloten)
de opening >< de sluiting
ouvrir
>< fermer
l'ouverture >< la fermeture
de overschrijving (de overschrijvingen)
een overschrijving doen (deed - heeft gedaan)
le virement
effectuer un virement
het spaardoel
l'objectif d'épargne
het uittreksel (de uittreksels)
l'extrait de compte
de bank, de bankier
la banque, le banquier
de bankgegevens
les données bancaires
bankieren (bankierde - heeft gebankierd)
het thuisbankieren
het internetbankieren
faire des transactions,
opérations bancaires les opérations bancaires à domicile
les opérations bancaires en ligne
de bankrekening
le compte en banque
de bankzaken
les opérations bancaires
het bedrag (de bedragen)
le montant
beheren (beheerde - heeft beheerd)
= omgaan met (ging om met - is omgegaan met)
gérer
de belasting (de belastingen)
l'impôt
besparen (bespaarde - heeft bespaard)
économiser, épargner
bestellen (bestelde - heeft besteld)
commander
beveiligen (beveiligde - heeft beveiligd) = beschermen (beschermde - heeft beschermd)
sécuriser sécuriser, protéger
de factuur (de facturen)
de dagelijkse facturen
la facture
les factures quotidiennes
de geldautomaat = de bankautomaat
le distributeur de billets
de geldzaak (de geldzaken)
l'affaire d'argent
de int(e)rest = de rente
l'intérêt, le taux d'intérêt
lenen (leende - heeft geleend)
emprunter, prêter
de lening (de leningen)
een lening aangaan (ging aan - heeft aangegaan)
een lening aflossen (loste af - heeft afgelost)
l'emprunt, le prêt
souscrire un emprunt
rembourser un emprunt
overschrijven (schreef over - heeft overgeschreven)
virer de l'argent
toegang hebben tot
avoir accès à
verspillen (verspilde - heeft verspild)
gaspiller
de aankoop (de aankopen)
= de koop (mv: de kopen)
>< de verkoop (mv: de verkopen)
l'achat, l'acquisition
>< la vente
btw inclusief
(>< btw exclusief)
tva incluse
(>< tva non incluse)
de bankkaart
(de bankkaarten)
la carte de banque
het bankkantoor
l'agence bancaire
boodschappen, de boodschappen doen (deed - heeft gedaan) = aankopen doen = inkopen doen
les courses faire les courses faire des achats
de code = de pincode
zijn (pin)code ingeven (gaf in - heeft ingegeven) = intoetsen (toetste in - heeft ingetoetst)
le code secret introduire
taper son code secret
het inkomen (de inkomens) = de inkomst (de inkomsten)
le revenu
inkopen (kocht in - heeft ingekocht)
s'approvisionner
de jobstudent (de jobstudenten)
le jobiste
leveren (leverde - heeft geleverd)
livrer
het pakket (de pakketten)
= het pakje (de pakjes)
le colis, le paquet
pinnen (pinde - heeft gepind)
payer par carte bancaire
de betaling (de betalingen)
een betaling doen (deed - heeft gedaan) de elektronische betaling
le paiement
effectuer un paiement
le paiement électronique
de beurs (de beurzen)
la bourse
biljet, het mv: de biljetten = het bankbiljet
le billet de banque
het budget
le budget
consumeren (consumeerde - heeft geconsumeerd) = verbruiken (verbruikte - heeft verbruikt)
de consument (mv: de consumenten)
de consumptie
het verbruik
het energieverbruik
consommer
le consommateur
la consommation
la consommation
la consommation d'énergie
dalen (daalde - is gedaald)
de daling
>< de stijging
diminuer
la diminution
>< l'augmentation
de domiciliëring
la domiciliation
de doorlopende opdracht
l'ordre permanent
de e-commerce
= de onlinehandel
le commerce en ligne
de economie
l'économie
het geld,
geld afhalen (haalde af - heeft afgehaald) = geld opnemen (nam op - heeft opgenomen)
het contant geld = het cash geld
l'argent
retirer de l'argent
l'argent liquide
gemiddeld
en moyenne
goedkoop >< duur
bon marché >< cher
de handel
de onlinehandel
le commerce
le commerce en ligne
de handelaar (de handelaren/ de handelaars)
le commerçant
de hoeveelheid (de hoeveelheden)
la quantité
de impulsaankoop (de impulsaankopen)
l'achat impulsif
in het rood staan (stond - heeft gestaan)
être en négatif
de inkoop (de inkopen)
= de (aan)koop (de (aan)kopen)
l'achat, l'acquisition
inloggen (logde in - heeft ingelogd)
>< uitloggen (logde uit - heeft uitgelogd)
se connecter, se logger
se déconnecter
de investeerder (de investeerders)
= de belegger (de beleggers)
l'investisseur
investeren (investeerde - heeft geïnvesteerd) = beleggen (belegde - heeft belegd)
investir, placer
de investering (de investeringen)
= de belegging (de beleggingen)
l'investissement, le placement
de klant (de klanten)
le client
de klantenkaart (de klantenkaarten)
la carte de fidélité
het koopgedrag = het aankoopgedrag
le comportement d'achat
het koopje (de koopjes)
l'occasion, la bonne affaire
kopen (kocht - heeft gekocht)
>< verkopen (verkocht - heeft verkocht)
acheter
>< vendre
de koper (de kopers)
>< de verkoper (de verkopers)
l'acheteur
>< le vendeur
de korting (de kortingen)
la réduction, la remise
kosten (kostte - heeft gekost)
coûter
de kosten,
de bijkomende kosten
de verzendkosten
de transportkosten = de vervoerkosten
les coûts, les frais
les frais supplémentaires les frais d'envoi
les frais de transport
de kredietkaart
la carte de crédit
de levering (de leveringen)
de thuislevering
de leverancier (de leveranciers)
la livraison
la livraison à domicile
le fournisseur
het loon (de lonen) = het salaris (de salarissen)
le salaire
maandelijks
dagelijks
wekelijks
jaarlijks
mensuel(lement)
quotidien(nement)
hebdomadaire
annuel(lement)
de mededeling
la communication
omgaan met (ging om met - is omgegaan met) = beheren (beheerde - heeft beheerd)
met geld leren omgaan = geld leren beheren
gérer
apprendre à gérer son argent
omrekenen (rekende om - heeft omgerekend)
convertir
de onkosten,
de onkostennota
les frais, les dépenses
la note de frais
de onlineaankoop
>< de onlineverkoop = de digitale verkoop
l'achat en ligne
>< la vente en ligne
de onlinebetaling
le paiement en ligne
ontvangen (ontving- heeft ontvangen)
de ontvangst
recevoir
la réception
opbrengen (bracht op - heeft opgebracht)
rapporter (de l'argent)
de opbrengst = het rendement
le rendement
opzijzetten (zette opzij - heeft opzijgezet)
mettre de côté, épargner
overschrijden (overschreed - heeft overschreden)
zijn bestedingslimiet overschrijden
franchir, dépasser
dépasser sa limite de dépense
het overzicht,
een overzicht van zijn uitgaven hebben
la vue d'ensemble, l'aperçu
avoir une vue d'ensemble de ses dépenses
de prijs (de prijzen)
de aankoopprijs = de koopprijs
de verkoopprijs
le prix
le prix d'achat
le prix de vente
de prijsklasse
in een hoge prijsklasse
>< in een lage prijsklasse
la catégorie de prix µ
haut de gamme
>< bas de gamme
de prijs-kwaliteit(s)verhouding
le rapport qualité-prix
de prijsverlaging
>< de prijsverhoging
la diminution de prix
>< l'augmentation de prix
de rekening (de rekeningen)
de gemeenschappelijke rekening
een rekening openen (opende - heeft geopend)
op zijn rekening zetten (zette - heeft gezet)
le compte
le compte commun
ouvrir un compte
mettre sur son compte
het rekeningnummer
le numéro de compte
de rente
de lage rente
l'intérêt
le faible taux d'intérêt
de rentevoet
le taux d'intérêt