NDLS Geldzaken - EPHEC Cartes | Quizlet

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/138

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:43 PM on 3/1/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

139 Terms

1
New cards

de bestelling (de bestellingen)

een bestelling plaatsen (plaatste - heeft geplaatst)

la commande

passer une commande

2
New cards

de betaalapp

l'application de paiement

3
New cards

Het betaalmiddel (de betaalmiddelen)

le moyen de paiement

4
New cards

de betaalwijze (de betaalwijzen)

le mode de paiement

5
New cards

betalen (betaalde - heeft betaald) contant/ cash betalen

>< elektronisch betalen

payer, régler

payer comptant, en liquide

>< payer électroniquement

6
New cards

het huishouden (de huishoudens)

le ménage

7
New cards

de koopkracht

le pouvoir d'achat

8
New cards

het leefgeld

l'argent pour vivre au quotidien

9
New cards

openen (opende - heeft geopend)

>< sluiten (sloot - heeft gesloten)

de opening >< de sluiting

ouvrir

>< fermer

l'ouverture >< la fermeture

10
New cards

de overschrijving (de overschrijvingen)

een overschrijving doen (deed - heeft gedaan)

le virement

effectuer un virement

11
New cards

het spaardoel

l'objectif d'épargne

12
New cards

het uittreksel (de uittreksels)

l'extrait de compte

13
New cards

de bank, de bankier

la banque, le banquier

14
New cards

de bankgegevens

les données bancaires

15
New cards

bankieren (bankierde - heeft gebankierd)

het thuisbankieren

het internetbankieren

faire des transactions,

opérations bancaires les opérations bancaires à domicile

les opérations bancaires en ligne

16
New cards

de bankrekening

le compte en banque

17
New cards

de bankzaken

les opérations bancaires

18
New cards

het bedrag (de bedragen)

le montant

19
New cards

beheren (beheerde - heeft beheerd)

= omgaan met (ging om met - is omgegaan met)

gérer

20
New cards

de belasting (de belastingen)

l'impôt

21
New cards

besparen (bespaarde - heeft bespaard)

économiser, épargner

22
New cards

bestellen (bestelde - heeft besteld)

commander

23
New cards

beveiligen (beveiligde - heeft beveiligd) = beschermen (beschermde - heeft beschermd)

sécuriser sécuriser, protéger

24
New cards

de factuur (de facturen)

de dagelijkse facturen

la facture

les factures quotidiennes

25
New cards

de geldautomaat = de bankautomaat

le distributeur de billets

26
New cards

de geldzaak (de geldzaken)

l'affaire d'argent

27
New cards

de int(e)rest = de rente

l'intérêt, le taux d'intérêt

28
New cards

lenen (leende - heeft geleend)

emprunter, prêter

29
New cards

de lening (de leningen)

een lening aangaan (ging aan - heeft aangegaan)

een lening aflossen (loste af - heeft afgelost)

l'emprunt, le prêt

souscrire un emprunt

rembourser un emprunt

30
New cards

overschrijven (schreef over - heeft overgeschreven)

virer de l'argent

31
New cards

toegang hebben tot

avoir accès à

32
New cards

verspillen (verspilde - heeft verspild)

gaspiller

33
New cards

de aankoop (de aankopen)

= de koop (mv: de kopen)

>< de verkoop (mv: de verkopen)

l'achat, l'acquisition

>< la vente

34
New cards

btw inclusief

(>< btw exclusief)

tva incluse

(>< tva non incluse)

35
New cards

de bankkaart

(de bankkaarten)

la carte de banque

36
New cards

het bankkantoor

l'agence bancaire

37
New cards

boodschappen, de boodschappen doen (deed - heeft gedaan) = aankopen doen = inkopen doen

les courses faire les courses faire des achats

38
New cards

de code = de pincode

zijn (pin)code ingeven (gaf in - heeft ingegeven) = intoetsen (toetste in - heeft ingetoetst)

le code secret introduire

taper son code secret

39
New cards

het inkomen (de inkomens) = de inkomst (de inkomsten)

le revenu

40
New cards

inkopen (kocht in - heeft ingekocht)

s'approvisionner

41
New cards

de jobstudent (de jobstudenten)

le jobiste

42
New cards

leveren (leverde - heeft geleverd)

livrer

43
New cards

het pakket (de pakketten)

= het pakje (de pakjes)

le colis, le paquet

44
New cards

pinnen (pinde - heeft gepind)

payer par carte bancaire

45
New cards

de betaling (de betalingen)

een betaling doen (deed - heeft gedaan) de elektronische betaling

le paiement

effectuer un paiement

le paiement électronique

46
New cards

de beurs (de beurzen)

la bourse

47
New cards

biljet, het mv: de biljetten = het bankbiljet

le billet de banque

48
New cards

het budget

le budget

49
New cards

consumeren (consumeerde - heeft geconsumeerd) = verbruiken (verbruikte - heeft verbruikt)

de consument (mv: de consumenten)

de consumptie

het verbruik

het energieverbruik

consommer

le consommateur

la consommation

la consommation

la consommation d'énergie

50
New cards

dalen (daalde - is gedaald)

de daling

>< de stijging

diminuer

la diminution

>< l'augmentation

51
New cards

de domiciliëring

la domiciliation

52
New cards

de doorlopende opdracht

l'ordre permanent

53
New cards

de e-commerce

= de onlinehandel

le commerce en ligne

54
New cards

de economie

l'économie

55
New cards

het geld,

geld afhalen (haalde af - heeft afgehaald) = geld opnemen (nam op - heeft opgenomen)

het contant geld = het cash geld

l'argent

retirer de l'argent

l'argent liquide

56
New cards

gemiddeld

en moyenne

57
New cards

goedkoop >< duur

bon marché >< cher

58
New cards

de handel

de onlinehandel

le commerce

le commerce en ligne

59
New cards

de handelaar (de handelaren/ de handelaars)

le commerçant

60
New cards

de hoeveelheid (de hoeveelheden)

la quantité

61
New cards

de impulsaankoop (de impulsaankopen)

l'achat impulsif

62
New cards

in het rood staan (stond - heeft gestaan)

être en négatif

63
New cards

de inkoop (de inkopen)

= de (aan)koop (de (aan)kopen)

l'achat, l'acquisition

64
New cards

inloggen (logde in - heeft ingelogd)

>< uitloggen (logde uit - heeft uitgelogd)

se connecter, se logger

se déconnecter

65
New cards

de investeerder (de investeerders)

= de belegger (de beleggers)

l'investisseur

66
New cards

investeren (investeerde - heeft geïnvesteerd) = beleggen (belegde - heeft belegd)

investir, placer

67
New cards

de investering (de investeringen)

= de belegging (de beleggingen)

l'investissement, le placement

68
New cards

de klant (de klanten)

le client

69
New cards

de klantenkaart (de klantenkaarten)

la carte de fidélité

70
New cards

het koopgedrag = het aankoopgedrag

le comportement d'achat

71
New cards

het koopje (de koopjes)

l'occasion, la bonne affaire

72
New cards

kopen (kocht - heeft gekocht)

>< verkopen (verkocht - heeft verkocht)

acheter

>< vendre

73
New cards

de koper (de kopers)

>< de verkoper (de verkopers)

l'acheteur

>< le vendeur

74
New cards

de korting (de kortingen)

la réduction, la remise

75
New cards

kosten (kostte - heeft gekost)

coûter

76
New cards

de kosten,

de bijkomende kosten

de verzendkosten

de transportkosten = de vervoerkosten

les coûts, les frais

les frais supplémentaires les frais d'envoi

les frais de transport

77
New cards

de kredietkaart

la carte de crédit

78
New cards

de levering (de leveringen)

de thuislevering

de leverancier (de leveranciers)

la livraison

la livraison à domicile

le fournisseur

79
New cards

het loon (de lonen) = het salaris (de salarissen)

le salaire

80
New cards

maandelijks

dagelijks

wekelijks

jaarlijks

mensuel(lement)

quotidien(nement)

hebdomadaire

annuel(lement)

81
New cards

de mededeling

la communication

82
New cards

omgaan met (ging om met - is omgegaan met) = beheren (beheerde - heeft beheerd)

met geld leren omgaan = geld leren beheren

gérer

apprendre à gérer son argent

83
New cards

omrekenen (rekende om - heeft omgerekend)

convertir

84
New cards

de onkosten,

de onkostennota

les frais, les dépenses

la note de frais

85
New cards

de onlineaankoop

>< de onlineverkoop = de digitale verkoop

l'achat en ligne

>< la vente en ligne

86
New cards

de onlinebetaling

le paiement en ligne

87
New cards

ontvangen (ontving- heeft ontvangen)

de ontvangst

recevoir

la réception

88
New cards

opbrengen (bracht op - heeft opgebracht)

rapporter (de l'argent)

89
New cards

de opbrengst = het rendement

le rendement

90
New cards

opzijzetten (zette opzij - heeft opzijgezet)

mettre de côté, épargner

91
New cards

overschrijden (overschreed - heeft overschreden)

zijn bestedingslimiet overschrijden

franchir, dépasser

dépasser sa limite de dépense

92
New cards

het overzicht,

een overzicht van zijn uitgaven hebben

la vue d'ensemble, l'aperçu

avoir une vue d'ensemble de ses dépenses

93
New cards

de prijs (de prijzen)

de aankoopprijs = de koopprijs

de verkoopprijs

le prix

le prix d'achat

le prix de vente

94
New cards

de prijsklasse

in een hoge prijsklasse

>< in een lage prijsklasse

la catégorie de prix µ

haut de gamme

>< bas de gamme

95
New cards

de prijs-kwaliteit(s)verhouding

le rapport qualité-prix

96
New cards

de prijsverlaging

>< de prijsverhoging

la diminution de prix

>< l'augmentation de prix

97
New cards

de rekening (de rekeningen)

de gemeenschappelijke rekening

een rekening openen (opende - heeft geopend)

op zijn rekening zetten (zette - heeft gezet)

le compte

le compte commun

ouvrir un compte

mettre sur son compte

98
New cards

het rekeningnummer

le numéro de compte

99
New cards

de rente

de lage rente

l'intérêt

le faible taux d'intérêt

100
New cards

de rentevoet

le taux d'intérêt