1/20
Deze flashcards bevatten de kernwoordenschat, voorzetsels en voegwoorden uit de eerste les van Predrag, gericht op spreekvertrouwen en dagelijkse situaties.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
ONZEKER
Een gevoel van gebrek aan zelfvertrouwen, vaak voorkomend bij het spreken van een nieuwe taal.
DURVEN
De moed hebben om iets te doen, zoals Nederlands praten in een supermarkt of café.
VOORAL
Grootste gedeelte of met name; bijvoorbeeld 'vooral beter worden in bepaalde situaties'.
MEESTAL
In de meeste gevallen of vaker wel dan niet.
SOMMIGE
Een onbepaald aantal, niet alle.
IEDEREEN
Alle mensen zonder uitzondering.
VERRASSING
Iets wat onverwacht gebeurt, zoals een drukke vrijdag.
WOORDEN
De individuele bouwstenen van taal; meervoud van woord.
WORDEN
Een proces van verandering van staat, zoals 'zelfverzekerder worden'.
IN (tijd)
Voorzetsel gebruikt bij maanden, jaren en seizoenen (bijv. in januari, in 2024).
OP (tijd)
Voorzetsel gebruikt bij dagen (bijv. op maandag, op 12 mei).
OM (tijd)
Voorzetsel gebruikt bij uren en specifieke tijdstippen (bijv. om 9 uur).
OMDAT
Voegwoord dat een reden aangeeft; belangrijk om antwoorden langer te maken.
MAAR
Voegwoord dat een tegenstelling of contrast aangeeft.
DUS
Voegwoord dat een conclusie of gevolg aangeeft.
ALS / WANNEER
Voegwoorden die gebruikt worden om een specifieke situatie uit te leggen.
TERWIJL
Voegwoord dat aangeeft dat twee acties gelijktijdig plaatsvinden.
BIJPRATEN
Het bespreken van de laatste nieuwtjes of ontwikkelingen met collega's.
VERGADERING
Een formele bijeenkomst van mensen (synoniem voor meeting).
IK LOOP EVEN VAST
Een reparatiezin die gebruikt wordt als je blokkeert tijdens het spreken.
ALLE / ALLEMAAL
Woorden die alles of iedereen aanduiden; bijv. 'alle mensen' of 'dank jullie allemaal'.