1/36
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen van aardrijkskunde hoofdstuk 6 tot en met 8 en hoofdstuk 1 tot en met 4, inclusief de bewegingen van de aarde en maan, satellieten, atmosferische structuren en weerfenomenen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Aardrevolutie
De beweging van de aarde in een elliptische baan rond de zon, die een totale duur heeft van 365 dagen, 5 uur en 48 minuten.
Analemma
Het lusvormige patroon van de schijnbeweging van de zon aan de hemel, vastgesteld op hetzelfde tijdstip op verschillende dagen gedurende een jaar.
Zomerzonnewende (Zomersolstitium)
Het moment op 21 juni waarbij de zon het hoogst aan de hemel staat en loodrecht invalt op de Kreeftskeerkring, wat resulteert in de langste dag op het noordelijk halfrond.
Equinox (Nachtevening)
Het tijdstip (21 maart of 23 september) waarop de zon precies in het oosten opkomt, in het westen ondergaat en loodrecht op de evenaar staat, waardoor dag en nacht overal ter wereld ongeveer even lang zijn.
Winterzonnewende (Wintersolstitium)
Het moment op 22 december waarbij de zon het laagst aan de hemel blijft en loodrecht invalt op de Steenbokskeerkring, wat de kortste dag op het noordelijk halfrond markeert.
Culminatiehoogte
De maximale hoogte die de zon op één dag boven de horizon bereikt.
Aphelium
Het punt in de aardbaan waar de aarde het verst verwijderd is van de zon en een trage snelheid heeft.
Perihelium
Het punt in de aardbaan waar de aarde het dichtst bij de zon staat en een snellere snelheid rond de zon heeft.
Schrikkeljaar
Een jaar met een extra dag die elke 4 jaar wordt toegevoegd om het verschil van ongeveer 6 uur per jaar in de aardrevolutie te compenseren.
Zenit
De stand waarbij de zon loodrecht boven een punt op aarde staat; dit gebeurt tweemaal per jaar in de tropen.
Polaire gordel
De zone tussen de pool en de poolcirkel waar de zon altijd laag boven de horizon staat en waar fenomenen zoals de pooldag en poolnacht voorkomen.
Middelbreedtengordel
De zones tussen de keerkring en de poolcirkel gekenmerkt door vier seizoenen door de steeds wijzigende culminatiehoogte van de zon.
Siderische omwentelingstijd
De tijd die de maan nodig heeft om een gelijke positie ten opzichte van de sterren in te nemen, wat gelijk staat aan 27,3 dagen.
Synodische omwentelingstijd
De tijd tussen twee opeenvolgende volle manen, wat gemiddeld 29,5 dagen duurt.
Springtij
Een getijde dat tweemaal per maand voorkomt wanneer de maan en zon op één lijn staan, wat zorgt voor een extra hoog hoogtij.
Doodtij
Een getijde dat tweemaal per maand voorkomt wanneer de hoek tussen de maan en zon 90∘ is, resulterend in een zeer lage vloed.
Umbra
De kernschaduw of slagschaduw tijdens een eclips waar volledige duisternis heerst.
Penumbra
De zone van gedeeltelijke verduistering tijdens een eclips.
Geostationaire satellieten
Satellieten op een hoogte van ongeveer 36000km die synchroon met de aarde draaien en daardoor een vaste positie boven het aardoppervlak behouden.
Polaire satellieten
Satellieten op een hoogte van ongeveer 800km die van pool naar pool vliegen en door hun geringe afstand een hoge resolutie bieden voor observatie.
SpaceX Starlink
Een netwerk van satellieten die laag rond de aarde vliegen om overal ter wereld internetbereik te bieden.
Luchtdruk
De druk die de lucht door haar gewicht uitoefent op een bepaald oppervlak, met een gemiddelde waarde van 1013hPa op aarde.
Troposfeer
De onderste laag van de atmosfeer (0−10km) waar de temperatuur daalt met de hoogte en waarin het weer zich afspeelt.
Stratosfeer
De atmosferische laag van 10−50km hoogte waarin de ozonlaag zich bevindt en de temperatuur stijgt met de hoogte.
Thermosfeer
De laag van 85−500km waar de Aurora Borealis ontstaat en radiogolven worden teruggekaatst.
Albedo
De 30% van de zonnestraling die rechtstreeks wordt teruggekaatst door wolken, oceanen, sneeuw of ijs.
Thermohaliene circulatie
De oceaanstroming die ontstaat door variaties in dichtheid als gevolg van verschillen in temperatuur en zoutgehalte.
Temperatuurinversie
Een situatie waarbij het op grotere hoogte warmer is dan in het dal, vaak gepaard gaand met wolkenvorming beneden in het dal.
Dauwpunt
De temperatuur waarop waterdamp in de lucht condenseert tot vloeibaar water omdat de lucht verzadigd is.
Coalescentie
Het proces waarbij vallende regendruppels andere kleine druppels meenemen en zo groter worden.
Isobaren
Lijnen op een weerkaart die punten met een gelijke atmosferische druk verbinden.
Anticyclonen
Gebieden met hoge druk (meer dan 1013hPa) waar koude, zware lucht daalt, wat meestal leidt tot droog weer met weinig wolken.
Cyclonen (Depressies)
Gebieden met lage druk (minder dan 1013hPa) waar warme, lichte lucht stijgt en afkoelt, wat leidt tot condensatie en neerslag.
Corioliseffect
De afbuiging van bewegende lucht en water die ontstaat door de draaiing van de aarde.
Passaten
Dominante winden die ontstaan door het corioliseffect en richting de lagedrukgebieden waaien.
Front
De plaats waar twee luchtmassa's met een verschillende temperatuur elkaar ontmoeten.
Occlusiefront
Een front dat ontstaat wanneer een snel bewegend koufront een traag bewegend warmtefront inhaalt, wat vaak gepaard gaat met regen en onweer.