1/68
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Argumenteren
"The practice of justifying decisions under conditions of uncertainty" (Zarefsky, 1996) - De praktijk van het rechtvaardigen van beslissingen onder voorwaarden van onzekerheid.
Argumentatie
Een standpunt én de ondersteunende argumenten.
Betoog
Een samenhangend en gestructureerd geheel van argumentatie.
Proponent/Protagonist
De persoon die argumenteert; degene die een standpunt verdedigt.
Opponent/Antagonist
De persoon tot wie de argumentatie is gericht; degene die wordt overtuigd of tegenspreekt.
Pro-argumenten
Argumenten die de eigen stelling staven.
Contra-argumenten
Argumenten die de stelling van de tegenstander ondergraven.
Deugdelijkheid
Het beoordelingscriterium voor argumenteren; argumenteren met argumenten die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen (niet alleen formeel-logisch, maar ook inhoudelijk en contextueel verantwoord).
Ondeugdelijk argument
Een argument dat niet voldoet aan de kwaliteitseisen; kan nog steeds psychologisch overtuigend zijn, maar is niet logisch of inhoudelijk verantwoord.
Systeem 1-denken
Het automatische, snelle, verbandenleggende denken van het brein; nieuwe informatie wordt meteen deel van een coherent verhaal.
Systeem 2-denken
Het bewuste, analytische, trage denken dat nodig is om redeneerfouten te corrigeren en ondeugdelijke argumenten te doorprikken.
Bevestigingsbias
De neiging van mensen om nieuwe informatie zoveel mogelijk te verwerken op een manier die vasthoudt aan eigen ideeën.
Discursieve context
De context aangeleverd door de rest van het betoog ('discours'); de omringende tekst waarbinnen een argument staat.
Signaalwoorden
Woorden die argumentatieve verbanden aanduiden (dus, daarom, omdat, want, aangezien, …). Opgelet: niet elk argumentatief verband wordt door signaalwoorden aangeduid.
Situationele context
De context aangeleverd door de situatie waarin partijen zich bevinden; argumenteren is sociaal en praktisch, dus concrete omstandigheden zijn belangrijk.
Fysieke context
De materiële en ruimtelijke omstandigheden van interactie (fysieke plaats, lichaamstaal, afstand, machtsverschil, welwillendheid).
Cognitieve context
De mentale context waarbinnen argumenten worden ontvangen; wordt beïnvloed door framing.
Framing
De techniek om de cognitieve context zo in te richten dat die strookt met het argument dat je wilt maken (bv. "illegalen" vs. "gelukszoekers"). Framing is onvermijdelijk en niet (helemaal) in de handen van de disputanten.
Retorica / Retoriek
De kunst van het overtuigen: "Hoe overtuig ik mijn publiek zo doeltreffend mogelijk?" Omvat een inhoudelijke dimensie (wat je zegt) en een vormelijke dimensie (hoe je het zegt).
Logos
Eén van de drie overtuigingsmiddelen van Aristoteles: beroep op de redelijkheid van het publiek; verstandelijke argumentatie, logica, bewijzen.
Ethos
Eén van de drie overtuigingsmiddelen van Aristoteles: inspelen op de eigen geloofwaardigheid en karakter; de indruk geven "ik ben betrouwbaar, dus geloof mij".
Pathos
Eén van de drie overtuigingsmiddelen van Aristoteles: inspelen op de gevoelens van het publiek (persoonlijk verhaal, angst, medeleven, verontwaardiging).
Inventio
De eerste canon: inhoudelijke vindingrijkheid - de kunst om argumenten en methoden te vinden om te overtuigen. Het analyseren van het onderwerp en het vinden van overredingsmiddelen.
Dispositio
De tweede canon: opbouw van het betoog - de kunst om argumenten op een ordelijke en doeltreffende manier uiteen te zetten en te presenteren. Het ordenen van de gevonden argumenten in een gestructureerd betoog.
Elocutio
De derde canon: stijl en verwoording - de kunst om woorden te vinden die de inhoudelijke argumenten tot hun recht laten komen. Het formuleren van de tekst, zowel in geschreven als mondelinge vorm.
Memoria
De vierde canon: onthouden - de kunst om het betoog te onthouden (vroeger zonder nota's, nu met hulpmiddelen). Het memoriseren van de tekst.
Pronuntiatio
De vijfde canon: overbrengen van het betoog - de kunst om door middel van verbale en non-verbale communicatie (stem, lichaam) de boodschap kracht bij te zetten. Het voordragen van de tekst voor het publiek.
Exordium
De inleiding van een betoog; doel: aandacht trekken en publiek ontvankelijk, welwillend en aandachtig maken (via vergelijking, anekdote, sfeerschepping, tegenstelling, citaat, …).
Narratio
De uiteenzetting (overzicht) van de feiten; moet helder, bondig en aannemelijk zijn. Start vaak met een sprekende zin.
Propositio
De stelling; de eigenlijke stelling die verdedigd wordt; je geeft duidelijk aan wat je punt is (uitgebreide argumenten volgen later).
Partitio
De structuurschets; aankondigen hoe het betoog zal verlopen, aantal en samenhang tussen argumenten toelichten, helder en beknopt houden.
Argumentatio
Het inhoudelijk betoog; bestaat uit confirmatio (eigen stelling onderbouwen) en refutatio (tegenargumenten weerleggen).
Argumentatio-Confirmatio
Het onderdeel van de argumentatio waarin je argumenten aanvoert die de eigen stelling onderbouwen.
Argumentatio-Refutatio
Het onderdeel van de argumentatio waarin je argumenten aanvoert waarmee je tegenargumenten weerlegt.
Digressio
Een uitweiding; een kort onderdeel dat in langere betogen voor een adempauze zorgt (bv. anekdote of scherts).
Peroratio
Het slot van een betoog; een krachtig slot dat een beklijvende indruk nalaat, vaak met behulp van pathos, maar zonder overdrijving.
Hoofdargument / argument in hoofdorde
Het sterkste argument dat als eerste wordt aangevoerd. Indien dit wordt gevolgd, zijn de andere argumenten overbodig.
Subsidiaire argumenten / argumenten in ondergeschikte orde
Argumenten die in de plaats komen indien het hoofdargument niet wordt aanvaard. Men daalt af in rangorde volgens de belangen van de cliënt.
Argument in meest ondergeschikte orde
Het argument dat wordt aangevoerd indien ook het subsidiaire argument niet wordt aanvaard.
Ondersteunende argumenten (nevenschikking)
Argumenten die nevengeschikt zijn; alle argumenten samen zijn nodig. Indien een ondersteunend argument wordt weerlegd, is ook de stelling weerlegd.
Overvloedige argumenten
Meer argumenten dan nodig. Indien een overvloedig argument wordt weerlegd, staat de stelling nog overeind, zolang het noodzakelijke argument niet is weerlegd.
Alliteratie
Een stijlfiguur waarbij een reeks woorden begint met dezelfde beginletter (bv. "veilig, verantwoord, Vlaams beleid").
Anafoor
Een stijlfiguur waarbij dezelfde woordengroep wordt herhaald aan het begin van opeenvolgende zinnen (bv. "Alleen wij kunnen dat. Want alleen wij zijn groot genoeg…").
Retorische vraag
Een vraag die wordt gesteld, niet om werkelijk een antwoord te krijgen, maar om een punt te maken.
Typologische benadering
Een benadering van deugdelijk argumenteren die de belangrijkste soorten argumentatie in kaart wil brengen en helder wil onderverdelen.
Associatie
In de typologische benadering: het verbinden van argument met stelling ("onderbouwing").
Dissociatie
In de typologische benadering: de verbinding van argument en stelling uit elkaar halen; het verband tussen argument en stelling betwisten ("weerlegging").
Quasi-logische argumenten
Argumenten die lijken op logisch geldige redeneringen. "Quasi" omdat het argument niet alleen afhangt van de logische vorm, maar ook van de vraag of het vertrekpunt (de premissen) inhoudelijk aanvaardbaar is voor het publiek.
Argumenten gebaseerd op de structuur van de werkelijkheid
Argumenten die voortbouwen op verbanden die in de wereld bestaan, zoals opeenvolgingsverbanden en co-existentieverbanden.
Opeenvolgingsverbanden
Verbanden tussen verschijnselen en gevolgen; omvatten oorzaak-gevolg, doel-middel en beslissing op basis van gevolgen.
Co-existentieverbanden
Verbanden tussen een persoon/voorwerp en een eigenschap; omvatten persoon-deskundigheid, persoon-reputatie en persoon-inspanning/voorbereiding.
Argumenten die de structuur van de werkelijkheid bepalen
Argumenten die niet rechtstreeks voortbouwen op bestaande verbanden, maar helpen de structuur van de werkelijkheid zichtbaar/relevant te maken; omvatten metafoor en analogie.
Metafoor
Een beeld dat oplegt hoe de werkelijkheid moet worden begrepen (bv. "De staat is geen geldautomaat").
Analogie-redenering
Een redenering waarbij wat geldt voor situatie A, ook geldt voor situatie B die daarmee relevante gelijkenissen vertoont (bv. "Katten zijn niet toegelaten in de slagerij, want honden zijn verboden").
Praktische / substantiële benadering
De benadering van Stephen Toulmin die niet focust op de inferentiële functie, maar op de onderbouwende functie van argumenten in concrete context.
Inferentiële functie
De functie van een argument die vraagt of de conclusie uit de premissen volgt (theoretisch/formeel).
Onderbouwende / rechtvaardigende functie
De functie van een argument die vraagt in welke mate een argument een concrete stelling ondersteunt (praktisch/substantieel).
Claim
In Toulmins model: de stelling die verdedigd wordt.
Data
In Toulmins model: de feiten of gronden waarop de claim steunt.
Warrant
In Toulmins model: de rechtvaardiging die de stap van data naar claim mogelijk maakt (algemene regel, principe).
Backing
In Toulmins model: de ondersteuning voor de warrant; waarom is de warrant geldig? (optioneel).
Rebuttal
In Toulmins model: uitzonderingen of omstandigheden waarin de claim niet geldt (optioneel).
Qualifier
In Toulmins model: de modaliteit (kwalificatie) die aangeeft hoe sterk de claim is (bv. "waarschijnlijk", "vermoedelijk") (optioneel).
Normatieve benadering
Een benadering van deugdelijk argumenteren die een aantal regels ('normen') ontwikkelt waaraan argumenten moeten voldoen om aanvaardbaar te zijn.
Pragma-dialectische theorie
Een theorie die argumentatie beschouwt als een complexe taalhandeling met als specifiek communicatief doel het oplossen van een meningsverschil. Centraal in deze cursus.
Voorwaardelijke uitspraak (VU)
Een kernelement in vele redeneringen; een uitspraak van de vorm "als … dan …". In redenering is een VU een premisse met een vaste logische vorm; in argumentatie kan ze verschillende rollen spelen (standpunt onderbouwen, voorwaarden stellen, negatieve gevolgen toelichten, etc.).
Zeeffunctie van de argumentatieleer
De functie van de argumentatieleer om ondeugdelijke argumenten eruit te filteren; sommige argumenten vallen meteen af, sommige zijn niet ernstig te nemen, andere wel.
Modus ponens
Een geldige deductieve redeneervorm: Als P dan Q; P; dus Q.
Modus tollens
Een geldige deductieve redeneervorm: Als P dan Q; niet Q; dus niet P. (Voorbeeld: "Als geldig contract, dan toestemming; geen toestemming; dus geen geldig contract.")