JAL - HC 5 KERNBEGRIPPEN

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/68

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:28 PM on 8/20/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

69 Terms

1
New cards

Argumenteren

"The practice of justifying decisions under conditions of uncertainty" (Zarefsky, 1996) - De praktijk van het rechtvaardigen van beslissingen onder voorwaarden van onzekerheid.

2
New cards

Argumentatie

Een standpunt én de ondersteunende argumenten.

3
New cards

Betoog

Een samenhangend en gestructureerd geheel van argumentatie.

4
New cards

Proponent/Protagonist

De persoon die argumenteert; degene die een standpunt verdedigt.

5
New cards

Opponent/Antagonist

De persoon tot wie de argumentatie is gericht; degene die wordt overtuigd of tegenspreekt.

6
New cards

Pro-argumenten

Argumenten die de eigen stelling staven.

7
New cards

Contra-argumenten

Argumenten die de stelling van de tegenstander ondergraven.

8
New cards

Deugdelijkheid

Het beoordelingscriterium voor argumenteren; argumenteren met argumenten die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen (niet alleen formeel-logisch, maar ook inhoudelijk en contextueel verantwoord).

9
New cards

Ondeugdelijk argument

Een argument dat niet voldoet aan de kwaliteitseisen; kan nog steeds psychologisch overtuigend zijn, maar is niet logisch of inhoudelijk verantwoord.

10
New cards

Systeem 1-denken

Het automatische, snelle, verbandenleggende denken van het brein; nieuwe informatie wordt meteen deel van een coherent verhaal.

11
New cards

Systeem 2-denken

Het bewuste, analytische, trage denken dat nodig is om redeneerfouten te corrigeren en ondeugdelijke argumenten te doorprikken.

12
New cards

Bevestigingsbias

De neiging van mensen om nieuwe informatie zoveel mogelijk te verwerken op een manier die vasthoudt aan eigen ideeën.

13
New cards

Discursieve context

De context aangeleverd door de rest van het betoog ('discours'); de omringende tekst waarbinnen een argument staat.

14
New cards

Signaalwoorden

Woorden die argumentatieve verbanden aanduiden (dus, daarom, omdat, want, aangezien, …). Opgelet: niet elk argumentatief verband wordt door signaalwoorden aangeduid.

15
New cards

Situationele context

De context aangeleverd door de situatie waarin partijen zich bevinden; argumenteren is sociaal en praktisch, dus concrete omstandigheden zijn belangrijk.

16
New cards

Fysieke context

De materiële en ruimtelijke omstandigheden van interactie (fysieke plaats, lichaamstaal, afstand, machtsverschil, welwillendheid).

17
New cards

Cognitieve context

De mentale context waarbinnen argumenten worden ontvangen; wordt beïnvloed door framing.

18
New cards

Framing

De techniek om de cognitieve context zo in te richten dat die strookt met het argument dat je wilt maken (bv. "illegalen" vs. "gelukszoekers"). Framing is onvermijdelijk en niet (helemaal) in de handen van de disputanten.

19
New cards

Retorica / Retoriek

De kunst van het overtuigen: "Hoe overtuig ik mijn publiek zo doeltreffend mogelijk?" Omvat een inhoudelijke dimensie (wat je zegt) en een vormelijke dimensie (hoe je het zegt).

20
New cards

Logos

Eén van de drie overtuigingsmiddelen van Aristoteles: beroep op de redelijkheid van het publiek; verstandelijke argumentatie, logica, bewijzen.

21
New cards

Ethos

Eén van de drie overtuigingsmiddelen van Aristoteles: inspelen op de eigen geloofwaardigheid en karakter; de indruk geven "ik ben betrouwbaar, dus geloof mij".

22
New cards

Pathos

Eén van de drie overtuigingsmiddelen van Aristoteles: inspelen op de gevoelens van het publiek (persoonlijk verhaal, angst, medeleven, verontwaardiging).

23
New cards

Inventio

De eerste canon: inhoudelijke vindingrijkheid - de kunst om argumenten en methoden te vinden om te overtuigen. Het analyseren van het onderwerp en het vinden van overredingsmiddelen.

24
New cards

Dispositio

De tweede canon: opbouw van het betoog - de kunst om argumenten op een ordelijke en doeltreffende manier uiteen te zetten en te presenteren. Het ordenen van de gevonden argumenten in een gestructureerd betoog.

25
New cards

Elocutio

De derde canon: stijl en verwoording - de kunst om woorden te vinden die de inhoudelijke argumenten tot hun recht laten komen. Het formuleren van de tekst, zowel in geschreven als mondelinge vorm.

26
New cards

Memoria

De vierde canon: onthouden - de kunst om het betoog te onthouden (vroeger zonder nota's, nu met hulpmiddelen). Het memoriseren van de tekst.

27
New cards

Pronuntiatio

De vijfde canon: overbrengen van het betoog - de kunst om door middel van verbale en non-verbale communicatie (stem, lichaam) de boodschap kracht bij te zetten. Het voordragen van de tekst voor het publiek.

28
New cards

Exordium

De inleiding van een betoog; doel: aandacht trekken en publiek ontvankelijk, welwillend en aandachtig maken (via vergelijking, anekdote, sfeerschepping, tegenstelling, citaat, …).

29
New cards

Narratio

De uiteenzetting (overzicht) van de feiten; moet helder, bondig en aannemelijk zijn. Start vaak met een sprekende zin.

30
New cards

Propositio

De stelling; de eigenlijke stelling die verdedigd wordt; je geeft duidelijk aan wat je punt is (uitgebreide argumenten volgen later).

31
New cards

Partitio

De structuurschets; aankondigen hoe het betoog zal verlopen, aantal en samenhang tussen argumenten toelichten, helder en beknopt houden.

32
New cards

Argumentatio

Het inhoudelijk betoog; bestaat uit confirmatio (eigen stelling onderbouwen) en refutatio (tegenargumenten weerleggen).

33
New cards

Argumentatio-Confirmatio

Het onderdeel van de argumentatio waarin je argumenten aanvoert die de eigen stelling onderbouwen.

34
New cards

Argumentatio-Refutatio

Het onderdeel van de argumentatio waarin je argumenten aanvoert waarmee je tegenargumenten weerlegt.

35
New cards

Digressio

Een uitweiding; een kort onderdeel dat in langere betogen voor een adempauze zorgt (bv. anekdote of scherts).

36
New cards

Peroratio

Het slot van een betoog; een krachtig slot dat een beklijvende indruk nalaat, vaak met behulp van pathos, maar zonder overdrijving.

37
New cards

Hoofdargument / argument in hoofdorde

Het sterkste argument dat als eerste wordt aangevoerd. Indien dit wordt gevolgd, zijn de andere argumenten overbodig.

38
New cards

Subsidiaire argumenten / argumenten in ondergeschikte orde

Argumenten die in de plaats komen indien het hoofdargument niet wordt aanvaard. Men daalt af in rangorde volgens de belangen van de cliënt.

39
New cards

Argument in meest ondergeschikte orde

Het argument dat wordt aangevoerd indien ook het subsidiaire argument niet wordt aanvaard.

40
New cards

Ondersteunende argumenten (nevenschikking)

Argumenten die nevengeschikt zijn; alle argumenten samen zijn nodig. Indien een ondersteunend argument wordt weerlegd, is ook de stelling weerlegd.

41
New cards

Overvloedige argumenten

Meer argumenten dan nodig. Indien een overvloedig argument wordt weerlegd, staat de stelling nog overeind, zolang het noodzakelijke argument niet is weerlegd.

42
New cards

Alliteratie

Een stijlfiguur waarbij een reeks woorden begint met dezelfde beginletter (bv. "veilig, verantwoord, Vlaams beleid").

43
New cards

Anafoor

Een stijlfiguur waarbij dezelfde woordengroep wordt herhaald aan het begin van opeenvolgende zinnen (bv. "Alleen wij kunnen dat. Want alleen wij zijn groot genoeg…").

44
New cards

Retorische vraag

Een vraag die wordt gesteld, niet om werkelijk een antwoord te krijgen, maar om een punt te maken.

45
New cards

Typologische benadering

Een benadering van deugdelijk argumenteren die de belangrijkste soorten argumentatie in kaart wil brengen en helder wil onderverdelen.

46
New cards

Associatie

In de typologische benadering: het verbinden van argument met stelling ("onderbouwing").

47
New cards

Dissociatie

In de typologische benadering: de verbinding van argument en stelling uit elkaar halen; het verband tussen argument en stelling betwisten ("weerlegging").

48
New cards

Quasi-logische argumenten

Argumenten die lijken op logisch geldige redeneringen. "Quasi" omdat het argument niet alleen afhangt van de logische vorm, maar ook van de vraag of het vertrekpunt (de premissen) inhoudelijk aanvaardbaar is voor het publiek.

49
New cards

Argumenten gebaseerd op de structuur van de werkelijkheid

Argumenten die voortbouwen op verbanden die in de wereld bestaan, zoals opeenvolgingsverbanden en co-existentieverbanden.

50
New cards

Opeenvolgingsverbanden

Verbanden tussen verschijnselen en gevolgen; omvatten oorzaak-gevolg, doel-middel en beslissing op basis van gevolgen.

51
New cards

Co-existentieverbanden

Verbanden tussen een persoon/voorwerp en een eigenschap; omvatten persoon-deskundigheid, persoon-reputatie en persoon-inspanning/voorbereiding.

52
New cards

Argumenten die de structuur van de werkelijkheid bepalen

Argumenten die niet rechtstreeks voortbouwen op bestaande verbanden, maar helpen de structuur van de werkelijkheid zichtbaar/relevant te maken; omvatten metafoor en analogie.

53
New cards

Metafoor

Een beeld dat oplegt hoe de werkelijkheid moet worden begrepen (bv. "De staat is geen geldautomaat").

54
New cards

Analogie-redenering

Een redenering waarbij wat geldt voor situatie A, ook geldt voor situatie B die daarmee relevante gelijkenissen vertoont (bv. "Katten zijn niet toegelaten in de slagerij, want honden zijn verboden").

55
New cards

Praktische / substantiële benadering

De benadering van Stephen Toulmin die niet focust op de inferentiële functie, maar op de onderbouwende functie van argumenten in concrete context.

56
New cards

Inferentiële functie

De functie van een argument die vraagt of de conclusie uit de premissen volgt (theoretisch/formeel).

57
New cards

Onderbouwende / rechtvaardigende functie

De functie van een argument die vraagt in welke mate een argument een concrete stelling ondersteunt (praktisch/substantieel).

58
New cards

Claim

In Toulmins model: de stelling die verdedigd wordt.

59
New cards

Data

In Toulmins model: de feiten of gronden waarop de claim steunt.

60
New cards

Warrant

In Toulmins model: de rechtvaardiging die de stap van data naar claim mogelijk maakt (algemene regel, principe).

61
New cards

Backing

In Toulmins model: de ondersteuning voor de warrant; waarom is de warrant geldig? (optioneel).

62
New cards

Rebuttal

In Toulmins model: uitzonderingen of omstandigheden waarin de claim niet geldt (optioneel).

63
New cards

Qualifier

In Toulmins model: de modaliteit (kwalificatie) die aangeeft hoe sterk de claim is (bv. "waarschijnlijk", "vermoedelijk") (optioneel).

64
New cards

Normatieve benadering

Een benadering van deugdelijk argumenteren die een aantal regels ('normen') ontwikkelt waaraan argumenten moeten voldoen om aanvaardbaar te zijn.

65
New cards

Pragma-dialectische theorie

Een theorie die argumentatie beschouwt als een complexe taalhandeling met als specifiek communicatief doel het oplossen van een meningsverschil. Centraal in deze cursus.

66
New cards

Voorwaardelijke uitspraak (VU)

Een kernelement in vele redeneringen; een uitspraak van de vorm "als … dan …". In redenering is een VU een premisse met een vaste logische vorm; in argumentatie kan ze verschillende rollen spelen (standpunt onderbouwen, voorwaarden stellen, negatieve gevolgen toelichten, etc.).

67
New cards

Zeeffunctie van de argumentatieleer

De functie van de argumentatieleer om ondeugdelijke argumenten eruit te filteren; sommige argumenten vallen meteen af, sommige zijn niet ernstig te nemen, andere wel.

68
New cards

Modus ponens

Een geldige deductieve redeneervorm: Als P dan Q; P; dus Q.

69
New cards

Modus tollens

Een geldige deductieve redeneervorm: Als P dan Q; niet Q; dus niet P. (Voorbeeld: "Als geldig contract, dan toestemming; geen toestemming; dus geen geldig contract.")