1/128
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
to look at
bekijken
to know
weten
to think
denken
to buy
kopen
to decorate
aankleden
to repeat
herhalen
burn
verbranden
to rub in (=frotter)
insmeren
to wash up
afwassen
take a boat (the verb sail)
varen
to call
opbellen
by the sea
aan zee
cold
koud
around
rond
see you tonight
tot vanavond
last week
vorige week
last year
vorig jaar
a week ago
een week geleden
last tuesday
afgelopen dinsdag
ago (week)
geleden
church
kerk
beach
strand
ice scream
ijsje
sunscreen
zonnebrandcrème
beautiful
mooi
a lot
veel
fun
lol
at home
thuis
airplane
vliegtuig
great
geweldig
flight
vlucht
swimming pool
zwembad
passport
paspoort
accomodation
logies
sunbathing
zonnen
boat
boot
suitcase
koffer
alone
alleen
per night
per nacht
yesterday night
gisteravond
a year ago
een jaar geleden
on the weekend
in het weekend
this morning
vanmorgen
this morning
vanmorgen
What is the longest time ago ?
Wat is het langst geleden ?
Great !
Wat leuk !
When did you get back ?
Wanneer ben je teruggekomen ?
That was necessary
Dat was wel nodig
What time shall we meet ?
Hoe laat zullen we afspreken ?
We went shopping
We hebben gewinkeld
I visited a museum
Ik heb een museum bezocht
I would like to book a trip
Ik wil graag een reis boeken
Does it include breakfast ?
Is dat met ontbijt ?
When do I have to check out ?
Wanneer moet ik uitchecken ?
Is the room available yet ?
Is de kamer al vrij ?
What time does the flight depart ?
Hoe laat vertrekt de vlucht ?
Is it far from the beach ?
Is het ver van het strand ?
What did you do yesterday ?
Wat heb je gisteren gedaan ?
Where is Marina been ?
Waar is Marina geweest ?
How long does Marina been away ?
Hoe lang is Marina weg geweest ?
What did Marina do there ?
Wat heeft Marina daar gedaan ?
I haven’t seen you in a long time
Ik heb je lang niet gezien
I went to Portugal for a week
Ik ben een weekje naar Portugal gegaan
I went for lovely walks
Ik heb heerlijk gewandeld
I went cycling with friends
Ik heb met vrienden gefietst
I tidied up my house
Ik heb mijn huis opgeruimd
I visited my family
Ik heb mijn familie bezocht
Did you visit your family ?
Heb je je familie bezocht ?
Perfectum : ontmoeten
Ik heb ontmoet
Perfectum : erkennen
Ik heb erkend
Perfectum : herhalen
Ik heb herhaald
Perfectum : verhuizen
Ik ben verhuisd
Perfectum : beloven
Ik heb beloofd
Perfectum : geloven
Ik heb geloofd
Perfectum : gaan
Ik ben gegaan
Perfectum : komen
Ik ben gekomen
Perfectum : doen
Ik heb gedaan
Perfectum : zijn
Ik ben geweest
Perfectum : eten
Ik heb gegeten
Perfectum : hebben
Ik heb gehad
Perfectum : bezoeken
Ik heb bezocht
Perfectum : drinken
Ik heb gedronken
Perfectum : kopen
Ik heb gekocht
Perfectum : lezen
Ik heb gelezen
Perfectum : nemen
Ik heb genomen
Perfectum : slapen
Ik heb geslapen
Perfectum : zien
Ik heb gezien
Perfectum : zwemmen
Ik heb gezwommen
Ze heeft heerlijk ?? (koken)
gekookt
We hebben met de hond ?? (wandelen)
gewandeld
Ik heb naar muziek ?? (luisteren)
geluisterd
Hij heeft de knop ?? (indrukken)
ingedrukt
Onze kat heeft niet lang ?? (leven)
geleefd
We hebben twee uur met elkaar ?? (bellen)
gebeld
Hij heeft vroeger gitaar ?? (spelen)
gespeeld
We hebben onze boeken ?? (pakken)
gepakt
Ik ben op vantie naar Spanje ... (zijn)
geweest
Mijn vader is op bezoek ... (komen)
gekomen
Ze zijn met de trein naar Maastricht ... (gaan)
gegaan
Ze heeft haar vrienden ... (bezoeken)
bezocht