Biologie Examen: Stof- en Energieomzettingen, Celcyclus en Immunologie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een uitgebreide set van 100 flashcards over biologie thema 2, 3 en 4, gebaseerd op de opgegeven college-notities.

Last updated 9:03 AM on 6/8/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards

Metabolisme

De stofwisseling; het geheel van alle chemische processen in een organisme.

2
New cards

Celmetabolisme

Het geheel van alle stofwisselingsreacties die plaatsvinden binnen een cel.

3
New cards

Stofwisselingsreacties

Stof- en energieomzettingen in de cel waarvoor enzymen nodig zijn.

4
New cards

Anabolisme

Het geheel van stofwisselingsreacties die leiden tot opbouw of biosynthese, waarvoor netto energie nodig is.

5
New cards

Endergone reactie

Een chemische reactie waarbij netto energie moet worden toegevoegd.

6
New cards

Katabolisme

Het geheel van stofwisselingsreacties die leiden tot afbraak, waarbij netto energie vrijkomt.

7
New cards

Exergone reactie

Een chemische reactie waarbij netto energie vrijkomt.

8
New cards

Metabole routes

Een reeks van enzymgekatalyseerde reacties binnen een cel die specifieke moleculen oplevert.

9
New cards

Enzymdefici'entie

Een toestand waarbij een enzym ontbreekt of niet goed werkt, zoals bij fenylketonurie.

10
New cards

ATP

Adenosinetrifosfaat; de universele energiedrager in de cel die energie levert door hydrolyse.

11
New cards

ADP

Adenosinedifosfaat; de molecule die ontstaat wanneer ATP een fosfaatgroep verliest.

12
New cards

NAD, NADP en FAD

Elektronendragers die vaak fungeren als co-enzymen bij oxidatie-reductiereacties.

13
New cards

Geoxideerde vorm

De vorm van een elektronendrager die een elektron heeft afgegeven, zoals NAD+NAD^+.

14
New cards

Gereduceerde vorm

De vorm van een elektronendrager die een elektron heeft opgenomen, zoals NADHNADH.

15
New cards

Autotroof

Organismen die koolstofdioxide (CO2CO_2) als koolstofbron gebruiken om organische moleculen te maken.

16
New cards

Heterotroof

Organismen die organische moleculen moeten opnemen als koolstofbron.

17
New cards

Fotoautotroof

Organismen die zonlicht als energiebron gebruiken, zoals planten en cyanobacteri'en.

18
New cards

Chemoautotroof

Organismen die energie winnen uit de oxidatie van anorganische moleculen, zoals zwavelbacteri'en.

19
New cards

Fotoheterotroof

Organismen die zonlicht als energiebron gebruiken maar organische moleculen als koolstofbron nodig hebben.

20
New cards

Chemoheterotroof

Organismen die energie halen uit de oxidatie van organische moleculen, zoals dieren en de meeste schimmels.

21
New cards

Fotosynthese

Het proces waarbij groene planten, algen en bacteri'en organische moleculen opbouwen met behulp van lichtenergie.

22
New cards

Pigmenten

Moleculen zoals chlorofyl en caroteno'iden die licht kunnen absorberen.

23
New cards

Chlorofyl a en b

Groene pigmenten die vooral rood en blauw licht absorberen voor de fotosynthese.

24
New cards

Caroteno'iden

Pigmenten zoals β\beta-caroteen en lute'ine die aanwezig zijn in bladeren.

25
New cards

Absorptiespectrum

Een grafische weergave die aangeeft in welke mate een pigment verschillende golflengtes van licht absorbeert.

26
New cards

Porfyrine-ring

De basisstructuur die zowel in hemoglobine (met ijzer) als in chlorofyl (met magnesium) voorkomt.

27
New cards

Thylako'iden

Membraangebonden compartimenten in chloroplasten waar de lichtreacties plaatsvinden.

28
New cards

Lichtreacties

De eerste fase van fotosynthese waarbij lichtenergie wordt omgezet in chemische energie (ATP en NADPH).

29
New cards

Calvincyclus

De tweede fase van fotosynthese in het stroma waarbij CO2CO_2 wordt omgezet in suikers met hulp van ATP en NADPH.

30
New cards

Fotolyse van water

Het splitsen van watermoleculen door lichtenergie, waarbij elektronen, protonen en zuurstofgas vrijkomen.

31
New cards

Protonpomp

Een eiwitcomplex in de thylako'idmembraan dat protonen van het stroma naar het lumen pompt.

32
New cards

NADP-reductase

Het enzym dat zorgt voor de vorming van NADPHNADPH door elektronen aan NADP+NADP^+ te geven.

33
New cards

ATP-synthase

Een eiwit dat de energie van een protonengradi'ent gebruikt om ATP te maken uit ADP en fosfaat.

34
New cards

Koolstoffixatie

Het proces waarbij CO2CO_2 uit de lucht wordt vastgelegd door het enzym rubisco.

35
New cards

Rubisco

Het enzym dat verantwoordelijk is voor de binding van CO2CO_2 aan een C5C_5-molecule in de Calvincyclus.

36
New cards

Chemosynthese

Het opbouwen van organische stoffen door bacteri'en met energie uit de oxidatie van anorganische stoffen.

37
New cards

Celademhaling

Het proces waarbij organische moleculen worden afgebroken voor de winning van bouwstoffen en ATP.

38
New cards

Glycolyse

De universele metabole route waarbij glucose in het cytoplasma wordt afgebroken tot twee moleculen pyruvaat.

39
New cards

Pyruvaat

De molecule met drie koolstofatomen (C3C_3) die het eindproduct is van de glycolyse.

40
New cards

Aerobe celademhaling

De afbraak van pyruvaat in aanwezigheid van zuurstofgas, plaatsvindend in de mitochondri'en.

41
New cards

Decarboxylering van pyruvaat

De omzetting van pyruvaat naar acetyl-CoA waarbij CO2CO_2 en NADHNADH vrijkomen.

42
New cards

Krebscyclus

Een reeks reacties in de matrix van de mitochondrie waarbij acetyl-CoA volledig wordt afgebroken tot CO2CO_2.

43
New cards

Elektronentransportketen

Reeks eiwitten op het binnenmembraan van de mitochondrie die elektronen van NADHNADH en FADH2FADH_2 doorgeven om ATP te vormen.

44
New cards

Fermentatie

Anaerobe afbraak van organische moleculen waarbij melkzuur of ethanol vrijkomt.

45
New cards

Melkzuurgisting

Afbraak van glucose tot melkzuur in afwezigheid van zuurstof, bijvoorbeeld bij melkzuurbacteri'en.

46
New cards

Alcoholische gisting

Afbraak van glucose tot ethanol en CO2CO_2 in afwezigheid van zuurstof, vaak uitgevoerd door gistcellen.

47
New cards

Lipidenafbraak

De afbraak van vetten tot glycerol en vetzuren voor energiewinning.

48
New cards

Dubbele-helix-structuur

De ruimtelijke vorm van DNA waarbij twee nucleotideketens om elkaar heen draaien.

49
New cards

Gen

Een DNA-fragment dat de genetische code bevat voor de aanmaak van een specifiek eiwit.

50
New cards

Gen-expressie

Het proces waarbij DNA wordt overgeschreven naar mRNA en wordt vertaald naar een eiwit.

51
New cards

Transcriptie

Het overschrijven van de genetische code van DNA naar mRNA in de 535' \rightarrow 3' richting.

52
New cards

Transcriptiefactoren

Eiwitten die binden in de groeven van het DNA en een rol spelen bij de transcriptie.

53
New cards

Chromatine

Het complex van DNA en eiwitten (histonen) in de celkern van eukaryoten.

54
New cards

Histonen

Eiwitten waarrond het DNA zich wikkelt om een compacte structuur te vormen.

55
New cards

Nucleosoom

De kleinste eenheid van chromatine, bestaande uit een histon-octameer en het eromheen gewonden DNA.

56
New cards

Euchromatine

Minder compact DNA dat toegankelijk is voor decodering en dus actief is.

57
New cards

Heterochromatine

Sterk gecondenseerd, compact DNA dat meestal inactief is en moeilijk bereikbaar voor decodering.

58
New cards

Zusterchromatiden

Twee identieke kopie'en van een chromosoom die na de DNA-replicatie aan elkaar vastzitten.

59
New cards

Centromeer

Het punt waar twee zusterchromatiden aan elkaar verbonden zijn.

60
New cards

Kinetochoor

Een eiwitcomplex op het centromeer waaraan microtubuli binden tijdens de celdeling.

61
New cards

Karyogram

Een foto van de chromosomen van een cel, gerangschikt in paren op basis van grootte en vorm.

62
New cards

Autosomen

De lichaamschromosomen die niet direct het geslacht van een individu bepalen.

63
New cards

Heterosomen

De geslachtschromosomen; bij de mens het X- en Y-chromosoom.

64
New cards

Diplo'ide cel

Een cel met twee exemplaren van elk chromosoom, genoteerd als 2N2N.

65
New cards

Haplo'ide cel

Een cel met slechts 'e'en exemplaar van elk chromosoom, genoteerd als NN, zoals in gameten.

66
New cards

Homologe chromosomen

Chromosomen die even groot zijn, er gelijkaardig uitzien en dezelfde genen bevatten.

67
New cards

S-fase

De synthesefase van de celcyclus waarin de DNA-replicatie plaatsvindt.

68
New cards

DNA-topoisomerase

Een enzym dat de spanning in de DNA-helix vermindert tijdens het ontwinden.

69
New cards

DNA-helicase

Het enzym dat de waterstofbruggen tussen de basen van het DNA verbreekt om de strengen te scheiden.

70
New cards

Replicatielus

De opening in het DNA-molecule die ontstaat door de werking van DNA-helicase waar replicatie plaatsvindt.

71
New cards

SSBP's

Single strand binding proteins; eiwitten die verhinderen dat enkelstrengig DNA lussen vormt.

72
New cards

DNA-polymerasen

Enzymen die nieuwe nucleotiden toevoegen aan een bestaande DNA-streng in de 535' \rightarrow 3' richting.

73
New cards

Primer

Een kort stukje RNA dat fungeert als startpunt voor het DNA-polymerase bij de replicatie.

74
New cards

Leading strand

De DNA-streng die continu en zonder onderbreking in de 535' \rightarrow 3' richting wordt opgebouwd.

75
New cards

Lagging strand

De DNA-streng die discontinu wordt opgebouwd in kleine fragmenten telkens wanneer de replicatievork verder opent.

76
New cards

Okazaki-fragmenten

Korte stukjes DNA op de trage streng, bestaande uit een RNA-primer en een stukje DNA.

77
New cards

DNA-ligase

Het enzym dat de Okazaki-fragmenten aan elkaar plakt om een doorlopende streng te vormen.

78
New cards

Semiconservatief

Het principe waarbij de nieuwe DNA-moleculen na replicatie bestaan uit 'e'en moederstreng en 'e'en nieuwe dochterstreng.

79
New cards

Telomeren

De uiteinden van chromosomen met de repetitieve sequentie TTAGGGTTAGGG die verlies van genetische informatie voorkomen.

80
New cards

Chromosoom

Een structuur van compact opgevouwen chromatine die zichtbaar wordt aan het begin van de celdeling.

81
New cards

Interfase

De periode van de celcyclus bestaande uit de fasen G1G_1, S en G2G_2 waarin de cel groeit en DNA dupliceert.

82
New cards

Mitose

Het proces van celkerndeling waarbij twee genetisch identieke dochtercellen ontstaan.

83
New cards

Meiose

Het proces van celdeling waarbij vier haplo'ide gameten worden gevormd voor geslachtelijke voortplanting.

84
New cards

Cytokinese

De verdeling van het cytoplasma over de twee dochtercellen aan het einde van de celdeling.

85
New cards

G0-fase

De rustfase buiten de actieve celcyclus waarin cellen zich bevinden die zich niet delen.

86
New cards

Crossing-over

De uitwisseling van DNA-fragmenten tussen homologe chromosomen tijdens de profase I van de meiose.

87
New cards

Ongecontroleerde celdeling

Het proces waarbij cellen blijven delen zonder controle, wat kan leiden tot een gezwel of tumor.

88
New cards

Celdifferentiatie

Het proces waarbij cellen zich specialiseren in vorm en functie door de expressie van specifieke genen.

89
New cards

Stamcellen

Niet-gespecialiseerde cellen die het vermogen hebben om te differenti'eren tot verschillende weefseltypes.

90
New cards

Meristeemcellen

Niet-gedifferentieerde cellen bij planten die verantwoordelijk zijn voor groei.

91
New cards

Antigenen

Lichaamsvreemde moleculen of delen daarvan die een immuunreactie in het lichaam opwekken.

92
New cards

Niet-specifieke immuniteit

De aangeboren afweer die zonder onderscheid tegen alle indringers reageert.

93
New cards

Specifieke immuniteit

De verworven afweer die indringers specifiek herkent en een geheugen opbouwt.

94
New cards

MHC-I-eiwitten

Eiwitten op de buitenkant van het celmembraan die fragmenten van eiwitten uit de cel tonen aan het immuunsysteem.

95
New cards

Fagocytose

Het proces waarbij immuuncellen zoals macrofagen ziekteverwekkers omsluiten en verteren.

96
New cards

NK-cellen

'Natural killer'-cellen die geïnfecteerde cellen of kankercellen detecteren en doden door hun gebrek aan MHC-I te herkennen.

97
New cards

T-helperlymfocyten

Witte bloedcellen die de immuunreactie co'ordineert door cytokines te produceren.

98
New cards

Antilichaam

Een Y-vormig eiwit geproduceerd door plasmacellen dat specifiek bindt aan een antigeen.

99
New cards

Actieve immunisatie

Immuniteit opgebouwd door blootstelling aan antigenen, hetzij door infectie, hetzij door vaccinatie.

100
New cards

Passieve immunisatie

Het verkrijgen van immuniteit door het toedienen van kant-en-klare antilichamen, zoals via de placenta of serums.