1/99
Een uitgebreide set van 100 flashcards over biologie thema 2, 3 en 4, gebaseerd op de opgegeven college-notities.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Metabolisme
De stofwisseling; het geheel van alle chemische processen in een organisme.
Celmetabolisme
Het geheel van alle stofwisselingsreacties die plaatsvinden binnen een cel.
Stofwisselingsreacties
Stof- en energieomzettingen in de cel waarvoor enzymen nodig zijn.
Anabolisme
Het geheel van stofwisselingsreacties die leiden tot opbouw of biosynthese, waarvoor netto energie nodig is.
Endergone reactie
Een chemische reactie waarbij netto energie moet worden toegevoegd.
Katabolisme
Het geheel van stofwisselingsreacties die leiden tot afbraak, waarbij netto energie vrijkomt.
Exergone reactie
Een chemische reactie waarbij netto energie vrijkomt.
Metabole routes
Een reeks van enzymgekatalyseerde reacties binnen een cel die specifieke moleculen oplevert.
Enzymdefici'entie
Een toestand waarbij een enzym ontbreekt of niet goed werkt, zoals bij fenylketonurie.
ATP
Adenosinetrifosfaat; de universele energiedrager in de cel die energie levert door hydrolyse.
ADP
Adenosinedifosfaat; de molecule die ontstaat wanneer ATP een fosfaatgroep verliest.
NAD, NADP en FAD
Elektronendragers die vaak fungeren als co-enzymen bij oxidatie-reductiereacties.
Geoxideerde vorm
De vorm van een elektronendrager die een elektron heeft afgegeven, zoals NAD+.
Gereduceerde vorm
De vorm van een elektronendrager die een elektron heeft opgenomen, zoals NADH.
Autotroof
Organismen die koolstofdioxide (CO2) als koolstofbron gebruiken om organische moleculen te maken.
Heterotroof
Organismen die organische moleculen moeten opnemen als koolstofbron.
Fotoautotroof
Organismen die zonlicht als energiebron gebruiken, zoals planten en cyanobacteri'en.
Chemoautotroof
Organismen die energie winnen uit de oxidatie van anorganische moleculen, zoals zwavelbacteri'en.
Fotoheterotroof
Organismen die zonlicht als energiebron gebruiken maar organische moleculen als koolstofbron nodig hebben.
Chemoheterotroof
Organismen die energie halen uit de oxidatie van organische moleculen, zoals dieren en de meeste schimmels.
Fotosynthese
Het proces waarbij groene planten, algen en bacteri'en organische moleculen opbouwen met behulp van lichtenergie.
Pigmenten
Moleculen zoals chlorofyl en caroteno'iden die licht kunnen absorberen.
Chlorofyl a en b
Groene pigmenten die vooral rood en blauw licht absorberen voor de fotosynthese.
Caroteno'iden
Pigmenten zoals β-caroteen en lute'ine die aanwezig zijn in bladeren.
Absorptiespectrum
Een grafische weergave die aangeeft in welke mate een pigment verschillende golflengtes van licht absorbeert.
Porfyrine-ring
De basisstructuur die zowel in hemoglobine (met ijzer) als in chlorofyl (met magnesium) voorkomt.
Thylako'iden
Membraangebonden compartimenten in chloroplasten waar de lichtreacties plaatsvinden.
Lichtreacties
De eerste fase van fotosynthese waarbij lichtenergie wordt omgezet in chemische energie (ATP en NADPH).
Calvincyclus
De tweede fase van fotosynthese in het stroma waarbij CO2 wordt omgezet in suikers met hulp van ATP en NADPH.
Fotolyse van water
Het splitsen van watermoleculen door lichtenergie, waarbij elektronen, protonen en zuurstofgas vrijkomen.
Protonpomp
Een eiwitcomplex in de thylako'idmembraan dat protonen van het stroma naar het lumen pompt.
NADP-reductase
Het enzym dat zorgt voor de vorming van NADPH door elektronen aan NADP+ te geven.
ATP-synthase
Een eiwit dat de energie van een protonengradi'ent gebruikt om ATP te maken uit ADP en fosfaat.
Koolstoffixatie
Het proces waarbij CO2 uit de lucht wordt vastgelegd door het enzym rubisco.
Rubisco
Het enzym dat verantwoordelijk is voor de binding van CO2 aan een C5-molecule in de Calvincyclus.
Chemosynthese
Het opbouwen van organische stoffen door bacteri'en met energie uit de oxidatie van anorganische stoffen.
Celademhaling
Het proces waarbij organische moleculen worden afgebroken voor de winning van bouwstoffen en ATP.
Glycolyse
De universele metabole route waarbij glucose in het cytoplasma wordt afgebroken tot twee moleculen pyruvaat.
Pyruvaat
De molecule met drie koolstofatomen (C3) die het eindproduct is van de glycolyse.
Aerobe celademhaling
De afbraak van pyruvaat in aanwezigheid van zuurstofgas, plaatsvindend in de mitochondri'en.
Decarboxylering van pyruvaat
De omzetting van pyruvaat naar acetyl-CoA waarbij CO2 en NADH vrijkomen.
Krebscyclus
Een reeks reacties in de matrix van de mitochondrie waarbij acetyl-CoA volledig wordt afgebroken tot CO2.
Elektronentransportketen
Reeks eiwitten op het binnenmembraan van de mitochondrie die elektronen van NADH en FADH2 doorgeven om ATP te vormen.
Fermentatie
Anaerobe afbraak van organische moleculen waarbij melkzuur of ethanol vrijkomt.
Melkzuurgisting
Afbraak van glucose tot melkzuur in afwezigheid van zuurstof, bijvoorbeeld bij melkzuurbacteri'en.
Alcoholische gisting
Afbraak van glucose tot ethanol en CO2 in afwezigheid van zuurstof, vaak uitgevoerd door gistcellen.
Lipidenafbraak
De afbraak van vetten tot glycerol en vetzuren voor energiewinning.
Dubbele-helix-structuur
De ruimtelijke vorm van DNA waarbij twee nucleotideketens om elkaar heen draaien.
Gen
Een DNA-fragment dat de genetische code bevat voor de aanmaak van een specifiek eiwit.
Gen-expressie
Het proces waarbij DNA wordt overgeschreven naar mRNA en wordt vertaald naar een eiwit.
Transcriptie
Het overschrijven van de genetische code van DNA naar mRNA in de 5′→3′ richting.
Transcriptiefactoren
Eiwitten die binden in de groeven van het DNA en een rol spelen bij de transcriptie.
Chromatine
Het complex van DNA en eiwitten (histonen) in de celkern van eukaryoten.
Histonen
Eiwitten waarrond het DNA zich wikkelt om een compacte structuur te vormen.
Nucleosoom
De kleinste eenheid van chromatine, bestaande uit een histon-octameer en het eromheen gewonden DNA.
Euchromatine
Minder compact DNA dat toegankelijk is voor decodering en dus actief is.
Heterochromatine
Sterk gecondenseerd, compact DNA dat meestal inactief is en moeilijk bereikbaar voor decodering.
Zusterchromatiden
Twee identieke kopie'en van een chromosoom die na de DNA-replicatie aan elkaar vastzitten.
Centromeer
Het punt waar twee zusterchromatiden aan elkaar verbonden zijn.
Kinetochoor
Een eiwitcomplex op het centromeer waaraan microtubuli binden tijdens de celdeling.
Karyogram
Een foto van de chromosomen van een cel, gerangschikt in paren op basis van grootte en vorm.
Autosomen
De lichaamschromosomen die niet direct het geslacht van een individu bepalen.
Heterosomen
De geslachtschromosomen; bij de mens het X- en Y-chromosoom.
Diplo'ide cel
Een cel met twee exemplaren van elk chromosoom, genoteerd als 2N.
Haplo'ide cel
Een cel met slechts 'e'en exemplaar van elk chromosoom, genoteerd als N, zoals in gameten.
Homologe chromosomen
Chromosomen die even groot zijn, er gelijkaardig uitzien en dezelfde genen bevatten.
S-fase
De synthesefase van de celcyclus waarin de DNA-replicatie plaatsvindt.
DNA-topoisomerase
Een enzym dat de spanning in de DNA-helix vermindert tijdens het ontwinden.
DNA-helicase
Het enzym dat de waterstofbruggen tussen de basen van het DNA verbreekt om de strengen te scheiden.
Replicatielus
De opening in het DNA-molecule die ontstaat door de werking van DNA-helicase waar replicatie plaatsvindt.
SSBP's
Single strand binding proteins; eiwitten die verhinderen dat enkelstrengig DNA lussen vormt.
DNA-polymerasen
Enzymen die nieuwe nucleotiden toevoegen aan een bestaande DNA-streng in de 5′→3′ richting.
Primer
Een kort stukje RNA dat fungeert als startpunt voor het DNA-polymerase bij de replicatie.
Leading strand
De DNA-streng die continu en zonder onderbreking in de 5′→3′ richting wordt opgebouwd.
Lagging strand
De DNA-streng die discontinu wordt opgebouwd in kleine fragmenten telkens wanneer de replicatievork verder opent.
Okazaki-fragmenten
Korte stukjes DNA op de trage streng, bestaande uit een RNA-primer en een stukje DNA.
DNA-ligase
Het enzym dat de Okazaki-fragmenten aan elkaar plakt om een doorlopende streng te vormen.
Semiconservatief
Het principe waarbij de nieuwe DNA-moleculen na replicatie bestaan uit 'e'en moederstreng en 'e'en nieuwe dochterstreng.
Telomeren
De uiteinden van chromosomen met de repetitieve sequentie TTAGGG die verlies van genetische informatie voorkomen.
Chromosoom
Een structuur van compact opgevouwen chromatine die zichtbaar wordt aan het begin van de celdeling.
Interfase
De periode van de celcyclus bestaande uit de fasen G1, S en G2 waarin de cel groeit en DNA dupliceert.
Mitose
Het proces van celkerndeling waarbij twee genetisch identieke dochtercellen ontstaan.
Meiose
Het proces van celdeling waarbij vier haplo'ide gameten worden gevormd voor geslachtelijke voortplanting.
Cytokinese
De verdeling van het cytoplasma over de twee dochtercellen aan het einde van de celdeling.
G0-fase
De rustfase buiten de actieve celcyclus waarin cellen zich bevinden die zich niet delen.
Crossing-over
De uitwisseling van DNA-fragmenten tussen homologe chromosomen tijdens de profase I van de meiose.
Ongecontroleerde celdeling
Het proces waarbij cellen blijven delen zonder controle, wat kan leiden tot een gezwel of tumor.
Celdifferentiatie
Het proces waarbij cellen zich specialiseren in vorm en functie door de expressie van specifieke genen.
Stamcellen
Niet-gespecialiseerde cellen die het vermogen hebben om te differenti'eren tot verschillende weefseltypes.
Meristeemcellen
Niet-gedifferentieerde cellen bij planten die verantwoordelijk zijn voor groei.
Antigenen
Lichaamsvreemde moleculen of delen daarvan die een immuunreactie in het lichaam opwekken.
Niet-specifieke immuniteit
De aangeboren afweer die zonder onderscheid tegen alle indringers reageert.
Specifieke immuniteit
De verworven afweer die indringers specifiek herkent en een geheugen opbouwt.
MHC-I-eiwitten
Eiwitten op de buitenkant van het celmembraan die fragmenten van eiwitten uit de cel tonen aan het immuunsysteem.
Fagocytose
Het proces waarbij immuuncellen zoals macrofagen ziekteverwekkers omsluiten en verteren.
NK-cellen
'Natural killer'-cellen die geïnfecteerde cellen of kankercellen detecteren en doden door hun gebrek aan MHC-I te herkennen.
T-helperlymfocyten
Witte bloedcellen die de immuunreactie co'ordineert door cytokines te produceren.
Antilichaam
Een Y-vormig eiwit geproduceerd door plasmacellen dat specifiek bindt aan een antigeen.
Actieve immunisatie
Immuniteit opgebouwd door blootstelling aan antigenen, hetzij door infectie, hetzij door vaccinatie.
Passieve immunisatie
Het verkrijgen van immuniteit door het toedienen van kant-en-klare antilichamen, zoals via de placenta of serums.