1/22
Deze flashcards dekken de kernconcepten van de Nederlandse en Europese democratie, zoals beschreven in de collegestof, inclusief kiesstelsels en representatievraagstukken.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Legitimiteit
De aanvaardbaarheid van rechtsnormen door burgers, gebaseerd op een democratische totstandkomingsprocedure, ongeacht of men het eens is met de inhoud.
Robert A. Dahl
De politicoloog die de zes kenmerken van een vertegenwoordigende democratie definieerde, waaronder gekozen vertegenwoordigers en vrijheid van meningsuiting.
Illiberale democratie
Een bewind dat via verkiezingen aan de macht is gekomen, maar politieke vrijheden beknot, zoals de media aan banden leggen en de oppositie hinderen.
Politieke gelijkheid
Het ideaal dat de belangen van alle burgers doorwegen in besluitvorming en dat elke volwassen burger in staat wordt geacht deel te nemen aan de politiek.
Zelfbeschikking (autonomie)
De waarde dat mensen zelf willen bepalen volgens welke morele waarden en regels zij hun leven en de samenleving inrichten.
Vertrouwensregel
Het ongeschreven staatsrechtelijke principe dat de regering de steun moet genieten van de meerderheid in de Tweede Kamer.
Staten-Generaal
Het hoogste staatsrechtelijke orgaan van volksvertegenwoordiging in Nederland, bestaande uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.
Evenredige vertegenwoordiging
Een kiesstelsel waarbij de zetelverdeling in het parlement een nauwkeurige afspiegeling is van het totaal aantal uitgebrachte stemmen.
Kiesdeler
De hoeveelheid stemmen die nodig is om één zetel te bemachtigen, berekend door het aantal uitgebrachte stemmen te delen door de beschikbare zetels.
Districtenstelsel
Een kiesstelsel waarbij het land is opgedeeld in gebieden die elk hun eigen vertegenwoordiger kiezen via een absolute meerderheid.
Monisme
Een politieke situatie waarin de volksvertegenwoordiging en het bestuur sterk met elkaar verweven zijn, vaak gekenmerkt door regeerakkoorden en fractiediscipline.
Dualisme
Een politieke verhouding waarbij er een striktere scheiding is tussen het handelen van de volksvertegenwoordiging en dat van het bestuur.
Tegendemocratie
De term van Pierre Rosanvallon voor buitenparlementaire invloed, zoals geïnstitutionaliseerd toezicht, juridisering en handelen als hindermacht.
Ostrogorski-paradox
Het fenomeen waarbij een meerderheid in het parlement wetten kan aannemen die ingaan tegen de wil van de meerderheid van de kiezers.
Diplomademocratie
Een politiek systeem waarin burgers met een hoger opleidingsniveau feitelijk meer invloed hebben op beleid en wetgeving.
Bindend correctief referendum
Een instrument waarmee burgers een door het parlement aangenomen wet direct kunnen verwerpen via een stemming.
Internetconsultatie
Een instrument waarbij burgers via het internet kunnen reageren op voorgenomen wet- en regelgeving.
Burgerforum
Kortere of langere bijeenkomsten van (vaak door loting geselecteerde) burgers die aanbevelingen doen over een specifieke beleidsagenda.
Degressieve evenredigheid
De zetelverdeling in het Europees Parlement waarbij lidstaten met een kleine bevolking naar verhouding meer zetels hebben dan grote lidstaten.
Gewone wetgevingsprocedure
De procedure van artikel 294 VWEU waarbij de Europese Commissie het initiatiefrecht heeft en de Raad en het Parlement samen beslissen.
Dubbele meerderheid
De besluitvormingsregel in de Raad waarbij een voorstel wordt aangenomen bij instemming van 55% van de lidstaten die 65% van de bevolking vertegenwoordigen.
Trilogen
Informele bijeenkomsten tussen afgevaardigden van de Commissie, de Raad en het Parlement om wetgevingsprocessen te versnellen.
Agendaprocedure
Het proces waarbij de Staten-Generaal voorafgaand aan een vergadering van de Raad gedetailleerde informatie ontvangt om de Nederlandse minister te kunnen sturen.