1/59
Een uitgebreide set flashcards over beeldtaal, inclusief gestaltwetten, compositie, semiotiek en visuele retorica gebaseerd op de collegereacties.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Beeldtaal
De combinatie van minimaal 2 van de volgende onderdelen tot een visuele communicatie-uiting: beeld, woorden, beeldelementen en vormen.
Beeld
Alle communicatieve middelen die niet primair tekst zijn, die via een tweedimensionaal medium tot ons komen en primair een communicatief-retorische functie hebben.
Beeldelementen
Onderdelen zoals mensen, bomen en huizen die uit vormen zijn samengesteld.
Vormen
De basiscomponenten van beeldelementen, zoals lijnen, vierkanten en driehoeken.
Gestalt
Het principe dat het geheel van een object of een patroon groter en belangrijker is dan de afzonderlijke delen.
Gestaltwetten
Theorie die verklaart hoe mensen waarnemen en percipiëren door visuele structuren als holistische vormen te registreren.
Cognitive load theory
De theorie die stelt dat visuele orde via gestaltwetten een lagere breinbelasting creëert.
Wet van voorgrond en achtergrond
De neiging om een beeld te scheiden in een figuur en een achtergrond; men kan ze niet allebei tegelijk zien.
Wet van eenvoud
Het principe dat de eenvoudigste elementen voorkeur hebben bij waarneming, sneller worden opgenomen en meer aandacht vangen.
Wet van nabijheid
Dingen die dicht bij elkaar staan worden als een eenheid of als één object waargenomen.
Wet van overeenkomst
De neiging om objecten te groeperen op basis van gemeenschappelijke visuele kenmerken zoals kleur, vorm, grootte of textuur.
Wet van symmetrie
Het verschijnsel waarbij symmetrische beelden als identiek worden beschouwd, bestaande uit twee dezelfde helften, om stabiliteit en structuur te creëren.
Wet van gelijke achtergrond
Het groeperen van elementen op basis van een gedeelde achtergrond zonder daartussen onderscheid te maken.
Wet van ingeslotenheid
Voorwerpen die door een lijn omrand zijn worden als één geheel gezien, terwijl objecten gescheiden door een lijn als aparte elementen worden beschouwd.
Wet van ingevulde hiaat
De neiging van het brein om gaten in een beeld in te vullen om het beeld af te maken of af te ronden.
Wet van continuïteit
Het principe dat elementen die in dezelfde richting georiënteerd staan de neiging hebben om zich te groeperen.
Wet van ervaring
Het koppelen van waarnemingen aan bekende objectieve en subjectieve kennis, vaak gerelateerd aan de semiotiek.
Wet van gelijke bestemming
Het waarnemen van elementen die dezelfde kant op bewegen als een eenheid; vooral relevant bij bewegende beelden.
Infographic
Een informatieve illustratie van een complexe situatie met de nadruk op beeld, die herkenbare onderwerpen en settings bevat.
Handleiding
Informatieve illustratie van een complexe situatie waarin een specifieke handeling van de lezer wordt verwacht.
Logos
Het overtuigen van een publiek door middel van logica, redenering en feiten (het rationele aspect).
Pathos
Het overtuigen van een publiek door een beroep te doen op emoties en emotionele betrokkenheid.
Ethos
Het overtuigen van een publiek door het tonen van eigen geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en moreel karakter.
Semiotiek
De studie van tekens en symbolen en hoe deze betekenis overbrengen.
Retoriek
De kunst van het overtuigend spreken en schrijven om een boodschap effectief over te brengen.
Compositie
De wijze waarop elementen in een afbeelding zijn geordend.
Centraal compositie
Beeldopbouw waarbij de belangrijkste elementen centraal zijn geplaatst en in een herkenbare vorm passen.
Patroon compositie
Een herhaling van vormen, kleuren of lijnen in een specifieke structuur die zorgt voor herkenbaarheid en samenhang.
Strooipatroon
Een patroon waarbij elementen spontaan en gelijkmatig over een gebied zijn verdeeld.
Gerijd patroon
Een georganiseerd patroon dat een specifieke richting of lijnen volgt met herhalingen van objecten.
Symmetrische compositie
Een beeldopbouw waarbij beide helften van het beeld elkaars spiegelbeeld zijn.
Asymmetrische compositie
Een beeldopbouw waarbij de visuele elementen ongelijk over het beeldvlak zijn verdeeld.
Vector
Een afbeelding die wordt gedefinieerd door lijnen, paden en vormen.
Uitsnede
Een begrenzing van het beeld waarbij slechts een gedeelte van het volledige beeld wordt getoond.
Kadrering
Het proces van het bepalen van de grenzen van een beeld; wat binnen en buiten het frame valt.
Visuele geletterdheid
Het vermogen om de informatie in een afbeelding te herkennen, te interpreteren en te duiden.
Teken
Een element binnen de semiotiek dat een bepaalde betekenis draagt.
Referentiekader
Het geheel van ervaringen, kennis, overtuigingen en normen waarmee iemand de wereld interpreteert.
Iconische tekens
Tekens die betekenis overbrengen via uiterlijke gelijkenis met het werkelijke object of concept.
Indexicale tekens
Tekens waarbij de betekenis wordt afgeleid via ervaring of een directe relatie (zoals oorzaak en gevolg).
Symbolische tekens
Tekens die betekenis krijgen door middel van afspraken, regels of culturele gewoontes.
Denotatie
De letterlijke en objectieve betekenis van een beeld; het herkennen van wat er afgebeeld is.
Connotatie
De subjectieve betekenis van een beeld; het begrijpen en waarderen op basis van waarden.
Lineair perspectief
Techniek om driedimensionale ruimte op een plat vlak weer te geven via lijnen die naar verdwijnpunten op de horizon leiden.
Kleurenleer van Itten
Een theoretisch systeem over kleuren dat veel gebruikt wordt in kunst en ontwerp.
Actieve kleuren
De kleuren geel, oranje en rood.
Passieve kleuren
De kleuren groen, blauw en paars.
PMS (Pantone)
Een kleursysteem dat vaak wordt gebruikt voor specifieke merkkleuren in drukwerk.
CMYK
Kleursysteem voor full colour printwerk.
RGB
Kleursysteem bedoeld voor weergave op beeldschermen en beamers.
Heraldiek
Een systeem van kleuren en symbolen dat wordt gebruikt in wapens en vlaggen.
Visuele retorica
Het gebruik van visuele elementen om een boodschap over te brengen en overtuigingskracht uit te oefenen.
Rhetor
Een spreker of redenaar die probeert het publiek te overtuigen, informeren of beïnvloeden.
Kairos
Het kiezen van de juiste tijd of het juiste moment voor een specifieke actie of argumentatie.
Framing
De manier waarop de presentatie en selectie van informatie de perceptie van de ontvanger beïnvloedt.
Salience
De manier waarop iets visueel wordt getoond om de aandacht te trekken.
Schema’s
Retorische stijltechnieken gebaseerd op regelmatigheden, zoals rijm en herhaling.
Tropen
Retorische stijltechnieken gebaseerd op onregelmatigheden, zoals metaforen en hyperbolen.
Conventies
Gangbare visuele afspraken en stijlen binnen een cultuur om betekenis over te dragen.
GSR Beeldanalyse
Een methode voor visuele analyse die gebruikmaakt van Gestaltwetten, Semiotiek en Retorica.