1/16
Flashcards over de politieke filosofie van John Rawls (rechtvaardigheid) en de existentiële filosofie van Jean-Paul Sartre (vrijheid en bewustzijn).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
A Theory of Justice
Het meest invloedrijke boek van John Rawls uit 1971, waarin hij onderzoekt hoe een rechtvaardige samenleving eruit zou zien als mensen deze vanaf nul zouden vormen.
Sluier van onwetendheid
Een gedachte-experiment van Rawls waarbij mensen wetten maken voor een nieuwe samenleving zonder te weten wat hun eigen positie, talenten of sociale klasse daarin zullen zijn.
Absolute waarde van vrijheid
Het principe van Rawls dat individuele vrijheid boven alle andere waarden staat en niet mag worden ingeperkt tenzij iemands gedrag de vrijheid van anderen verstoort.
Utilitarisme
Een filosofische stroming die rechtvaardigheid definieert als de handeling die het grootst mogelijke maatschappelijke geluk of genot voor de meerderheid oplevert.
Verschilprincipe
Een principe van Rawls dat stelt dat ongelijkheid in de samenleving alleen rechtvaardig is wanneer het de levenspositie van de minst bevoorrechten zo goed mogelijk verbetert.
Moreel willekeurig
De opvatting van Rawls dat talenten en sociale achtergrond toeval zijn; niemand verdient het om met bepaalde gaven of in een bepaalde klasse geboren te zijn.
Economisch egalitarisme
Een economisch principe waar Karl Marx voor pleit, waarbij iedereen over precies evenveel bezit beschikt als elk ander persoon.
Constructivisme
De overtuiging dat mensen zelf bepalen wat rechtvaardigheid is en dat regels rechtvaardig zijn als mensen er (bijvoorbeeld achter een sluier) mee akkoord gaan.
Essentialisme
De overtuiging dat rechtvaardigheid een vaststaand gegeven is dat niet door mensen wordt bepaald, maar bijvoorbeeld in de Thora wordt geopenbaard.
Het ik (volgens Sartre)
Gedefinieerd als het gaatje in het zijn dat zich aan het zijn onttrekt; de mens verhoudt zich tot zichzelf in tegenstelling tot andere zijnden.
Het zijn en het niet
Het bekendste filosofische werk van Jean-Paul Sartre waarin hij het onderscheid tussen verschillende vormen van zijn uitwerkt.
Être-en-soi (zijn-op-zichzelf)
De manier waarop objecten en dieren zijn; ze hebben geen bewustzijn, kunnen niet over zichzelf nadenken en hebben een door de natuur vastgelegde essentie.
Être-pour-soi (zijn-voor-zichzelf)
De manier waarop mensen bestaan; zij bezitten bewustzijn, kunnen nadenken over hun bestaan en kunnen er steeds voor kiezen om anders te zijn.
Existentie gaat vooraf aan essentie
Sartre's stelling dat bij de mens het bewustzijn belangrijker is voor het gedrag dan instincten; de mens wordt eerst geboren en bepaalt daarna pas wie hij is.
De hel dat zijn de anderen
Een uitspraak van Sartre die verwijst naar de paradox dat we anderen nodig hebben voor onze identiteit, maar dat zij ons ware innerlijke bestaan nooit echt kunnen begrijpen.
Lustprincipe
De toestand waarin baby's en dieren verkeren waarbij ze automatisch streven naar wat goed voelt zonder rekening te houden met de omgeving.
Een niet
De term die Sartre gebruikt voor de mens omdat deze niet automatisch en onbewust zichzelf is, maar zichzelf voortdurend in vraag stelt.