1/53
Deze flashcards behandelen de belangrijkste sociologische begrippen, demografische processen, juridische kaders en cultuursensitieve zorgmodellen relevant voor de verpleegkundige praktijk.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Sociologie
De wetenschap die de interactie en het gedrag tussen mensen en sociale eenheden bestudeert door middel van contextuele factoren en interactievormen.
Medische sociologie
De wetenschappelijke studie van sociale aspecten van ziekte, gezondheid en gezondheidszorg, en hoe deze door de samenleving worden beïnvloed.
Demografie
De studie van bevolkingsvraagstukken met betrekking tot omvang, structuur en samenstelling, inclusief oorzaken zoals geboorte en migratie.
Demografische basisformule
Populatie 2026=populatie 2025+geboorte 2025−sterfte 2025±migratie 2025
Nataliteit
Een demografisch basisproces waarbij de bevolking stijgt omdat het aantal geboortes groter is dan het aantal sterfgevallen.
Mortaliteit
Een demografisch basisproces waarbij de bevolking daalt omdat het aantal sterfgevallen groter is dan het aantal geboortes.
Standaardiseren
Het vergelijkbaar maken van gegevens binnen wetenschappelijk onderzoek.
Medicalisering
Het proces waarbij het menselijk bestaan steeds meer wordt geplaatst in het perspectief van gezond en ziek, waardoor het onder de bevoegdheid van de medische professie komt.
Proto-professionalisering
Een gevolg van medicalisering waarbij de gewone leek zich steeds vaker uitdrukt in professionele medische terminologie.
Socialisatie
Het proces van cultuuroverdracht waarin mensen tot lid van de maatschappij en hun specifiek milieu worden gemaakt.
Conformisme
Een vorm van aanpassing aan regels en normen van een groep, uitsluitend om straffen te vermijden.
Identificatie
Ook wel verinnerlijking genoemd; het proces waarbij iemand de normen van de samenleving echt overneemt.
Individuatie
Het proces van persoonlijke identiteitsvorming door aansluiting bij peergroups en (on)bewuste afzetting tegen de samenleving.
Primaire socialisatie
Levensnoodzakelijke socialisatie die meestal plaatsvindt tijdens de kinderjaren binnen het gezin via het play-stadium en game-stadium.
Secundaire socialisatie
Het aanleren van specifieke sociale posities en rollen, zoals de voorbereiding op de arbeidsmarkt of een stage.
Tertiaire socialisatie
Socialisatie door beïnvloeding van massamedia waarbij geen directe interactie plaatsvindt.
Anticiperende socialisatie
Het proces waarbij een individu zich spiegelt aan een hogere sociale klasse en de normen en waarden van die groep aanneemt.
Acculturatie
Cultuuroverdracht van groep naar groep waarbij cultuurkenmerken van een vreemde cultuur worden aangeleerd.
Enculturatie
Cultuuroverdracht van groep naar individu waarbij cultuurkenmerken worden aangeleerd in de samenleving waarin men geboren is.
Primaire groep
Een sociale groepering waarbij het gevoelsmatige centraal staat, er geen duidelijk doel is en deelname gebeurt door de totale persoonlijkheid (bv. gezin).
Secundaire groep
Een groepering met een duidelijk doel waarbij deelname slechts een deel van de persoonlijkheid betreft (bv. een sportclub).
Collectiviteit
Een grote secundaire groep waarbij de directe interactie tussen alle leden wegvalt (bv. een politieke partij).
Sociale categorie
Grote groeperingen op basis van één gemeenschappelijk kenmerk zonder duidelijk lidmaatschap (bv. treinreizigers).
Professionalisering
Het streven naar een hogere status van een beroep via autonomie, eigen classificatiesystemen en een ethische beroepscode.
Cultural lag
Een botsing of sociaal probleem dat ontstaat doordat de materiële component van cultuur sneller evolueert dan de normatieve component.
Endogene factoren
Culturele veranderingen die binnen de samenleving zelf ontstaan, zoals technologische innovaties of demografische verschuivingen.
Exogene factoren
Invloeden van buiten de samenleving die cultuur veranderen, zoals migratie of globalisering.
Etnocentrisme
Het beoordelen van andere culturen met de eigen cultuur als superieure maatstaf.
Cultureel relativisme
Het beoordelen van culturen vanuit hun eigen waarden en normen in plaats van vanuit de eigen cultuur; begrijpen staat centraal.
Cultureel pluralisme
Een samenlevingsvorm waarbij meerdere culturen naast elkaar bestaan en gelijkwaardig worden erkend.
Verzuim delict
Het juridisch strafbaar stellen van passief handelen (intentioneel niks doen) in een noodsituatie waar actie vereist was.
Rechtsbekwaamheid
De combinatie van rechtsbevoegdheid (het hebben van rechten vanaf de geboorte) en handelingsbekwaamheid (het uitoefenen van rechten vanaf 18 jaar).
Sociale stratificatie
Een vorm van maatschappelijke ongelijkheid waarbij het groepsproces centraal staat.
Horizontale mobiliteit
Een verandering van positie waarbij de sociaal-economische status gelijk blijft (bv. een overstap tussen functies op hetzelfde bachelorniveau).
Verticale mobiliteit
Het stijgen of dalen op de sociale ladder, bijvoorbeeld door promotie.
Mattheüs effect
Het sociologische verschijnsel waarbij de rijken rijker worden en de armen armer; wie al voordeel heeft, krijgt er meer bij.
Gezinsindividualisering
De tendens waarbij gezinnen steeds onafhankelijker worden ten opzichte van elkaar en de maatschappij.
Gezinsverdunning
Het proces waarbij gezinnen gemiddeld steeds kleiner worden.
Verzorgingsstaat
Een staat die sociale bescherming organiseert via uitkeringen voor werkloosheid, pensioen, ziekte en kinderbijslag.
Armoederisicodrempel
In België vastgesteld op 60% van het mediaan inkomen; voor een alleenstaande in 2024 is dit 18.268 euro per jaar.
Gini-coëfficiënt
Een statistische maatstaf voor inkomensongelijkheid, waarbij 0% staat voor volledige gelijkheid en 100% voor volledige ongelijkheid.
Kansarmoede
Generatiearmoede waarbij kansen worden ontnomen op basis van inkomen, opleiding van ouders, huisvesting en gezondheid.
Hof van Cassatie
De hoogste rechtbank die vonnissen vernietigt als de procedure onjuist was; het onderzoekt de zaak in rechte, niet in feite.
RSZ
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; de overkoepelende instelling voor het werknemersstelsel in België.
RSVZ
Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen; beheert sectoren zoals pensioen en gezinsbijslag voor zelfstandigen.
Vergrijzing
Het demografische proces waarbij de gemiddelde leeftijd van de bevolking toeneemt; in België is dit gemiddeld 42 jaar.
VPL
Verloren Potentiële Levensjaren; een sterftemaat die uitgaat van een productieve deelname aan de maatschappij tot het 74ste levensjaar.
Interne attributie
Het toeschrijven van gebeurtenissen of resultaten aan factoren binnen jezelf, zoals hard werken of talent.
Externe attributie
Het toeschrijven van succes of falen aan omgevingsfactoren buiten jezelf, zoals de moeilijkheidsgraad van een toets.
Sunrise model
Een model van Leininger dat helpt begrijpen hoe technologische, religieuze en sociale factoren de cultuursensitieve zorg beïnvloeden.
Folksysteem
Het culturele systeem van de patiënt in het Sunrise model, gebaseerd op tradities, geloof en familie.
Professioneel systeem
Het formele gezondheidszorgsysteem in het Sunrise model, gebaseerd op medische kennis en ziekenhuisregels.
Cultureel zorgbehoud
Een manier van zorgverlening waarbij de verpleegkundige de culturele gewoonten van de patiënt, zoals bidden, ondersteunt.
Out reach hulpverlening
Een actieve vorm van hulpverlening waarbij de zorgverlener zelf problemen opzoekt in plaats van te wachten tot de patiënt deze vertelt.