Send a link to your students to track their progress
180 Terms
1
New cards
Aanbod
De hoeveelheid goederen en diensten die de producent bereid is aan te bieden bij verschillende prijzen.
2
New cards
Aanbodcurve
Stelt grafisch voor hoeveel eenheden de aanbieder of producent bereid is aan te bieden bij verschillende prijzen. Verloopt stijgend: als de prijs stijgt, wil de aanbieder meer eenheden verkopen.
3
New cards
Aanbodoverschot
De situatie waarbij de aangeboden hoeveelheid groter is dan de gevraagde hoeveelheid. Als gevolg gaan de prijzen dalen tot de evenwichtsprijs.
4
New cards
Aandeelhouder(s)
Synoniem voor eigenaar(s) of shareholder(s).
5
New cards
Actiefrekeningen
Rekeningen afgeleid uit de actiefzijde van de balans.
6
New cards
Activa
De werkmiddelen of de aanwending van het vermogen. Alle bezittingen en vorderingen van de onderneming.
7
New cards
Afschrijvingen
De jaarlijkse waardeverminderingen van de vaste activa die ook als kosten worden geregistreerd.
8
New cards
Afzet
De hoeveelheid goederen die een bedrijf verkoopt.
9
New cards
Anciënniteit
Het aantal jaren dat de werknemer ononderbroken in dienst is geweest bij dezelfde onderneming.
10
New cards
Arbeid
Een van de productiefactoren. De mensen die handenarbeid of hoofdarbeid (geestesarbeid) verrichten met de bedoeling goederen en diensten te produceren.
11
New cards
Arbeider
Een werknemer die voornamelijk handenarbeid verricht, bijvoorbeeld een lasser of een tuinier.
12
New cards
Arbeidsintensief
Er wordt veel arbeid gebruikt bij de productie. Voorbeeld: fruitpluk.
13
New cards
Arbeidsmarkt
De plaats waar vragers naar arbeid (bedrijven) en aanbieders van arbeid (werknemers) elkaar ontmoeten.
14
New cards
Arbeidsovereenkomst
Overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarin afspraken zijn vastgelegd over loon, uit te voeren arbeid, rechten en plichten.
15
New cards
Arbeidsproductiviteit
De productie per werknemer per tijdseenheid. Synoniem = gemiddelde productie.
16
New cards
Arbeidsreglement
Document waarin de rechten en plichten van alle werknemers en van de werkgever worden beschreven.
17
New cards
Balans
Tabel die de werkmiddelen of activa van de onderneming weergeeft alsook de financieringsbronnen of passiva. Overzicht van aanwending en oorsprong van het vermogen op een bepaald moment.
18
New cards
Balanspost
Een onderdeel van een rubriek. Zo is Terreinen en gebouwen een onderdeel van Vaste activa.
19
New cards
Balansrekeningen
Rekeningen afkomstig uit de balans. Twee soorten: actiefrekeningen en passiefrekeningen.
20
New cards
Balansrubriek
Een hoofdonderdeel uit een balans. De twee rubrieken van het actief: Vaste activa en Vlottende activa. Eigen vermogen en Schulden zijn de twee delen uit het passief.
21
New cards
Bbp
Afkorting van bruto binnenlands product.
22
New cards
BE-afzet
De afzet die minimaal moet worden gehaald om winst te maken. Of de afzet waarbij de winst nul is.
23
New cards
Bediende
Een werknemer die voornamelijk hoofdarbeid of geestesarbeid verricht. Doet vooral denkwerk, bijvoorbeeld een secretaresse.
24
New cards
Bedrijfskolom
Stelt de opeenvolgende ondernemingen voor die een product doorloopt van de begin- tot eindfase.
25
New cards
Bedrijfskosten
Kosten die ontstaan uit de activiteiten van de onderneming.
26
New cards
Bedrijfsopbrengsten
Opbrengsten die ontstaan uit de activiteiten van de onderneming.
27
New cards
Bedrijfsresultaat
Het gevolg van de activiteiten van de onderneming. Je vindt het door de bedrijfskosten af te trekken van de bedrijfsopbrengsten.
28
New cards
Bedrijfsvoorheffing
Maandelijks voorschot op de jaarlijkse afrekening van de personenbelasting. Wordt elke maand van het belastbaar loon afgehouden.
29
New cards
Belastbaar loon
Brutoloon verminderd met RSZ-werknemersbijdrage.
30
New cards
Bruto binnenlands product
Kan je berekenen als de som van de toegevoegde waarde of als de waarde van de finale productie die door alle ondernemingen in een land in de loop van een jaar wordt gecreëerd.
31
New cards
Brutoloon
Loon dat wordt afgesproken bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst.
32
New cards
Btw
Belasting over de toegevoegde waarde, berekend op de verkoopprijs van een product. Afhankelijk van het percentage: 6%, 12% of 21%.
33
New cards
Btw exclusief
De prijs van het product exclusief of zonder btw.
34
New cards
Btw inclusief
De prijs van het product inclusief of met btw.
35
New cards
Budget
Betekent hetzelfde als financieel plan.
36
New cards
Collectieve arbeidsovereenkomst
In een cao worden de minimale arbeidsvoorwaarden tussen werkgever en werknemer vastgelegd. Opgesteld door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties (vakbonden).
37
New cards
Commerciële onderneming
Synoniem voor een profitoonderneming.
38
New cards
Complementaire goederen
Goederen die elkaar aanvullen. Het gebruik van het ene vereist ook het gebruik van het andere.
39
New cards
Conjunctuur
De opgaande beweging in de economie gevolgd door de neergaande beweging.
40
New cards
Consument
De persoon die goederen en diensten koopt.
41
New cards
Diensten
Niet-tastbare of niet-materiële producten. Handelingen die iemand (een bedrijf) verricht, zoals transport verzorgen of haar knippen.
42
New cards
Duurzaam ondernemen
Een onderneming zoekt bij haar activiteiten naar een evenwicht tussen de drie P's: profit, people en planet.
43
New cards
Eigen vermogen
Omvat het ingebrachte kapitaal en de gereserveerde winst. De financiële middelen die toebehoren aan de eigenaar(s).
44
New cards
Evenwichtshoeveelheid
De hoeveelheid waarbij de markt in evenwicht is, of de hoeveelheid die wordt verkocht tegen de evenwichtsprijs. Hier is de vraag gelijk aan het aanbod.
45
New cards
Evenwichtsprijs
De prijs waarbij de markt in evenwicht is, of waarbij de aangeboden hoeveelheid overeenstemt met de gevraagde hoeveelheid.
46
New cards
Extralegale voordelen
Voordelen voor de werknemer boven op het loon, zoals een bedrijfswagen en een smartphone.
47
New cards
Financieel resultaat
Ontstaat uit opbrengsten en kosten van geldverrichtingen.
48
New cards
Financiële kosten
Kosten die vaak te wijten zijn aan interesten op schulden.
49
New cards
Financiële opbrengsten
Opbrengsten uit beleggingen of andere financiële voordelen.
50
New cards
Gereserveerde en overgedragen winst
Het deel van de winst dat niet uitgekeerd wordt aan de aandeelhouders/eigenaars, maar dat ingehouden of gereserveerd wordt.
51
New cards
Goederen
Tastbare of materiële producten, zoals voedingsmiddelen.
52
New cards
Investeren
De aanschaf van vaste activa om de productie uit te breiden of efficiënter te laten verlopen.
53
New cards
Investeringen
Uitgaven voor de aankoop van bedrijfsmiddelen waarmee geproduceerd wordt en die langere tijd in de onderneming gebruikt zullen worden. Worden elk jaar afgeschreven.
54
New cards
Jaarrekening
Omvat de resultatenrekening en de balans.
55
New cards
Kapitaal
Een van de productiefactoren. Productiemiddelen zoals machines en computers.
56
New cards
Kapitaalgoederen
Worden gebruikt om andere goederen mee te produceren. Voorbeelden: robots en computers.
57
New cards
Kapitaalintensief
Er worden veel kapitaalgoederen, zoals machines en robots, gebruikt bij de productie. Voorbeeld: autoproductie.
58
New cards
Knelpuntberoep
Een beroep waarvoor de werkgevers het moeilijk hebben om werknemers te vinden. De vraag naar werknemers overtreft het aanbod.
59
New cards
Kostenrekeningen
Rekeningen uit de boekhouding waarop de kosten worden verwerkt.
60
New cards
Liquiditeit
Verhoudingsgetal dat weergeeft of de onderneming in staat is haar kortetermijnschulden te betalen met de middelen die op korte termijn beschikbaar zijn.
61
New cards
Markt
De economische betekenis: het geheel van de vraag naar en het aanbod van een bepaald product, zonder dat er een echte, concrete plaats is waar het product wordt verkocht of gekocht.
62
New cards
Marktevenwicht
De aangeboden hoeveelheid is gelijk aan de gevraagde hoeveelheid.
63
New cards
Natuur
Een van de productiefactoren. Alle soorten natuurlijke bronnen, zoals grond en water.
64
New cards
Neergaande conjunctuurfase
De vraag neemt af, en dus nemen ook de werkgelegenheid en de prijzen af.
65
New cards
Nettoloon
Belastbaar loon verminderd met de bedrijfsvoorheffing.
66
New cards
Niet-commerciële onderneming
Synoniem voor een non-profitionderneming.
67
New cards
Non-profitionderneming
Onderneming of organisatie die als belangrijkste doelstelling heeft om te voldoen aan sociale noden. Winst maken is ondergeschikt aan de dienstverlening. Voorbeelden: rusthuizen, sportverenigingen, theaters, ziekenhuizen.
68
New cards
Omzet
De waarde van de verkopen in een bepaalde periode. Omzet = prijs × aantal verkochte stuks.
69
New cards
Opbrengstenrekeningen
Rekeningen waarop de opbrengsten worden genoteerd.
70
New cards
Opgaande conjunctuurfase
De vraag stijgt, en dus stijgen ook de werkgelegenheid en de prijzen.
71
New cards
Passiefrekeningen
Rekeningen afgeleid uit de passiefzijde van de balans.
72
New cards
Passiva
Staat voor financieringsmiddelen of oorsprong van vermogen. Omvat het eigen vermogen en de schulden van de onderneming.
73
New cards
Primaire sector
De economische sector die grondstoffen en voedsel levert, zoals landbouw, bosbouw en visserij.
74
New cards
Producent
De persoon of onderneming die goederen en diensten verkoopt of op de markt brengt.
75
New cards
Productiefactoren
De middelen die productie mogelijk maken, namelijk natuur, kapitaal en arbeid.
76
New cards
Profitonderneming
Een onderneming die als doel heeft om zoveel mogelijk winst te maken.
77
New cards
Rendabiliteit
Maatstaf om te meten wat het ingezette eigen vermogen heeft opgebracht. Zo weten beleggers of het gaat om een interessante belegging.
78
New cards
Resultatenrekening
Geeft een overzicht van de kosten en opbrengsten van een onderneming gedurende één jaar.
79
New cards
RSZ-werknemersbijdrage
Bijdrage van de werknemer aan de sociale zekerheid (= 13,07% van het brutoloon).
80
New cards
Secundaire sector
De industriële sector, zoals autofabrieken en de bouwnijverheid.
81
New cards
Sociaal overleg
Een systeem van onderhandelingen tussen de werknemers- en werkgeversorganisaties om bijvoorbeeld een nieuwe cao op te stellen.
82
New cards
Sociale partners
Verzamelnaam voor de werknemers- en werkgeversorganisaties. Ze nemen deel aan het sociaal overleg.
83
New cards
Solvabiliteit
Verhoudingsgetal dat weergeeft of de onderneming in staat is om al haar schulden te betalen, met het huidige totaal vermogen.
84
New cards
Stakeholder
Een belanghebbende: een persoon of organisatie die invloed kan uitoefenen op een onderneming of die beïnvloed wordt door een onderneming.
85
New cards
Substitutiegoederen
Goederen die voor de consument kunnen dienen als een vervangmiddel.
86
New cards
Tertiaire sector
De commerciële (winstgevende) dienstverlening, zoals verzekeringsmaatschappijen en de transportsector.
87
New cards
Toegevoegde waarde
Gelijk aan het verschil tussen de verkoopwaarde van de productie en de aankopen van grondstoffen, goederen en diensten bij andere bedrijven.
88
New cards
Uitgave
De onderneming geeft geld uit. De bankrekening of de kas vermindert.
89
New cards
Vakbonden
Synoniem voor werknemersorganisaties.
90
New cards
Variabele kosten
Kosten die afhankelijk zijn van de afzet. Ze veranderen mee met de productie.
91
New cards
Vaste activa
Werkmiddelen die langere tijd in de onderneming gebruikt worden.
92
New cards
Vaste kosten
Kosten die niet mee veranderen met de afzet. Ze zijn onafhankelijk van de afzet of de productie. Synoniem: constante kosten.
93
New cards
Vlottende activa
Werkmiddelen die kortere tijd in de onderneming blijven en die snel in waarde wijzigen.
94
New cards
Vraag
De hoeveelheid goederen en diensten die de consument of vrager bereid is te kopen bij verschillende prijzen.
95
New cards
Vraagcurve
Stelt grafisch voor hoeveel eenheden de vrager of consument bereid is te kopen bij verschillende prijzen. Verloopt dalend: als de prijs daalt, is de vrager bereid om meer eenheden te kopen en omgekeerd.
96
New cards
Vraagoverschot
De situatie waarbij de gevraagde hoeveelheid groter is dan de aangeboden hoeveelheid. Als gevolg gaan de prijzen stijgen tot de evenwichtsprijs.
97
New cards
Vreemd vermogen (schulden)
Vermogen afkomstig van derden, van iedereen behalve van de eigenaars.
98
New cards
Welvaart
De mate waarin men in staat is om aan zijn materiële behoeften te voldoen.
99
New cards
Welzijn
Een gevoel van welbevinden of geluk bij een persoon. Ruimer dan welvaart; bij welvaart is de rijkdom bepalend.