College 5 - What remains to be done? Good governance in an improvising society

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
full-widthCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/33

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

34 Terms

1
New cards

Wat is de centrale vraag van college 5?

Als governance geen machine kan zijn (Fukuyama), wat blijft er dan over? → Improvisatie (Boutellier).

2
New cards

Waarom sluit college 5 aan op college 4?

College 4: mechanisch bestuur faalt → governance = kunst. College 5: welke kunst? → improvisatie.

3
New cards

Wat is het verschil tussen mechanisch bestuur en improviserend bestuur?

Mechanisch: vaste regels, voorspelbaarheid, één juiste oplossing. Improvisatie: afstemming, contextgevoeligheid, meerdere mogelijke oplossingen.

4
New cards

Wat betekent de “improvising society”?

Een samenleving zonder vast patroon, met voortdurende verandering, waarin orde ontstaat door afstemming en routines.

5
New cards

Wat zijn de drie pilaren van de improvising society (Boutellier p.139)?

1) Netwerksamenleving 2) Informatiesamenleving 3) Wereld zonder grenzen.

6
New cards

Wat kenmerkt de netwerksamenleving?

Individuen & organisaties zijn nodes in netwerken → afhankelijkheid & dynamiek.

7
New cards

Wat kenmerkt de informatiesamenleving?

Technologische infrastructuren bepalen hoe we communiceren en samenwerken.

8
New cards

Wat kenmerkt de wereld zonder grenzen?

Globalisering → geen duidelijke nationale grenzen voor problemen, identiteiten, verantwoordelijkheden.

9
New cards

Wat betekent “social order is not given”?

Er bestaat geen vooraf bestaande orde → orde moet permanent gecreëerd/gestuurd worden.

10
New cards

Wat betekent “normativity presupposes ordering”?

Bestuur moet altijd afwegen wat ‘goed’, ‘juist’ of ‘moreel wenselijk’ is → normativiteit is onvermijdelijk.

11
New cards

Wat bedoelt Boutellier met “dynamic continuity”?

Orde ontstaat via routines, praktijken en ervaringen — niet via vaste structuren.

12
New cards

Waarom is improvisatie noodzakelijk volgens Boutellier?

Samenleving is te complex en veranderlijk voor vaste regels → afstemming is de enige manier om orde te maken.

13
New cards

Wat betekent improvisatie volgens Boutellier?

Afstemming van handelen op omstandigheden, omgeving, routines en andere mensen.

14
New cards

Waarom is improvisatie niet hetzelfde als willekeur?

Improvisatie volgt patronen, ritmes en normen — net als muziek. Het is gestructureerde spontaniteit.

15
New cards

Wat is governance volgens Boutellier?

Het organiseren van attunement: structurele afstemming binnen complexiteit.

16
New cards

Waarom werkt bestuur als jazzmuziek?

1) Spontane creatie 2) Binnen een bepaalde harmonie 3) In een gegeven ritme → afstemming in plaats van hiërarchische regels.

17
New cards

Wat symboliseert “geen partituur” in de jazzmetafoor?

Geen vaste blauwdruk voor governance; bestuur moet reageren op omstandigheden.

18
New cards

Wat symboliseren ritme & harmonie?

Gedeelde normen, routines en institutionele praktijken die improvisatie mogelijk maken.

19
New cards

Waarom zijn spelers niet volledig vrij in improvisatie?

Improvisatie gebeurt altijd binnen regels, rollen, instrumenten en samenwerking → precies zoals bestuur.

20
New cards

Waarom maakt jazz de samenleving zowel vrij als georganiseerd?

Improvisatie geeft ruimte voor creativiteit, maar vereist ook coördinatie en verbondenheid.

21
New cards

Wat is een “center of gravity”?

Institutie of organisatie die gewicht, structuur en richting geeft aan een beleidsterrein.

22
New cards

Wat zijn de drie “events” van Boutellier waarop governance zich afstemt?

1) Incidents 2) Initiatives 3) Centers of gravity.

23
New cards

Wat zijn incidents?

Onvoorziene gebeurtenissen die urgenties creëren → acute improvisatie nodig.

24
New cards

Wat zijn initiatives?

Bewuste acties van actoren (burgers, organisaties) die nieuwe richting geven aan beleid.

25
New cards

Wat zijn centers of gravity?

Instituties (bv. ziekenhuis, rechtbank, school) die een stabiel referentiekader vormen.

26
New cards

Wat is de rol van instituties in improvisatie?

Zij creëren ritme, structuur, normen, verwachtingen → de “drummer” van de samenleving.

27
New cards

Waarom maken instituties improvisatie stabieler?

Zij hebben historisch gegroeide waarden & praktijken → zorgen voor continuïteit.

28
New cards

Wat bedoelt Boutellier met “institutional practices determine public morality”?

Wat instituties dagelijks doen (onderwijzen, genezen, beschermen) vormt onze opvatting van wat ‘goed’ is.

29
New cards

Waarom maakt dit governance legitiem?

Improvisatie is verankerd in maatschappelijke waarden → niet willekeurig, maar normatief gedragen.

30
New cards

Hoe past migratiebeleid in improvisatie?

Different circumstances → different improvisations (old hosts, new hosts, islands, emigration countries).

31
New cards

Waarom vereist EU-migratiebeleid improvisatie?

Meerdere landen, culturen, belangen → geen mechanische oplossing → voortdurende afstemming.

32
New cards

Hoe past defensiebeleid in improvisatie?

Historie, geografie, middelen & strategische cultuur vragen per land om andere oplossingen.

33
New cards

Wat is de rode draad van colleges 1–5?

Mechanische governance → complexe governance → onoplosbare PA-problematiek → governance als kunst → kunst = improvisatie.

34
New cards

Wat is het belangrijkste tentameninzicht van college 5?

Besturen = organiseren van afstemming (attunement) binnen radicale complexiteit; daarom is governance een vorm van improvisatie.