1/192
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Organizational Behavior (OB)
studie van hoe individuen en groepen zich gedragen binnen organisaties.
Worker
werknemer; iemand die bijdraagt aan het behalen van werkdoelen.
Manager
iemand die doelen bereikt via andere mensen.
People skills
het vermogen om anderen te begrijpen, motiveren en ondersteunen.
Technical skills
specifieke kennis of expertise voor een taak.
Conceptual skills
vermogen om complexe situaties te begrijpen en strategie te bedenken.
Systematic study
systematische studie; gedrag onderzoeken met wetenschappelijke methoden.
Evidence-based management (EBM)
beslissingen nemen op basis van wetenschappelijk bewijs.
Contingency variables
factoren die bepalen wanneer een theorie wel of niet geldt.
Individual differences
verschillen tussen mensen in gedrag of eigenschappen.
Situational factors
situationele factoren; omstandigheden die gedrag beïnvloeden.
Levels of analysis
individueel, groep en organisatie.
Motivation
de kracht die gedrag richting geeft en energie geeft.
Job design
het samenstellen van taken en verantwoordelijkheden in een baan.
Skill variety
hoeveel verschillende vaardigheden een baan vereist.
Task identity
in hoeverre een taak een compleet en herkenbaar geheel is.
Job enlargement
taakverbreding; meer taken toevoegen aan een functie.
Job crafting
werknemers passen zelf hun taken of relaties aan om werk betekenisvoller te maken.
Personality
het geheel van manieren waarop iemand reageert en met anderen omgaat.
Personality traits
stabiele kenmerken van gedrag.
Nomothetic approach
Een benadering die algemene wetten en persoonlijkheidspatronen probeert te vinden die voor veel mensen gelden.
Idiographic approach
Een benadering die zich richt op de unieke persoonlijkheid en kenmerken van één individu.
Openness
nieuwsgierigheid en creativiteit.
Conscientiousness
De mate waarin iemand georganiseerd, verantwoordelijk, betrouwbaar, gedisciplineerd en doelgericht is.
Extraversion
extraversie; sociaal en energiek.
Agreeableness
De mate waarin iemand vriendelijk, behulpzaam, coöperatief, betrouwbaar en meegaand is.
Neuroticism
De mate waarin iemand emotioneel instabiel, angstig, onzeker en stressgevoelig is.
Group
twee of meer mensen die samenwerken om een doel te bereiken.
Formal group
groep gevormd door de organisatie.
Informal group
groep die spontaan ontstaat tussen mensen.
Work group
werkgroep; groep die informatie deelt om individuele prestaties te verbeteren.
Work team
groep met gezamenlijke verantwoordelijkheid en synergie.
Synergy
gezamenlijke prestatie groter dan de som van individuele bijdragen.
Cross-functional team
team bestaande uit werknemers van hetzelfde hieärchische niveau maar met verschillende functies
Virtual team
virtueel team.
Social identity
gevoel van behoren tot een groep.
Similarity
gelijkenis tussen groepsleden.
Status
relatieve positie van een groep.
Uncertainty reduction
groepen helpen onzekerheid verminderen.
Collective identification
identiteit gebaseerd op groepskenmerken.
Ingroup
groep waar iemand bij hoort.
Outgroup
groep waar iemand niet bij hoort.
Ingroup favoritism
voorkeur voor eigen groep.
Perception
Het proces waarbij mensen informatie selecteren, organiseren en interpreteren om betekenis te geven aan hun omgeving.
Internal attribution
oorzaak ligt bij de persoon zelf.
External attribution
externe attributie; oorzaak ligt bij de situatie.
Distinctiveness
onderscheidendheid van gedrag.
Consensus
De mate waarin anderen zich in dezelfde situatie hetzelfde gedragen.
Consistency
gebeurt het gedrag steeds opnieuw?
Fundamental attribution error
De neiging om iemands gedrag te verklaren door zijn persoonlijkheid, terwijl situationele factoren worden onderschat. "Hij is lui."
Selective perception
we zien alleen informatie die onze verwachtingen bevestigd
Contrast effect
beoordelingen worden beïnvloed door vergelijkingen met anderen
Stereotyping
mensen worden beoordeeld op basis van hun groep
Pygmalion effect
Hoge verwachtingen van een ander leiden ertoe dat die persoon beter gaat presteren (self-fulfilling prophecy)
Leadership
proces van sociale invloed om een doel te bereiken.
Trait theories of leadership
eigenschapstheorieën van leiderschap.
Behavioral theories
gedragsbenaderingen van leiderschap.
Contingency theories
leiderschap hangt af van de situatie.
Leader emergence
De mate waarin iemand door anderen wordt gezien of gekozen als leider.
Leader effectiveness
effectiviteit van leiderschap.
Job-centered leadership
taakgericht leiderschap.
Employee-centered leadership
mensgericht leiderschap.
Initiating structure
structuur aanbrengen in werk.
interpersonal roles
Van alle managers wordt verwacht dat zij taken uitvoeren die van ceremoniële en symbolische aard zijn.
entrepeneur role (mintzberg)
Managers initiëren en begeleiden nieuwe projecten die de prestaties van hun organisatie verbeteren.
Disturbance handlers (mintzberg)
Managers nemen corrigerende maatregelen naar aanleiding van onvoorziene problemen.
Resource allocators (Mintzberg)
Managers zijn verantwoordelijk voor de toewijzing van menselijke, materiële en financiële middelen.
Negotiator (Mintzberg)
Managers bespreken kwesties en onderhandelen met andere afdelingen om voordelen voor hun eigen afdeling te behalen.
systematic study
Het onderzoeken van verbanden, het proberen oorzaken en gevolgen toe te schrijven en het trekken van conclusies op basis van wetenschappelijk bewijs.
intuition
een instinctief gevoel, meestal niet gebaseerd op onderzoek
organizational citizen behavior
discretionair gedrag dat bijdraagt aan de psychologische en sociale omgeving van de werkplek
withdrawl behavior
De reeks acties die werknemers ondernemen om zich van de organisatie te distantiëren.
surface-level diversity
makkelijk herkenbare verschillen tussen mensen zoals geslacht, race en afkomst
efficiency
de mate waarin een organisatie haar doelen tegen lage kosten kan bereiken
deep-level diversity
verschillen tussen mensen in waarden en normen, persoonlijkheid, werkvoorkeuren. progressief belangrijker om overeenkomsten vast te stellen tussen mensen, naarmate men elkaar beter leert kennen
Predjudice
Een vooraf gevormde, vaak negatieve mening of houding over een persoon of groep, zonder voldoende kennis of bewijs.
implicit bias
vooroordelen die mogelijk verborgen zijn buiten iemands bewustzijn (zonder dat je bewust vooroordeelt)
system justification problem
De theorie dat groepsleden hun ervaringen met ongelijkheid, vooroordelen of discriminatie vaak accepteren, rationaliseren, legitimeren of rechtvaardigen.
social dominance theory
De theorie dat vooroordelen en discriminatie gebaseerd zijn op een complexe hiërarchie, waarbij de ene groep de andere domineert en de dominerende groep privileges geniet die de ondergeschikte groep niet heeft.
hofstedes framework
een model dat verschillen in nationale en organisatieculturen analyseert. Het biedt zes dimensies; .
- machtsafstand,
- individualisme,
- collectivisme,
- feminisme/masculiniteit,
- onzekerheid vermijding,
- long-term/short-term orientatie)
om te begrijpen hoe cultuur het denken en gedrag van mensen beïnvloedt. Het model wordt veel gebruikt om internationale samenwerking te verbeteren
GLOBE framwork
een internationaal onderzoeksprogramma dat culturele verschillen tussen landen analyseert en laat zien hoe deze verschillen leiderschapsstijlen, managementpraktijken en organisatiegedrag beïnvloeden.Hoe verschillen culturen wereldwijd van elkaar? Welke leiderschapsstijlen werken het best binnen verschillende culturen?
diversity management
het bewust en strategisch omgaan met verschillen tussen mensen binnen een organisatie, met als doel een inclusieve werkomgeving te creëren en de prestaties van de organisatie te verbeteren.
hierarchy of needs
Maslow's hiërarchie van behoeften is een motivatietheorie die stelt dat menselijke behoeften in een vaste volgorde zijn opgebouwd, waarbij basisbehoeften eerst vervuld moeten worden voordat hogere behoeften (zoals zelfontplooiing) belangrijk worden.
De Two-Factor Theory
De Two-Factor Theory (van Frederick Herzberg) stelt dat werktevredenheid en ontevredenheid door twee verschillende factoren worden bepaald: motivators en Hygiëne factoren
Motivatoren
creëren tevredenheid (bijv. prestatie, erkenning, verantwoordelijkheid, groei).
Hygiënefactoren
(zoals salaris en werkomstandigheden) voorkomen ontevredenheid maar motiveren niet op zichzelf
McClelland's Theory of Needs
stelt dat motivatie wordt bepaald door drie aangeleerde behoeften: Behoefte aan
prestatie (achievement)
Behoefte aan macht (power),
Behoefte aan affiliatie (affiliation / sociale relaties)
De dominante behoefte verschilt per persoon en beïnvloedt gedrag en motivatie op het werk
Cognitive Evaluation Theory
stelt dat externe beloningen (zoals geld of controle) intrinsieke motivatie kunnen verminderen, vooral wanneer ze het gevoel van autonomie aantasten. Intrinsieke motivatie blijft juist sterker wanneer mensen zich vrij en zelfsturend voelen.
Self-Determination Theory
stelt dat mensen intrinsiek gemotiveerd raken wanneer drie basisbehoeften worden vervuld:
Autonomie (zelf keuzes kunnen maken)
Competentie (je bekwaam voelen)
Verbondenheid (je verbonden voelen met anderen)
Self-Concordance Theory
stelt dat mensen meer gemotiveerd en succesvoller zijn wanneer hun doelen aansluiten bij hun eigen waarden en interesses (intrinsieke motivatie) in plaats van externe druk of verplichtingen.
Goal-Setting Theory
Goal-Setting Theory stelt dat specifieke en uitdagende doelen leiden tot hogere prestaties, mits er feedback en betrokkenheid (commitment) is: Duidelijke en moeilijke doelen motiveren meer dan vage of makkelijke doelen.
Management by Objectives (MBO)
een managementmethode waarbij managers en medewerkers samen specifieke doelen vaststellen, en prestaties worden beoordeeld op basis van het behalen van die doelen. Focus ligt op duidelijke doelen, meetbare resultaten en gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Self-efficacy
het geloof van een persoon in zijn of haar eigen vermogen om een specifieke taak succesvol uit te voeren. Hoe hoger de self-efficacy, hoe groter de motivatie, inzet en kans op succes.
Equity Theory
stelt dat mensen hun inzet en beloningen vergelijken met die van anderen, en gemotiveerd raken om eerlijkheid (gelijkheid) te herstellen wanneer ze ongelijkheid ervaren. Gevoel van rechtvaardigheid bepaalt motivatie en gedrag.
Organizational justice.
een algemene perceptie van wat eerlijk is op de werkplek, bestaande uit distributieve, procedurele, informationele en interpersoonlijke rechtvaardigheid.
Distributieve rechtvaardigheid
de waargenomen eerlijkheid van de hoeveelheid en verdeling van beloningen tussen individuen.
Procedurele rechtvaardigheid
de waargenomen eerlijkheid van het proces dat wordt gebruikt om de verdeling van beloningen te bepalen.
Informationele rechtvaardigheid
de mate waarin werknemers eerlijke en waarheidsgetrouwe uitleg krijgen over beslissingen.
Interpersoonlijke rechtvaardigheid
de mate waarin werknemers met waardigheid en respect worden behandeld.
Job Characteristics Model (JCM)
een model dat stelt dat elke baan kan worden beschreven aan de hand van vijf kernkenmerken die samen de motivatie, tevredenheid en prestaties van werknemers beïnvloeden.
skill variety
task identity
task significance,
autonomy
feedback