Wiskunde 3e Graad Dubbele Finaliteit - Examencommissie 2025/2026

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards dekken de kernbegrippen van de leerstof wiskunde voor de 3e graad dubbele finaliteit, inclusief analyse, kansrekenen en statistiek conform de vakfiche van 2025.

Last updated 3:10 PM on 7/7/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards

Mathematiseren

Het omzetten van een concreet probleem in wiskundetaal en wiskundige symbolen en uitdrukkingen.

2
New cards

Demathematiseren

Het terugvertalen van een wiskundige oplossing naar een antwoord op de oorspronkelijke concrete situatie.

3
New cards

Heuristieken

Oplossingsstrategieën zoals een schets maken, variabelen invoeren of patronen ontdekken om een probleem op te lossen.

4
New cards

Slim gissen (en missen)

Een heuristiek waarbij je schattingen maakt, deze test en vervolgens controleert of ze kloppen.

5
New cards

ICT-vaardigheid (Wiskunde)

Het gebruik van rekenapps en ICT om berekeningen uit te voeren, grafieken te tekenen en data te verwerken.

6
New cards

Wiskundig redeneren

Het beargumenteren van genomen redeneerstappen in wiskundige opgaven.

7
New cards

Vraagstuk

Een opgave die opgelost kan worden met de leerinhouden van een specifiek bijhorend hoofdstuk.

8
New cards

Probleem

Een opgave die niet gekoppeld is aan één specifiek hoofdstuk en waarbij je verschillende leerinhouden moet combineren.

9
New cards

Context-opgave

Een opgave die vertrekt vanuit een concrete of specifieke situatie uit de wereld rondom ons.

10
New cards

Abstracte opgave

Een opgave zonder context die zuiver wiskundig van aard is.

11
New cards

nn-de machtswortel

Het getal dat je tot de macht nn moet verheffen om het oorspronkelijke getal aa te krijgen.

12
New cards

Domein van an\sqrt[n]{a} (even nn)

De voorwaarde dat aa niet negatief mag zijn (a0a \geq 0).

13
New cards

Domein van an\sqrt[n]{a} (oneven nn)

De voorwaarde dat aa elk reëel getal mag zijn (aRa \in \mathbb{R}).

14
New cards

Rationale exponent

Een exponent die als een breuk pq\frac{p}{q} wordt geschreven, waarbij ap/q=apqa^{p/q} = \sqrt[q]{a^p}.

15
New cards

Logaritme

Beantwoordt de vraag: "Tot welke macht moet ik het grondtal aa verheffen om xx te krijgen?".

16
New cards

Natuurlijke logaritme (ln(x)\ln(x))

Een logaritme met het getal van Euler (ee) als grondtal.

17
New cards

Briggse logaritme (log(x)\log(x))

Een logaritme met het grondtal 1010.

18
New cards

Inverse relatie van logaritmen

loga(x)=y    ay=x\log_a(x) = y \iff a^y = x, wat betekent dat logaritmen de inverse zijn van machtsverheffing.

19
New cards

loga(xy)\log_a(x \cdot y)

loga(x)+loga(y)\log_a(x) + \log_a(y) (Productregel voor logaritmen).

20
New cards

loga(xy)\log_a(\frac{x}{y})

loga(x)loga(y)\log_a(x) - \log_a(y) (Quotiëntregel voor logaritmen).

21
New cards

loga(xn)\log_a(x^n)

nloga(x)n \cdot \log_a(x) (Machtregel voor logaritmen).

22
New cards

loga(1)\log_a(1)

De waarde is altijd 00, ongeacht het grondtal aa.

23
New cards

loga(a)\log_a(a)

De waarde is altijd 11.

24
New cards

Domein van een functie

Het interval van alle mogelijke xx-waarden waarvoor een functiewaarde bestaat.

25
New cards

Bereik (Beeld) van een functie

Het interval van alle mogelijke uitvoerwaarden (yy-waarden) van een functie.

26
New cards

Nulwaarden

De xx-waarden waarbij de functiewaarde (yy) gelijk is aan nul.

27
New cards

Snijpunt met de y-as

Het punt op de grafiek waar de xx-waarde gelijk is aan 00.

28
New cards

Globaal maximum

De hoogste gedefinieerde yy-waarde van de gehele functie ff.

29
New cards

Lokaal minimum

Het laagste punt van een functie binnen een specifieke buurt.

30
New cards

Stijgende functie

Een functie waarbij de yy-waarde toeneemt als de xx toeneemt.

31
New cards

Constante stijging

Een verloop dat wordt voorgesteld door een rechte lijn met een positieve helling.

32
New cards

Toenemende stijging

Een verloop waarbij de helling steeds groter wordt en de grafiek steiler omhoog gaat.

33
New cards

Afnemende stijging

Een verloop waarbij de helling kleiner wordt en de grafiek afbuigt.

34
New cards

Tekenverloop

Een overzicht dat aangeeft voor welke xx-waarden de functie positief (y>0y > 0) of negatief (y<0y < 0) is.

35
New cards

Periodieke functie

Een functie die zichzelf herhaalt na een vaste afstand.

36
New cards

Periode

De afstand op de horizontale as waarna een periodieke functie zich herhaalt.

37
New cards

Verticale asymptoot

Een lijn x=ax = a waar de grafiek van een functie naar oneindig gaat zonder deze ooit te raken.

38
New cards

Horizontale asymptoot

De lijn waar de grafiek naar toe gaat als xx naar ++\infty of -\infty gaat.

39
New cards

Even functie

Een functie die voldoet aan f(x)=f(x)f(-x) = f(x) en symmetrisch is ten opzichte van de yy-as.

40
New cards

Oneven functie

Een functie die voldoet aan f(x)=f(x)f(-x) = -f(x) en symmetrisch is ten opzichte van de oorsprong.

41
New cards

Gedrag op oneindig

De beschrijving van wat er met de functiewaarden gebeurt als de xx-waarden zeer groot of zeer klein worden.

42
New cards

Differentiequotiënt

De gemiddelde verandering van een functie f(x)f(x) over een bepaald interval [x1,x2][x_1, x_2].

43
New cards

Grafische betekenis differentiequotiënt

De helling van de verbindingslijn (secant) door de punten (x1,f(x1))(x_1, f(x_1)) en (x2,f(x2))(x_2, f(x_2)).

44
New cards

Richtingscoëfficiënt (rico)

De waarde aa in de vergelijking y=ax+by = ax + b, die aangeeft hoeveel de yy verandert als de xx met 11 toeneemt.

45
New cards

Secant

Een rechte lijn die een kromme snijdt in ten minste twee verschillende punten.

46
New cards

Betekenis van differentiequotiënt in context

De gemiddelde verandering van de onderzochte grootheid per eenheid van de horizontale as (bijv. m/s).

47
New cards

Standaard exponentiële functie

f(x)=axf(x) = a^x waarbij a>0a > 0 en a1a \neq 1.

48
New cards

Algemene exponentiële vorm

f(x)=bax+cf(x) = b \cdot a^x + c.

49
New cards

Parameter bb in bax+cb \cdot a^x + c

Bepaalt de verticale uitrekking of spiegeling van de exponentiële grafiek.

50
New cards

Parameter cc in bax+cb \cdot a^x + c

Verschuift de grafiek verticaal en bepaalt de horizontale asymptoot.

51
New cards

Groeifactor (aa) bij toename

a=1+P100a = 1 + \frac{P}{100}, waarbij PP het groeipercentage is.

52
New cards

Groeifactor (aa) bij afname

1P1001 - \frac{P}{100}, resulterend in een waarde tussen 00 en 11.

53
New cards

Lineair groeimodel

Een model waarbij de hoeveelheid per tijdseenheid met een vaste constante waarde toeneemt of afneemt (f(x)=ax+bf(x) = ax + b).

54
New cards

Exponentieel groeimodel

Een model waarbij de hoeveelheid per tijdseenheid toeneemt of afneemt met een vaste factor (f(x)=baxf(x) = b \cdot a^x).

55
New cards

Halveringstijd

De tijd die nodig is om de beginwaarde te halveren.

56
New cards

Verdubbelingstijd

De tijd die nodig is om de beginwaarde te verdubbelen.

57
New cards

Samengestelde interest

Een vorm van groei waarbij de rente over het totale kapitaal (inclusief eerdere rente) wordt berekend, wat leidt tot exponentiële groei.

58
New cards

Radioactief verval

Een proces van exponentiële afname waarbij de hoeveelheid van een stof over tijd afneemt.

59
New cards

Uitkomst (Kansrekenen)

Eén mogelijke afloop van een toevalsproef, zoals het getal 33 bij een dobbelsteen.

60
New cards

Uitkomstenverzameling (UU)

De set van alle mogelijke uitkomsten van een experiment.

61
New cards

Gebeurtenis

Een verzameling van uitkomsten met een gemeenschappelijk kenmerk.

62
New cards

Wet van Laplace

Kans op een gebeurtenis P(A)=aantal gunstige uitkomstentotaal aantal mogelijke uitkomstenP(A) = \frac{\text{aantal gunstige uitkomsten}}{\text{totaal aantal mogelijke uitkomsten}}, mits alle uitkomsten even waarschijnlijk zijn.

63
New cards

Kansboom (Boomdiagram)

Een stapsgewijze visuele voorstelling van mogelijke uitkomsten waarbij kansen langs takken worden vermenigvuldigd.

64
New cards

Relatieve frequentie

De verhouding tussen het aantal keren dat een gebeurtenis voorkomt en het totaal aantal waarnemingen.

65
New cards

Voorwaardelijke kans

De kans dat gebeurtenis AA plaatsvindt, gegeven dat gebeurtenis BB al is gebeurd.

66
New cards

Populatie

De volledige groep personen of objecten waarover je door statistisch onderzoek iets wilt concluderen.

67
New cards

Steekproef

De subset van de populatie die daadwerkelijk wordt geobserveerd of onderzocht.

68
New cards

Representativiteit

De mate waarin een steekproef een goede afspiegeling is van de gehele populatie.

69
New cards

Randomisatie (Aselect kiezen)

Het proces waarbij iedereen in de populatie een exact gelijke kans heeft om in de steekproef te zitten.

70
New cards

Vertekende steekproef (Bias)

Een steekproef die de populatie niet correct weerspiegelt, bijvoorbeeld door vrijwillige respons.

71
New cards

Vrijwillige respons

Een bron van bias waarbij alleen gemotiveerde mensen antwoorden, wat vaak leidt tot extreme meningen.

72
New cards

Opportunistische steekproef

Een steekproef die wordt samengesteld uit personen die toevallig makkelijk voorhanden zijn.

73
New cards

Correlatie (Samenhang)

De statistische relatie waarbij variabelen samen bewegen, zonder dat de een noodzakelijkerwijs de ander veroorzaakt.

74
New cards

Causaliteit

De relatie waarbij een verandering in variabele AA direct een verandering in variabele BB veroorzaakt.

75
New cards

Confounder (Verborgen variabele)

Een externe factor die beide onderzochte variabelen beïnvloedt en een schijnverband creëert.

76
New cards

Gerandomiseerde gecontroleerde proef (RCT)

Een onderzoeksmethode waarbij proefpersonen willekeurig over groepen worden verdeeld om causaliteit aan te tonen.

77
New cards

Normale verdeling

Een continu kansmodel dat wordt gekenmerkt door een symmetrische klokvorm, aangeduid als N(μ,σ)N(\mu, \sigma).

78
New cards

Gemiddelde (μ\mu)

Het centrum of het hoogste punt van de Gausskromme bij een normale verdeling.

79
New cards

Standaardafwijking (σ\sigma)

Een maatstaf voor de spreiding van de gegevens rond het gemiddelde in een verdeling.

80
New cards

Gausskromme

De grafische voorstelling van de dichtheidsfunctie van een normale verdeling.

81
New cards

Z-score (Gestandaardiseerde waarde)

Geeft aan hoeveel standaardafwijkingen een individuele waarneming afwijkt van het gemiddelde: Z=xμσZ = \frac{x - \mu}{\sigma}.

82
New cards

Empirische regel (Vuistregel)

Regels die de kansen binnen bepaalde intervallen rond het gemiddelde van een normale verdeling beschrijven.

83
New cards

68%68\%-regel

De regel dat ongeveer 68%68\% van de gegevens ligt tussen μσ\mu - \sigma en μ+σ\mu + \sigma.

84
New cards

99,7%99,7\%-regel

De regel dat bijna alle gegevens (99,7%99,7\%) liggen tussen μ3σ\mu - 3\sigma en μ+3σ\mu + 3\sigma.

85
New cards

Beperking van de vuistregels

De vuistregels zijn benaderingen en geen absolute wet; alleen van -\infty naar ++\infty is de kans 100%100\%.

86
New cards

Z-score = 0

De waarde waarbij een waarneming exact gelijk is aan het gemiddelde.

87
New cards

Zeldzame waarneming (Z-score)

Een waarneming met een Z-score kleiner dan 2-2 of groter dan 22, wat slechts bij 5%5\% van de gegevens voorkomt.

88
New cards

Sensitiviteit (in context van kans)

De mate waarin een test correct een aandoening identificeert bij personen die de aandoening hebben.

89
New cards

Specificiteit (in context van kans)

De mate waarin een test correct identificeert dat een persoon de aandoening niet heeft.

90
New cards

Kwantitatief discreet

Een variabele die in gehele aantallen kan worden geteld, zoals het aantal borden in een wasmachine.

91
New cards

Afgeleide functie

Een functie die de helling van de oorspronkelijke functie in elk punt beschrijft.

92
New cards

Raaklijn

Een lijn die een functie in een specifiek punt raakt en daar dezelfde helling heeft als de functie.

93
New cards

Evenwichtslijn (Goniometrie)

De horizontale lijn y=dy = d waar een sinusfunctie omheen schommelt.

94
New cards

Amplitude (Goniometrie)

De maximale uitwijking (aa) van een periodieke functie ten opzichte van de evenwichtslijn.

95
New cards

Getal van Euler (ee)

Een wiskundige constante, ongeveer gelijk aan 2,7182,718, gebruikt als grondtal voor natuurlijke logaritmen.

96
New cards

Puntspiegeling

Een symmetrie ten opzichte van de oorsprong (0,0)(0,0), kenmerkend voor oneven functies.

97
New cards

Lijnsymmetrie

Symmetrie ten opzichte van een rechte lijn, zoals de yy-as bij even functies.

98
New cards

Vast patroon (Lineair)

In een tabel nemen de hoeveelheden toe met een constant verschil (bijv. telkens +2+2).

99
New cards

Vaste factor (Exponentieel)

In een tabel nemen de waarden toe met een constante groeifactor (bijv. telkens ×2\times 2).

100
New cards

Schrijftablet

Een hulpmiddel tijdens het examen om antwoorden met een digitale pen op het scherm te noteren.