M&S: Hoofdstuk 10

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/64

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:43 PM on 8/4/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

65 Terms

1
New cards

Wat is een constituent?

Een woordgroep met een bepaalde vorm; je kijkt naar de interne structuur.

2
New cards

Waarop let je bij een constituent?

Op de interne structuur.

3
New cards

Wat is een zinsdeel?

Een woordgroep met een functie in de zin; je kijkt naar de externe structuur.

4
New cards

Waarop let je bij een zinsdeel?

Op de externe structuur.

5
New cards

Wat is valentie?

De combinatievereisten die voortvloeien uit de betekenis van het werkwoord of het gezegde.

6
New cards

Welke twee soorten gezegden zijn er?

Werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde.

7
New cards

Wat is een idiomatische verbinding?

Een verbinding met een niet-compositionele, figuurlijke betekenis.

8
New cards

Wat zijn quantificationele voornaamwoorden?

Voornaamwoorden zoals iemand en iets die als plaatsvervangers in de zin fungeren.

9
New cards

Wat is een paradigma?

Een reeks van vervangbare of gelijkwaardige elementen.

10
New cards

Wat is een paradigmatische relatie?

Een relatie tussen vervangbare of gelijkwaardige elementen.

11
New cards

Wat is een syntagmatische relatie?

Een relatie die betrekking heeft op de verplaatsbaarheid van elementen in de zin.

12
New cards

Wat is nulplaatsige valentie?

Valentie zonder participanten; onpersoonlijke constructies.

13
New cards

Wat is eenplaatsige valentie?

Valentie met één participant; typisch intransitieve werkwoorden zonder lijdend voorwerp.

14
New cards

Wat is tweeplaatsige valentie?

Valentie met twee participanten.

15
New cards

Welke soorten werkwoorden kunnen tweeplaatsige valentie hebben?

Transitieve, intransitieve (met PP) en pseudotransitieve werkwoorden.

16
New cards

Hoe ziet tweeplaatsige valentie eruit bij een transitief werkwoord?

Het werkwoord vereist een lijdend voorwerp.

17
New cards

Hoe ziet tweeplaatsige valentie eruit bij een intransitief werkwoord?

Er is geen lijdend voorwerp; de tweede participant wordt via een voorzetselgroep (PP) uitgedrukt.

18
New cards

Hoe ziet tweeplaatsige valentie eruit bij een pseudotransitief werkwoord?

Het lijdend voorwerp is optioneel.

19
New cards

Wat is drieplaatsige valentie?

Valentie met drie participanten.

20
New cards

Hoe ziet drieplaatsige valentie eruit bij een transitief werkwoord?

Onderwerp (NP) + twee voorwerpen (NP).

21
New cards

Hoe ziet drieplaatsige valentie eruit bij een ditransitief werkwoord?

Onderwerp (NP) + lijdend voorwerp (NP) + voorzetselgroep (PP).

22
New cards

Wat zijn thematische rollen?

De semantische rollen van participanten in een handeling.

23
New cards

Welke thematische rollen behoren tot de actieve participanten?

Agens, instrument en kracht.

24
New cards

Welke thematische rollen behoren tot de passieve participanten?

Patiens en thema.

25
New cards

Welke thematische rollen behoren tot de derde betrokken partij?

Ondervinder, ontvanger en belanghebbende.

26
New cards

Welke bijkomende thematische rollen bestaan er?

Doel, plaats, richting, wijze, duur en maat.

27
New cards

Wat is een agens?

De persoon die bewust en uit eigen wil een handeling uitvoert.

28
New cards

Geef een voorbeeld van een agens.

de kinderen

29
New cards

Wat is een instrument?

Een niet-menselijk element dat door de agens gebruikt wordt om een handeling uit te voeren.

30
New cards

Geef een voorbeeld van een instrument.

de hamer

31
New cards

Wat is een kracht?

Een niet-levend element dat een handeling veroorzaakt zonder controle door een agens.

32
New cards

Geef een voorbeeld van een kracht.

een vulkaanuitbarsting

33
New cards

Wat is een patiens?

Een passieve participant die een handeling ondergaat en daardoor van toestand verandert.

34
New cards

Geef een voorbeeld van een patiens.

de burcht werd verwoest

35
New cards

Wat is een thema?

Een passieve participant die een handeling ondergaat zonder wezenlijk te veranderen.

36
New cards

Geef een voorbeeld van een thema.

de jassen werden aan de kapstok gehangen

37
New cards

Wat is een ondervinder?

Een levend wezen dat door een handeling een interne toestand ervaart zonder van toestand te veranderen.

38
New cards

Geef een voorbeeld van een ondervinder.

De juiste woorden schoten hem niet te binnen.

39
New cards

Wat is een ontvanger?

De persoon die een thema ontvangt.

40
New cards

Geef een voorbeeld van een ontvanger.

Ze gaven ons een mooi geschenk.

41
New cards

Wat is een belanghebbende?

Een levend wezen dat voordeel ondervindt van een handeling.

42
New cards

Geef een voorbeeld van een belanghebbende.

Schenk me nog een kopje koffie in.

43
New cards

Welke rollen zijn meestal bijwoordelijke bepalingen?

Doel, plaats, richting, wijze, duur en maat.

44
New cards

Zijn doel, plaats, richting, wijze, duur en maat meestal essentieel?

Nee, ongeveer 95% zijn niet-essentiële bijwoordelijke bepalingen.

45
New cards

Welke drie types paradigma's bestaan er?

Type I, type II en type III.

46
New cards

Waaruit bestaat type I-paradigma?

Persoon en zaak.

47
New cards

Waaruit bestaat type II-paradigma?

Tijd en plaats.

48
New cards

Waaruit bestaat type III-paradigma?

Wijze, graad, duur, frequentie en kwantiteit.

49
New cards

Wanneer is een zinsdeel essentieel?

Als het tot het valentieschema behoort.

50
New cards

Wat betekent weglaatbaar?

Dat een zinsdeel kan worden weggelaten zonder dat de zin ongrammaticaal wordt.

51
New cards

Wat betekent proportioneel?

Dat een zinsdeel vervangen kan worden door een element van minimale referentialiteit.

52
New cards

Wat is het voorveld?

De positie links van de eerste pool in het tweepolenschema.

53
New cards

Welke proef gebruik je voor het voorveld?

De eenzinsdeelproef.

54
New cards

Wat is het middenveld?

Het grootste en meest flexibele deel van de zin.

55
New cards

Hoe kan het middenveld worden onderverdeeld?

In MV1, MV2 en MV3.

56
New cards

Waar staan inherente elementen bij voorkeur?

Op MV3.

57
New cards

Wat is het achterveld?

De positie waar onder andere voorzetselgroepen (PP's) naartoe kunnen verplaatsen.

58
New cards

Hoe heet de verplaatsing van een PP naar het achterveld?

Extrapositie.

59
New cards

Wat is het tegenovergestelde van extrapositie?

Topicalisatie.

60
New cards

Wat zijn perifere posities?

Marginale posities vóór of na de eigenlijke zin.

61
New cards

Welke perifere posities bestaan er?

Aanloop en uitloop.

62
New cards

Wat is de aanloop?

Een perifere positie vóór de zin die gebruikt wordt als oplossing wanneer een element niet goed in het voorveld past.

63
New cards

Kunnen alle elementen in het voorveld staan?

Nee.

64
New cards

Waarom staat 'kortom' vaak in de aanloop?

Omdat het geen proportioneel bijwoord is en een samenvatting of conclusie van de spreker inleidt.

65
New cards

Waarom wordt 'kortom' niet getopicaliseerd naar het voorveld?

Omdat topicalisatie nadruk geeft aan zinsdelen, terwijl 'kortom' een sprekerscommentaar is; de aanloop is daarom de geschikte positie.