1/11
In deze flashcards vindt u belangrijke begrippen die voorkwamen in les 4 Geschiedenis Memoria 4.2. Dit betekent ook dat sommige begrippen niet veralgemeent mogen worden, omdat ze alleen in de context van de les passen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
|---|
No study sessions yet.
Standensamenleving
Mensen werden ingedeeld in drie standen: de clerus (geestelijkheid), de adel en de derde stand. De stand waartoe je behoorde, bepaalde je rechten en plichten. De standensamenleving werd gekenmerkt door grote sociale ongelijkheid.
Bevoorrecht
Geprivilegieerd. De clerus en de adel waren bevoorrecht (bv. Minder belasting betalen).
Sociale mobiliteit
Opklimmen op de sociale ladder.
Roerend vermogen
geld, kapitaal
Ambtsadel
De vorst beloonde zijn trouwste hoge ambtenaren door hen in de adelstand te verheffen. Zo ontstond de ambtsadel.
Urbanisatie
Verstedelijking
Urban graveyard-effect
Vertaalt: Begraafplaats effect.
Voor 1800 lag de gemiddelde levensverwachting in Europa de helft hoger op het platteland dan in de steden. Als gevold dat deze lage levensverwachting dreigde de stadsbevolking te krimpen.
Pushfactor
‘Weggeduwd worden’ van je oorspronkelijke woonplaats. (vb. Ziekte die in de stad rond gaat)
Pullfactor
‘Getrokken worden’ naar een andere woonplaats wegens voordelige factoren. (vb. Je moet minder belastingen betalen in die stad).
Poorten
Historische benaming voor een burger die zich het recht had verworven binnen de poorten van een plaats (stad) met stadsrechten te wonen en die bijzondere politieke en economische rechten genoot. Hij had bijvoorbeeld het recht om lid te worden van een gild en kwam in aanmerking voor een bestuurlijke functie.
Patriarchale orde
Mannen domineerden de samenleving.
Begijnhof
een verzameling van individuele of gemeenschappelijke woningen van begijnen in de nabijheid van een kapel of kerk en al dan niet omgeven door een muur met een of meerder toegangspoorten.