1/242
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat kregen planten al mee van de groenwieren (Charofyten) vóór de splitsing (470 mya), op vlak van celorganellen en celwand?
Mitochondriën en chloroplasten met chlorofyl a/b (ontstaan door endosymbiose van een protobacterium en een cyanobacterie) →
fotosynthese en koolstofassimilatie mogelijk
celwanden met cellulose
meercellige, vertakte structuren
Welke voortplantings- en groei-eigenschappen hadden groenwieren al vóór de splitsing met planten?
Gametangia (met gameten, vergelijkbaar met antheridia ♂/archegonia ♀ van mossen/varens); sommige al sporen maar via mitose i.p.v. meiose gevormd (bv. kranswieren)
sommige al apicale meristemen
plantenhormonen (bv. auxine)
Wanneer ontstonden de Embryophytae (landplanten), en welke aanpassingen aan het landleven ontwikkelden (sommige) Bryophyta?
425 mya; sporopollenine (polymeerlaag tegen uitdroging van sporen), stomata (al bij sommige levermossen), cuticula (waslaagje epidermis), alternerende multicellulaire generaties
Wat is het fundamentele verschil in levenscyclus tussen groenwieren en planten, en waar komt de naam Embryophyta vandaan?
Groenwieren: haplobionte cyclus (enkel haploïde gametofyt meercellig)
planten: dibionte cyclus (haploïde gametofyt én diploïde sporofyt meercellig)
meercellige embryo's ontwikkelen uit zygoten (2n) in de vrouwelijke gametofyt → naam Embryophyta
Hoe nemen bryofyten water en nutriënten op, en wat missen ze nog t.o.v. vaatplanten?
Via diffusie door de epidermis (rhizoïden dienen enkel voor verankering)
sommige mossen hebben al hydroïde (watergeleiding) en leptoïde (voedingsstoftransport) cellen, maar missen nog echte vaatbundels en lignine-bevattende celwanden
Wanneer ontstonden de Tracheophyta (vaatplanten), wat zijn hun twee kenmerkende weefsels, en wat is het oudste fossiel hiermee?
360 mya; vaatbundels (xyleem + floëem) en lignine in de celwanden, waardoor ze veel hoger konden groeien dan bryofyten
oudste fossiel: Cooksonia (fam. Rhyniaceae, 410 mya)
Welke twee groepen zaadloze vaatplanten zijn er, en welk type xyleemcellen hebben zij in vergelijking met angiospermen?
Lycophyta (wolfsklauwen, selaginella's) en Monilophyta (varens, paardenstaarten)
zij hebben enkel tracheïden, angiospermen hebben daarnaast ook houtvaten (vessels)
Wat zijn protostele, siphonostele en eustele, en bij welke planten komen ze voor?
Protostele: massieve kern van vaatbundels (vroegste vaatplanten)
siphonostele: merg omringd door vasculair weefsel (meeste zaadloze planten)
eustele: rechtstreeks voortgekomen uit de protostele (angiospermen)
Wat zijn microfyllen en megafyllen, en hoe vaak zijn megafyllen onafhankelijk van elkaar ontstaan?
Microfyllen: naaldachtige bladeren uit de protostele (wolfsklauwen)
megafyllen: grotere, complexere bladeren uit de siphono- of eustele (alle andere vaatplanten)
minstens 3x onafhankelijk ontstaan (varens, paardenstaarten, zaadplanten) door fusie van takken met plat weefsel ertussen
Hoe verschoof de dominantie tussen gametofyt en sporofyt tijdens de evolutie van vaatplanten?
Bij vroege vaatplanten was de gametofyt relatief groot en altijd onafhankelijk (bij de meeste varens vrij-levend en foto-autotroof)
gedurende de evolutie werd de sporofyt de vrij-levende, dominante generatie, vertakt met meerdere sporangia (verschil met bryofyten)
Wat maakte groei in de hoogte mogelijk in het Devoon/Carboon, en wat waren de gevolgen voor de atmosfeer en later voor de wouden?
Vaatbundels (secundaire diktegroei) + lignine → uitgestrekte wouden van reuze-wolfsklauwen/-varens/-paardenstaarten
sterke toename fotosynthese deed CO2 dalen en O2 pieken (C opgeslagen in de grond)
eind Paleozoïcum verdwenen deze boomvormen door toenemende tropische droogte
Wat zijn de belangrijkste aanpassingen van zaadplanten, en wat zijn de voordelen van een zaad en stuifmeelkorrels?
Zaden en stuifmeelkorrels (pollen)
een zaad laat het embryo lang overleven onder ongunstige omstandigheden en geeft het een voedselvoorraad mee
zaden/pollen maken planten mobiel, en pollen maakt bevruchting zonder water mogelijk
Wat is een zaadknop (ovule), wat bevat hij, en hoeveel integumenten hebben gymnospermen/angiospermen?
Structuur uniek voor zaadplanten waarin zaden gevormd worden
bevat een haploïde megaspore (n) in een diploïd megasporangium (2n), omgeven door een integument
gymnospermen hebben 1 integument, angiospermen 2
Wat is het verschil tussen naaktzadigen en bedektzadigen?
Naaktzadigen (gymnospermen): zaden niet ingesloten in een vrucht (naakt in een kegel)
bedektzadigen (angiospermen): zaden wél ingesloten in een vrucht
Vanaf wanneer bestaan gymnospermen, welke vier fyla telt deze groep, en welke aanpassingen aan droogte hebben ze?
Vanaf 300 mya
Cycadophyta (palmvarens), Ginkgophyta (Ginkgo biloba), Gnetophyta (3 geslachten, al entomogamie/nectar bij sommige soorten) en Coniferophyta (evt. Pinaceae apart fylum?)
naaldvormige bladeren met dikke cuticula, verzonken stomata, watertransport via tracheïden en secundaire groei (stevig hout, hoogte)
Hoe verlopen zaadontwikkeling en -verspreiding bij gymnospermen (coniferen), en welke nieuwe symbiose ontstond bij deze groep?
Zaad ontwikkelt zich in kegels en kan 1-2 jaar duren
stuifmeel wordt via de wind verspreid, zaden via wind of dieren
nieuwe symbiose: ectomycorrhizae (ECM) - in tegenstelling tot AM dringen ECM-schimmels niet de wortel binnen (vermoedelijk 3 evolutiegolven van mycorrhiza)
Vanaf wanneer bestaan angiospermen, en wat zijn hun vier belangrijkste vernieuwingen?
Vanaf 300 mya
houtvaten (vessels) in het xyleem, zeefvaten met begeleidende cellen in het floëem (transport van organische voedingsstoffen zoals sucrose)
bloemen
vruchten
dubbele bevruchting (waarbij twee spermacellen betrokken zijn)
Wat zijn de drie grove groepen angiospermen, en waarmee ging hun snelle radiatie gepaard?
Vroege angiospermen, monocotylen en eudicotylen
co-evolutie met bestuivers en andere levensvormen, vooral via de evolutie van de bloem (plesiomorfe → apomorfe kenmerken)
Door welke drie soorten interacties/variaties ontstond soortvorming bij angiospermen?
Interacties van planten met andere organismen (bv. bloem-bestuiver, voor beide partijen)
variatie in vruchten en hun interacties met andere organismen
variatie in secundaire plantenstoffen die herbivorie sterk beïnvloeden
Hoe en waar ontstonden C4- en CAM-fotosynthese binnen de angiospermen?
Via convergente evolutie (meerdere keren onafhankelijk van elkaar)
C4 o.a. bij Poales (grassen/cypergrassen) en Caryophyllales (succulenten)
CAM vooral bij Crassulaceae, Bromeliaceae en Orchidaceae (ezelsbruggetje: BrOrchiCras)
Welke nieuwe symbioses (mycorrhiza en bacterieel) ontstonden bij angiospermen?
Familiespecifieke ericoïde en orchid mycorrhiza
N2-fixerende symbioses met Rhizobia- en Frankia-bacteriën
Welke clades/orden vormen de ANA-grade en de Magnoliiden?
ANA-grade (oerbedektzadigen): Amborellales, Nymphaeales, Austrobaileyales
Magnoliiden: Magnoliales, Laurales, Piperales
Welke families horen bij de 'primitieve dicotylen' (3 F's) en de 'geavanceerde dicotylen'?
Primitief: Papaveraceae, Ranunculaceae, (Proteaceae, Buxaceae)
Geavanceerd: Caryophyllaceae, Polygonaceae, Cactaceae, Droseraceae, Crassulaceae, (Santalaceae, Amaranthaceae)
Wat is arbusculaire mycorrhiza (AM), en waarvan hangt de hoeveelheid opgenomen nutriënten af?
Schimmels in symbiose met ±80% van alle plantensoorten: ze groeien in en om de wortels en leveren nutriënten (zoals nitraat en fosfaat) en water in ruil voor suikers
hoe groter het mycelium (netwerk van hyfen), hoe meer nutriënten de plant kan opnemen
Wat gebeurt er tijdens de lichtreacties, en wat zijn de producten en het bijproduct?
Omzetting van lichtenergie in chemische energie
producten: ATP en NADPH; bijproduct: O2 (energie komt vooral uit het paars/blauwe en rode deel van het zichtbare licht, 380-750 nm)
Welke pigmenten absorberen lichtenergie, en wat gebeurt er daarmee tot in het reactiecentrum?
Chlorofyl a/b en carotenen
hun elektronen raken geëxciteerd, en de excitatie-energie wordt snel doorgegeven aan naburige pigmenten tot bij de doelwitpigmenten in het reactiecentrum, die het elektron doorgeven aan de primary electron acceptor
Hoe zijn PS II en PS I aan elkaar gekoppeld, en hoe worden hun 'verdwenen' elektronen vervangen?
PS II gaat vooraf aan PS I; elektronen van PS II worden via het cytochroomcomplex doorgegeven aan PS I (bij P700)
de verdwenen elektronen in P680 (PS II) worden vervangen door elektronen uit H2O, dat wordt omgezet in 2H+ en ½ O2
Hoe ontstaan ATP en NADPH tijdens de lichtreacties, en waarvoor worden ze gebruikt?
De energie uit de elektronentransportketen pompt protonen (H+) naar het thylakoïdlumen
deze stromen passief via ATP-synthase terug naar buiten → ATP
het aangeslagen elektron van PS I vormt via een tweede transportketen NADPH
beide worden gebruikt in de Calvin-cyclus
Wat is Cyclic Electron Flow (CEF), waar komt het voor, en wat wordt er wel/niet gevormd?
Elektronen van PS I maken een 'short-cut' via het cytochroomcomplex i.p.v. NADPH te vormen
komt voor bij fotosynthetische bacteriën (enkel PS I) en bv. in vaatbundel-begeleidende cellen van C4-planten
wel ATP-vorming, maar geen NADPH of O2
Wat is koolstofassimilatie (donkerreactie), en wat is de standaardvariant hiervan?
De chemische energie uit ATP en NADPH wordt gebruikt om suikers (CH2O-verbindingen) te produceren
de standaardvariant is het C3-mechanisme (Calvin-cyclus), waarbij CO2 wordt omgezet tot glyceraldehyde-3-fosfaat (G3P)
Hoeveel rondes/CO2-moleculen zijn nodig voor de netto synthese van 1 G3P, en wat zijn de drie fases van de Calvin-cyclus?
3 rondes met 3 gefixeerde CO2-moleculen
fase 1 koolstoffixatie: Rubisco katalyseert de fixatie van CO2, wat resulteert in 3-fosfoglyceraat (PGA), een verbinding met 3 C-atomen (vandaar C3-fotosynthese)
fase 2 reductie: PGA wordt met behulp van ATP en NADPH gereduceerd tot G3P; vergelijkbaar met de omgekeerde glycolyse (ademhaling), maar met NADPH in plaats van NADH
fase 3 regeneratie: Uit 5 moleculen G3P (3C) wordt met 10 enzymen en 3 ATP weer 3 RuBP (5C) geregenereerd
Wat bepaalt C-assimilatie bij weinig vs. veel licht (light response curve), en wat zijn Rd en Amax?
Bij weinig licht wordt C-assimilatie gelimiteerd door licht; bij veel licht door CO2-diffusie in het blad en de carboxylatiesnelheid
Rd = C-kosten van de ademhaling in het donker, Amax = maximale C-assimilatiesnelheid
beide hangen af van de lichtomstandigheden waarin de plant is opgegroeid
Hoe verschillen zon- en schaduwbladeren in hun aanpassing aan lichtomstandigheden?
Zonbladeren investeren meer stikstof in Calvin-cyclus-enzymen (ATPase, Rubisco, …) om de FS-capaciteit te maximaliseren
schaduwbladeren hebben een hoge lichtopvangcapaciteit maar een lage carboxylatiecapaciteit om lichtbeperking te minimaliseren
Hoe kunnen CO2-fixatie en de Calvin-cyclus bij C4-planten ruimtelijk gescheiden zijn, en is dit altijd tussen twee celtypes?
Meestal in verschillende celtypes (mesofylcellen vs. vaatbundelcellen)
het kan ook binnen één cel (bv. Bienertia, Suaeda) met twee types chloroplasten met verschillende enzymen
Hoe verschilt de netto C-assimilatie van C3- en C4-planten bij lage CO2- en bij hele lage O2-concentraties in het blad?
Bij lage CO2: C4-planten hebben een veel hogere netto C-assimilatie dan C3-planten (door fotorespiratie-inefficiëntie bij C3)
bij hele lage O2: het verschil wordt kleiner en C3-planten worden dominanter (mede door stijgende atmosferische CO2)
Wat is de quantum yield (QY), en hoe verhouden C3- en C4-planten zich hierin bij hoge temperatuur en in energiekosten?
De helling van de light response curve bij laag lichtaanbod
bij >30°C is QY C4 > QY C3 (C4 onafhankelijk van O2-concentratie, C3 wel gevoelig door fotorespiratie)
C4 kost meer ATP per CO2 (5 vs. 3) → lagere maximale QY, wat gecompenseerd wordt door minder verlies via fotorespiratie bij hogere temperaturen
Wat is CAM, bij welke planten komt het voor, en wat is het verschil met C4 qua scheiding van CO2-fixatie en Calvin-cyclus?
Crassulacean Acid Metabolism, bij succulenten uit (semi)droge streken en epifyten uit subtropische streken
bij CAM zijn C4-fixatie en de Calvin-cyclus in de tijd gescheiden (i.p.v. in de ruimte zoals bij C4)
Hoe verloopt de dag/nacht-cyclus van CAM-planten?
's Nachts staan de stomata open en wordt CO2 vastgelegd in organische zuren (malaat) in vacuolen
overdag zijn de stomata dicht en komt CO2 weer vrij (decarboxylatie) om de Calvin-cyclus in te gaan
Wat hebben C4 en CAM gemeen qua evolutie, en wat is het verschil tussen Rubisco en PEP carboxylase qua isotopen?
Beide zijn aanpassingen aan droge/warme omstandigheden en voorbeelden van convergente evolutie
Rubisco (C3) discrimineert tegen het zware isotoop 13C, PEP carboxylase (C4) niet, waardoor C4-planten zowel 12C als 13C assimileren
Hoe verhoudt het waterverbruik van C4- t.o.v. C3-planten zich per eenheid C-assimilatie, en wat is stomatale geleidbaarheid?
C4-planten verbruiken minder water per eenheid C-assimilatie, door een lagere stomatale geleidbaarheid (= de snelheid waarmee CO2 en H2O het blad in en uit gaan via de stomata) bij gelijke C-assimilatie
Wat is een belangrijk structuurkenmerk van het watermolecuul, en wat zijn de twee strategieën van watergebruik bij planten?
Het watermolecuul is sterk polair, met waterstofbruggen tussen H2O-moleculen die belangrijk zijn voor o.a. watertransport
homoiohydrische planten zijn niet tolerant voor uitdroging, poikilohydrische planten wél
Wat bepaalt de richting van watertransport in planten (waterpotentiaal), en uit welke drie componenten bestaat deze?
Water verplaatst zich van een hoge naar een lage waterpotentiaal (Ψ)
Ψ = ΨS (osmotische component, verschillen in opgeloste stoffen) + ΨP (drukcomponent, hydrostatische druk) + ΨG (zwaartekracht, op celniveau meestal verwaarloosd)
Ψ van zuiver water bij atmosferische druk en 25°C = 0 MPa
Hoe verloopt watertransport door de plant via bulk flow, en welke twee krachten houden het watermoleculennetwerk samen?
Water stroomt passief van bodem tot boven in de plant langs de waterpotentiaalgradiënt
cohesiekracht (waterstofbruggen) houdt watermoleculen onderling samen, adhesiekracht houdt ze vast aan de celwanden
Wat is de matrixpotentiaal van de bodem, en hoe hangt deze af van de bodemdeeltjesgrootte?
Ψm = -2T/r (T = oppervlaktespanning van water, constant; r = kromtestraal van het water rond een bodemdeeltje)
hoe kleiner het bodemdeeltje, hoe krommer de waterfilm en hoe sterker het water gebonden is → klei en leem binden meer water dan zand (grovere korrel)
ook: hoe minder water in de bodem, hoe sterker het gebonden is en hoe meer diffusie afneemt
Wat zijn de drie drempelwaardes om de waterbeschikbaarheid van de bodem te karakteriseren?
Hygroscopisch gebonden water: < -5 MPa
Permanent Wilting Point (PWP, de bodemwaterpotentiaal waarbij de plant transpiratieverlies niet meer kan aanvullen): -1,5 MPa voor veel voedselgewassen
Veldcapaciteit (water dat niet meer wordt vastgehouden en uit de bodem wordt afgevoerd): -0,05 MPa
Waarom is water op leembodems minder beschikbaar dan op zandgronden bij weinig regenval?
Op leembodems is water te sterk gebonden aan de kleine bodemdeeltjes (sterke kromming, lage matrixpotentiaal)
zandgronden hebben grotere korrels, dus een kleinere kromming en matrixpotentiaal, waardoor grondwater wél beschikbaar blijft
Waar wordt water vooral opgenomen door de wortel, en waarom niet door oudere worteldelen?
Vooral in de root tips
oudere worteldelen hebben suberine in de exodermis en zijn niet waterdoorlatend (wortels 'exploiteren' de bodem dus vooral aan hun uiteinden voor water en mineralen)
Wat zijn aquaporinen, en hoe worden ze gereguleerd?
Membraaneiwitten die het transport van water door membranen versnellen
ze worden geopend door fosforylering (met ATP) en sluiten bij droogte en hoge cytoplasma-pH
Waarom komt variatie in worteldiepte vaak voor tussen plantensoorten, en hoe wordt de waterbron van een plant bepaald?
Variatie in worteldiepte is een belangrijke reden waarom plantensoorten naast elkaar kunnen voorkomen (nichedifferentiatie)
stabiele isotopen van H en O worden gebruikt om de bron van het opgenomen water in te schatten
Wat zijn tracheïden, en hoe zijn ze qua afmeting en onderlinge verbinding kenmerkend?
Vaatcellen van vaatplanten, verbonden via stippels (pit pores)
1-10 mm lang, 10-80 μm in doorsnede
Wat zijn houtvaten (vessels), en hoe verschillen ze van tracheïden qua afmeting en verbinding?
Vaatcellen van angiospermen, verbonden via perforatietussenschotten (enkelvoudig, laddervormig of netvormig) tot lange buizenstelsels
1 cm tot meer dan 10 m lang, 20-700 μm in doorsnede
Hoe is het xyleemnetwerk georganiseerd, en waarvan hangt de xyleemgeleidbaarheid af?
Xyleemvaten vormen een netwerk van onderling verbonden buizen (niet parallel van wortel naar scheut zoals in het Da Vinci-model)
de stroomsnelheid hangt sterk af van de straal van de vaatcellen (1 houtvat van 40 μm = 16 van 20 μm = 256 van 10 μm) en van ring-poreusheid (grotere diameter tracheïden/houtvaten in vroeghout dan in laathout)
Hoe verandert de vaatdiameter van wortels naar scheuten, en waarom?
De diameter neemt af
ruimere vaten in de lagere delen compenseren de weerstand en zwaartekracht over de weglengte, met als resultaat een constante geleidbaarheid over de hele route
Wat is cavitatie (embolie), en waarom is het risico groter bij houtvaten dan bij tracheïden?
Vorming van gasbellen in de waterkolom bij de overgang van waterfase naar gasfase, met verlies van geleiding tot gevolg
houtvaten hebben een hogere geleidbaarheid maar ook een groter cavitatierisico dan tracheïden (trade-off)
Wat is de eerste belangrijke drijvende kracht voor watertransport door de plant (curvatuur waterfilm)?
Verdampte waterdamp (via de stomata) wordt vervangen door verdamping uit de waterfilm rond de mesofylcellen
dit versterkt de buiging van de waterfilm rond de celwanden → hogere waterspanning/lagere waterpotentiaal, wat water aantrekt uit omliggende cellen, intercellulaire ruimtes en uiteindelijk het xyleem
Wat is de tweede drijvende kracht voor watertransport (xyleem-floëem)?
Suikers in de mesofylcellen rond het floëem zorgen voor een lagere osmotische potentiaal in het floëem dan in het xyleem, waardoor water van xyleem naar floëem stroomt
dit verlaagt de waterpotentiaal in het xyleem, wat bijdraagt aan het omhoogtrekken van water door datzelfde xyleem
Welke twee vormen van stomata bestaan er, en bij welke planten komen ze voor?
Niervormige stomata bij de meeste planten
Stomata met ondersteunende (hulp)cellen bij grassen, palmen en sommige andere monocotylen
Hoeveel procent van het waterverlies van een blad verloopt via de stomata, en hoe worden ze geopend/gesloten?
95%; de stomatale dichtheid is genetisch én door het milieu bepaald
het openen en sluiten verloopt via K+-ionen in de wachtercellen
Waarmee is stomatale geleidbaarheid sterk positief gecorreleerd, en met welk ander proces hangt dit samen?
Met de vochtigheid van de bodem (stomata openen bij vochtige omstandigheden)
er is ook een link met fotorespiratie
Wat is de efficiëntie van watergebruik, en hoe verhouden C3, C4 en CAM zich hierin?
De hoeveelheid C-assimilatie (biomassaproductie) per gebruikte eenheid water
CAM > C4 > C3 (bv. in de Sahel: meerjarige C4-grassen > eenjarige C4-grassen)
Wat gebeurt er bij milde versus aanhoudende droogtestress?
Milde stress remt celstrekking, celwandopbouw, eiwitsynthese, stomatale geleidbaarheid en fotosynthese
aanhoudende droogte leidt tot accumulatie van ABA en van opgeloste stoffen (osmolyten)
Welke drie belangrijke beperkingen voor plantengroei ontstaan er onder zoute omstandigheden?
Osmotische stress door een zeer lage waterpotentiaal bij watertekort
toxiciteit door overmatige opname van Na+ en Cl- ionen
onbalans in nutriënten (bv. Na/K) door verminderde opname en verstoorde distributie
Hoe stijgt de osmotische potentiaal van de bodem met het zoutgehalte, en wat kost het planten om zich hieraan aan te passen?
De osmotische potentiaal van de bodem stijgt naarmate het zoutgehalte toeneemt (op zilte bodems verwelken planten al bij relatief hoog bodemvochtgehalte)
investeringen in zoutaanpassingen (bv. 'includers': verhoging van ABA, aanmaak van proline of andere opgeloste stoffen) vergen hoge energetische kosten, wat groei en productiviteit vermindert
Hoeveel procent van de droge biomassa van planten is stikstof (t.o.v. andere hoofdelementen), en in welke vormen wordt stikstof opgenomen?
Stikstof (N): ±1,5% van de droge biomassa (C: 45%, O: 45%, H: 6%, K: 1%)
opname als NO3-, NH4+, aminozuren, N2 (via symbiose met bacteriën) en dierlijk N
Wat voorspelt de Nernst-vergelijking (vereenvoudigd) over passief ionentransport, en hoe verloopt dit in de praktijk?
Diffusie en ladingsverschil bepalen of anionen passief naar buiten en kationen passief naar binnen kunnen bewegen wanneer de membraanpotentiaal van de plant lager is dan de Nernst-vergelijking voorspelt
in de praktijk wordt enkel K+ passief getransporteerd, anionen (NO3-, Cl-, H2PO4-, SO42-) worden actief opgenomen en kationen (Na+, Mg2+, Ca2+) actief uit de cel geëxporteerd
Wat zijn de drie vormen van ionentransport door membranen, en welke ionen/verbindingen horen erbij?
Passief transport (met de elektrochemische gradiënt mee): diffusie door het membraan (traag) of via kanaaleiwitten (kationen als K+, Na+, Mg2+, Ca2+)
Secundair actief transport (tegen de gradiënt in, via carrier-eiwitten): anionen (NO3-, Cl-, H2PO4-, SO42-) en neutrale verbindingen (suikers)
Primair actief transport: (proton)pompen die een H+-gradiënt veroorzaken, kost ATP
Hoe volgt actief transport (via carriers) de Michaelis-Menten-vergelijking, en wat is Cmin?
Actief transport verzadigt bij Vmax
Planten hebben hoge- en lage-affiniteit transporteiwitten, waarvan de activiteit afhangt van de concentratie/beschikbaarheid van de opgeloste stof (bv. sucrose: bij lage concentratie actief via H+/sucrose-symport, bij hoge concentratie passief via een carrier)
Cmin is de laagste concentratie van een nutriënt die een plant nog kan opnemen, en varieert sterk tussen nutriënten, plantensoorten en milieuomstandigheden
Hoe bereiken nutriënten de wortels, en wat is een nutriëntendepletiezone?
Vooral via diffusie (NO3- diffundeert snel/mobiel, PO43- diffundeert traag/immobiel) en via mass flow
rond de wortels ontstaat een depletiezone van circa 0,2-2 mm, afhankelijk van de mobiliteit van het nutriënt in de bodem
Wat gebeurt er met de pH van de rhizosfeer bij opname van nitraat (NO3-) versus ammonium (NH4+)?
Opname van nitraat (anion) verhoogt de pH van de rhizosfeer
Opname van ammonium (kation) verlaagt de pH van de rhizosfeer
Via welke vier symporters wordt nitraat opgenomen, en waarvan hangt de opnamesnelheid af?
NRT 2.1 & 2.2 (hoge affiniteit, bij lage NO3--concentraties), NRT 1.2 (lage affiniteit, bij hoge concentraties) en NRT 1.1 (werkt over het hele concentratiebereik)
De fosforylering (en dus snelheid) van deze symporters hangt af van de NO3--concentratie in de bodem: hoe hoger de concentratie, hoe sneller de opname
Hoe verloopt de assimilatie van nitraat na opname, en welke competitie kan hierbij ontstaan?
NO3- wordt door nitraatreductase omgezet in NO2-, en vervolgens door nitrietreductase in NH4+
In bladeren kunnen hiervoor NADPH en ATP uit de lichtreacties geleverd worden, wat kan leiden tot competitie met CO2-assimilatie
Sommige planten doen dit al in de wortels, andere pas in de bladeren
Hoe wordt ammonium (NH4+) opgenomen, via welke transporteiwitten, en wanneer wordt het toxisch?
Vooral via passief transport, via lage- en hoge-affiniteit carriers zoals NH4-uniport (AMT1), NH3/H+-symport en het NH4/K-kanaal
Bij hoge concentratie kan NH4+ toxisch worden doordat het de H+-gradiënt verstoort
Uit welke bronnen kan NH4+ voor assimilatie afkomstig zijn, en welk enzym reguleert deze assimilatie?
Uit NH4-opname, N2-fixatie, nitraatreductie of fotorespiratie
De assimilatie wordt gereguleerd door glutaminesynthetase (onderdeel van de glutamaatsynthase-cyclus), waarbij vanuit glutamaat andere aminozuren gevormd worden
Wat is de derde vorm van stikstofopname naast nitraat en ammonium, en waarom is dit relevant voor co-existentie?
Opname van opgelost organisch N (bv. aminozuren) door sommige plantensoorten
Doordat planten verschillen in de N-vorm die ze opnemen, wordt co-existentie van verschillende soorten mogelijk
Hoe verhouden de energiekosten (ATP) van de verschillende stikstofvormen zich tot elkaar, en waarom kost nitraat het meest?
Algemeen: NO3- >> NH4+ > aminozuren (15 ATP voor NO3- tegenover 5 ATP voor NH4+)
Nitraat vergt actief transport bij opname (extra stap t.o.v. de passieve opname van NH4+) én extra kosten bij assimilatie (omzetting NO3- → NH4+ via nitraatreductase en nitrietreductase)
Met welke bacteriën gaan planten symbiotische N2-fixatie aan, waar vindt dit plaats, en wat wisselen plant en bacterie uit?
Rhizobia (o.a. Fabaceae), Frankia (verschillende families, o.a. zwarte els) en cyanobacteriën (sommige palmensoorten), in wortelknollen (nodules)
De plant krijgt N van de bacterie, de bacterie krijgt C-verbindingen van de plant, gekatalyseerd door het enzym nitrogenase
Hoeveel ATP kost symbiotische N2-fixatie per molecuul N2, en waarmee correleert dit sterk?
16 ATP per molecuul N2 (een duur proces)
Sterk negatief gecorreleerd met de N-beschikbaarheid in de bodem — planten doen dit dus alleen als het nodig is
Hoe verloopt het proces van nodulevorming, van contact tot volgroeide nodule?
Contact tussen plant en bacterie via flavonoïden (plant) en nod-factoren (bacterie)
nod-factoren leiden tot infectie van de wortelhaar en proliferatie van corticale wortelcellen
hieruit vormt zich een nodule, uiteindelijk bestaande uit sclerenchymcellen, bacteroïden en vasculair weefsel
Uit welke twee delen bestaat het nitrogenase-complex, en onder welke omstandigheden werkt het?
Een ijzer(Fe)-bevattend deel en een molybdeen(Mo)-bevattend deel
beide worden geïnactiveerd door O2, waardoor N2-fixatie enkel onder zuurstofarme omstandigheden plaatsvindt (N2 wordt omgezet naar NH3, dat snel in organische vormen wordt omgezet)