Most common irregular verbs

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/71

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:11 AM on 9/24/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

72 Terms

1
New cards

beginnen — begon, begonnen — is begonnen

begin, start

2
New cards

begrijpen — begreep, begrepen — begrepen

understand

3
New cards

bewegen — bewoog, bewogen — bewogen

move

4
New cards

bidden — bad, baden — gebeden

pray

5
New cards

bieden — bood, boden — geboden

offer

6
New cards

bijten — beet, beten — gebeten

bite

7
New cards

binden — bond, bonden — gebonden

tie

8
New cards

blazen — blies, bliezen — geblazen

blow

9
New cards

blijken — bleek, bleken — is gebleken

appear

10
New cards

blijven — bleef, bleven — is gebleven

stay, remain

11
New cards

breken — brak, braken — gebroken

break

12
New cards

brengen — bracht, brachten — gebracht

bring

13
New cards

buigen — boog, bogen — gebogen

bend

14
New cards

denken — dacht, dachten — gedacht

think

15
New cards

doen — deed, deden — gedaan

do

16
New cards

dragen — droeg, droegen — gedragen

carry, wear

17
New cards

drijven — dreef, dreven — gedreven

float

18
New cards

drinken — dronk, dronken — gedronken

drink

19
New cards

eten — at, aten — gegeten

eat

20
New cards

gaan - ging, gingen - is gegaan

go

21
New cards

gelden — gold, golden — gegolden

apply, be valid

22
New cards

geven — gaf, gaven — gegeven

give

23
New cards

grijpen — greep, grepen — gegrepen

grab

24
New cards

hangen — hing, hingen — gehangen

hang

25
New cards

hebben — had, hadden — gehad

have

26
New cards

helpen — hielp, hielpen — geholpen

help

27
New cards

heten — heette, heetten — geheten

be called

28
New cards

houden — hield, hielden — gehouden

hold

29
New cards

kiezen — koos, kozen — gekozen

choose

30
New cards

kijken — keek, keken — gekeken

look

31
New cards

klimmen — klom, klommen — (is) geklommen

climb

32
New cards

klinken — klonk, klonken — geklonken

sound

33
New cards

komen — kwam, kwamen — is gekomen

come

34
New cards

kopen — kocht, kochten — gekocht

buy

35
New cards

krijgen — kreeg, kregen — gekregen

get, receive

36
New cards

kunnen — kon, konden — gekund

be able

37
New cards

lachen — lachte, lachten — gelachen

laugh

38
New cards

laten — liet, lieten — gelaten

let

39
New cards

lezen — las, lazen — gelezen

read

40
New cards

liggen — lag, lagen — gelegen

lie

41
New cards

lijden — leed, leden — geleden

suffer

42
New cards

lijken — leek, leken — geleken

appear, seem

43
New cards

lopen — liep, liepen — (is) gelopen

walk

44
New cards

moeten — moest, moesten — gemoeten

must, should

45
New cards

mogen — mocht, mochten — gemogen

be allowed to

46
New cards

nemen (nam, namen) genomen

take

47
New cards

rijden — reed, reden — (is) gereden

ride, drive

48
New cards

roepen — riep, riepen — geroepen

call

49
New cards

ruiken — rook, roken — geroken

smell

50
New cards

schijnen — scheen, schenen — geschenen

shine, seem

51
New cards

schrijven — schreef, schreven — geschreven

write

52
New cards

schrikken — schrok, schrokken — is geschrokken

be shocked

53
New cards

slaan — sloeg, sloegen — geslagen

hit

54
New cards

slapen — sliep, sliepen — geslapen

sleep

55
New cards

sluiten — sloot, sloten — gesloten

close

56
New cards

snijden — sneed, sneden — gesneden

cut

57
New cards

spreken — sprak, spraken — gesproken

speak

58
New cards

staan — stond, stonden — gestaan

stand

59
New cards

stelen — stal, stalen — gestolen

steal

60
New cards

vallen — viel, vielen — is gevallen

fall

61
New cards

vergeten — vergat, vergaten — (is) vergeten

forget

62
New cards

verliezen — verloor, verloren — verloren

lose

63
New cards

vinden — vond, vonden — gevonden

find

64
New cards

vragen — vroeg, vroegen — gevraagd

ask

65
New cards

weten — wist, wisten — geweten

know

66
New cards

willen — wilde / wou, wilden — gewild

want

67
New cards

worden — werd, werden — is geworden

become

68
New cards

zeggen — zei, zeiden — gezegd

say

69
New cards

zien — zag, zagen — gezien

see

70
New cards

zijn — was, waren — is geweest

be

71
New cards

zitten — zat, zaten — gezeten

sit

72
New cards

zoeken — zocht, zochten — gezocht

search, look