1/71
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
beginnen — begon, begonnen — is begonnen
begin, start
begrijpen — begreep, begrepen — begrepen
understand
bewegen — bewoog, bewogen — bewogen
move
bidden — bad, baden — gebeden
pray
bieden — bood, boden — geboden
offer
bijten — beet, beten — gebeten
bite
binden — bond, bonden — gebonden
tie
blazen — blies, bliezen — geblazen
blow
blijken — bleek, bleken — is gebleken
appear
blijven — bleef, bleven — is gebleven
stay, remain
breken — brak, braken — gebroken
break
brengen — bracht, brachten — gebracht
bring
buigen — boog, bogen — gebogen
bend
denken — dacht, dachten — gedacht
think
doen — deed, deden — gedaan
do
dragen — droeg, droegen — gedragen
carry, wear
drijven — dreef, dreven — gedreven
float
drinken — dronk, dronken — gedronken
drink
eten — at, aten — gegeten
eat
gaan - ging, gingen - is gegaan
go
gelden — gold, golden — gegolden
apply, be valid
geven — gaf, gaven — gegeven
give
grijpen — greep, grepen — gegrepen
grab
hangen — hing, hingen — gehangen
hang
hebben — had, hadden — gehad
have
helpen — hielp, hielpen — geholpen
help
heten — heette, heetten — geheten
be called
houden — hield, hielden — gehouden
hold
kiezen — koos, kozen — gekozen
choose
kijken — keek, keken — gekeken
look
klimmen — klom, klommen — (is) geklommen
climb
klinken — klonk, klonken — geklonken
sound
komen — kwam, kwamen — is gekomen
come
kopen — kocht, kochten — gekocht
buy
krijgen — kreeg, kregen — gekregen
get, receive
kunnen — kon, konden — gekund
be able
lachen — lachte, lachten — gelachen
laugh
laten — liet, lieten — gelaten
let
lezen — las, lazen — gelezen
read
liggen — lag, lagen — gelegen
lie
lijden — leed, leden — geleden
suffer
lijken — leek, leken — geleken
appear, seem
lopen — liep, liepen — (is) gelopen
walk
moeten — moest, moesten — gemoeten
must, should
mogen — mocht, mochten — gemogen
be allowed to
nemen (nam, namen) genomen
take
rijden — reed, reden — (is) gereden
ride, drive
roepen — riep, riepen — geroepen
call
ruiken — rook, roken — geroken
smell
schijnen — scheen, schenen — geschenen
shine, seem
schrijven — schreef, schreven — geschreven
write
schrikken — schrok, schrokken — is geschrokken
be shocked
slaan — sloeg, sloegen — geslagen
hit
slapen — sliep, sliepen — geslapen
sleep
sluiten — sloot, sloten — gesloten
close
snijden — sneed, sneden — gesneden
cut
spreken — sprak, spraken — gesproken
speak
staan — stond, stonden — gestaan
stand
stelen — stal, stalen — gestolen
steal
vallen — viel, vielen — is gevallen
fall
vergeten — vergat, vergaten — (is) vergeten
forget
verliezen — verloor, verloren — verloren
lose
vinden — vond, vonden — gevonden
find
vragen — vroeg, vroegen — gevraagd
ask
weten — wist, wisten — geweten
know
willen — wilde / wou, wilden — gewild
want
worden — werd, werden — is geworden
become
zeggen — zei, zeiden — gezegd
say
zien — zag, zagen — gezien
see
zijn — was, waren — is geweest
be
zitten — zat, zaten — gezeten
sit
zoeken — zocht, zochten — gezocht
search, look