1/40
Deze flashcards behandelen Franse woordenschat voor persoonlijke kenmerken, scholing, familie en professionele werkwoorden, gebaseerd op de verstrekte transcriptie.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
faire bonne impression
een goede indruk maken
être quelqu’un d’ambitieux
een ambitieus iemand zijn
disposer de + substantif
beschikken over + zn
être doué(e) pour les langues
een talent hebben voor talen
avoir du talent pour le marketing
talent hebben voor marketing
centré(e) sur le détail
nauwkeurig
compréhensif, compréhensive
begripvol
déterminé(e)
vastberaden
exigeant(e)
veeleisend
fiable
betrouwbaar
honnête ↔ malhonnête
eerlijk ↔ oneerlijk
indécis(e)
besluiteloos
indépendant(e) ↔ dépendance
onafhankelijk ↔ afhankelijkheid
large d’esprit
ruimdenkend
méthodique = rigoureux, rigoureuse
strikt, methodisch
optimiste ↔ pessimiste
optimistisch ↔ pessimistisch
ordonné(e) ↔ désordonné(e)
netjes, geordend ↔ rommelig
paresseux, pareuseuse
gemakzuchtig
persévérant(e)
volhardend
ponctuel(le)
stipt
réfléchi(e) ↔ irréfléchi(e)
bedachtzaam ↔ onbezonnen
résistant(e) au stress
stressbestendig
sûr(e) de soi
zelfzeker
le lieu de résidence
de verblijfplaats
être originaire de + lieu
afkomstig zijn uit + plaatsnaam
être l’aîné(e)
de oudste zijn
être le / la benjamin(e) = être le cadet / la cadette
de jongste zijn
être étudiant(e) en gestion d’entreprise
student zijn in bedrijfsmanagement
suivre la filière
de richting … volgen
l’enseignement supérieur
het hoger onderwijs
gestion de la chaîne logistique
supply chain management
faire la navette
pendelen
avoir un kot
op kot zitten
maîtriser une langue (étrangère)
een (vreemde) taal beheersen
jouer en amateur ↔ jouer en compétition
als amateur spelen ↔ in competitie spelen
collaborer
samenwerken
fixer / convenir
vastleggen / overeenkomen
gérer
beheren
contrôler = vérifier
controleren, nagaan
signer
ondertekenen
prévoir
voorzien (budget, planning)