1/142
Zbiór niderlandzkich czasowników nieregularnych z formami czasu przeszłego (Imperfectum i Perfectum) na podstawie listy wykładowej.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
bakken
PIEC bakte, bakten; (hebben) gebakken
bederven
PSUĆ bedierf, bedierven; (hebben/zijn) bedorven
bedriegen
OSZUKIWAĆ bedroog, bedrogen; (hebben) bedrogen
beginnen
ZACZYNAĆ begon, begonnen; (zijn) begonnen
begrijpen
ROZUMIEĆ begreep, begrepen; (hebben) begrepen
bevallen
PODOBAĆ SIĘ beviel, bevielen; (zijn) bevallen
bewegen
PRZENOSIĆNbewoog, bewogen; (hebben) bewogen
bezoeken
ODWIEDZAĆ bezocht, bezochten; (hebben) bezocht
bidden
MODLIĆ SIĘ, BŁAGAĆ bad, baden; (hebben) gebeden
bieden
OFEROWAĆ bood, boden; (hebben) geboden
bijten
GRYŹĆ beet, beten; (hebben) gebeten
binden
WIĄZAĆ bond, bonden; (hebben) gebonden
blazen
DMUCHAĆ blies, bliezen; (hebben) geblazen
blijken
WYGLĄDAĆ bleek, bleken; (zijn) gebleken
blijven
ZOSTAĆ bleef, bleven; (zijn) gebleven
braden
SMAŻYĆ braadde, braadden; (hebben) gebraden
breken
ŁAMAĆ, NISZCZYĆ brak, braken; (hebben) gebroken
brengen
PRZYNOSIĆ bracht, brachten; (hebben) gebracht
buigen
ZGINAĆ boog, bogen; (hebben) gebogen
denken
MYŚLEĆ dacht, dachten; (hebben) gedacht
doen
ROBIĆ deed, deden; (hebben) gedaan
dragen
NOSIĆ droeg, droegen; (hebben) gedragen
drijven
PŁYNĄĆ dreef, dreven; (hebben/zijn) gedreven
drinken
PIĆ dronk, dronken; (hebben) gedronken
duiken
NURKOWAĆ dook, doken; (hebben/zijn) gedoken
dwingen
WYMUSZAĆ dwong, dwongen; (hebben) gedwongen
ervaren
DOŚWIADCZYĆ ervoer, ervoeren; (hebben) ervaren
eten
JEŚĆ at, aten; (hebben) gegeten
fluiten
GWIZDAĆ floot, floten; (hebben) gefloten
gaan
IŚĆ ging, gingen; (zijn) gegaan
genezen
LECZYĆ, ZDROWIEĆ genas, genazen; (hebben/zijn) genezen
genieten
CIESZYĆ SIĘ, PRZYJMOWAĆ genoot, genoten; (hebben) genoten
geven
DAWAĆ gaf, gaven; (hebben) gegeven
gieten
LAĆ goot, goten; (hebben) gegoten
glijden
ŚLIZGAĆ SIĘ gleed, gleden; (hebben/zijn) gegleden
glimmen
BŁYSZCZEĆ glom, glommen; (hebben) geglommen
graven
WYKOPYWAĆ groef, groeven; (hebben) gegraven
hangen
WISIEĆ, WIESZAĆ hing, hingen; (hebben) gehangen
hebben
MIEĆ had, hadden; (hebben) gehad
helpen
POMAGAĆ hielp, hielpen; (hebben) geholpen
heten
NAZYWAĆ SIĘ heette, heetten; (hebben) geheten
houden
TRZYMAĆ hield, hielden; (hebben) gehouden
kiezen
WYBIERAĆ koos, kozen; (hebben) gekozen
kijken
OGLĄDAĆ keek, keken; (hebben) gekeken
klimmen
WSPINAĆ SIĘ klom, klommen; (hebben/zijn) geklommen
klinken
BRZMIEĆ klonk, klonken; (hebben) geklonken
knijpen
ŚCISKAĆ, SZCZYPAĆ kneep, knepen; (hebben) geknepen
komen
PRZYCHODZIĆ kwam, kwamen; (zijn) gekomen
kopen
KUPOWAĆ kocht, kochten; (hebben) gekocht
krijgen
DOSTAWAĆ kreeg, kregen; (hebben) gekregen
krimpen
KURCZYĆ SIĘ kromp, krompen; (hebben/zijn) gekrompen
kruipen
CZOŁGAĆ SIĘ kroop, kropen; (hebben/zijn) gekropen
kunnen
MÓC kon, konden; (hebben) gekund
lachen
ŚMIAĆ SIĘ lachte, lachten; (hebben) gelachen
laden
ŁADOWAĆ laadde, laadden; (hebben) geladen
laten
POZWOLIĆ, ZOSTAWIĆ liet, lieten; (hebben) gelaten
lezen
CZYTAĆ las, lazen; (hebben) gelezen
liegen
KŁAMAĆ loog, logen; (hebben) gelogen
liggen
LEŻEĆ lag, lagen; (hebben) gelegen
lijden
CIERPIEĆ, DOŚWIADCZAĆ leed, leden; (hebben) geleden
lijken
WYGLĄDAĆ leek, leken; (hebben) geleken
lopen
IŚĆ liep, liepen; (hebben/zijn) gelopen
meten
MIERZYĆ mat, maten; (hebben) gemeten
moeten
MUSIEĆ moest, moesten; (hebben) gemoeten
mogen
MÓC mocht, mochten; (hebben) gemogen
nemen
BRAĆ nam, namen; (hebben) genomen
ontbijten
JEŚĆ ŚNIADANIE ontbeet, ontbeten; (hebben) ontbeten
ontwerpen
PLANOWAĆ ontwierp, ontwierpen; (hebben) ontworpen
overlijden
UMRZEĆ overleed, overleden; (zijn) overleden
raden
ZGADYWAĆ raadde, raadden; (hebben) geraden
rijden
JECHAĆ reed, reden; (hebben/zijn) gereden
roepen
KRZYCZEĆ, WOŁAĆ riep, riepen; (hebben) geroepen
ruiken
WĄCHAĆ, PACHNIEĆ rook, roken; (hebben) geroken
scheiden
DZIELIĆ, ROZWODZIĆ SIĘ scheidde, scheidden; (hebben/zijn) gescheiden
schelden
PRZEKLINAĆ schold, scholden; (hebben) gescholden
schenken
DAWAĆ schonk, schonken; (hebben) geschonken
scheren
GOLIĆ schoor, schoren; (hebben) geschoren
schieten
STRZELAĆ schoot, schoten; (hebben) geschoten
schijnen
ŚWIECIĆ SIĘ scheen, schenen; (hebben) geschenen
schrijven
PISAĆ schreef, schreven; (hebben) geschreven
schrikken
WYSTRASZYĆ schrok, schrokken; (zijn) geschrokken
schuiven
PRZESUWAĆ schoof, schoven; (hebben/zijn) geschoven
slaan
UDERZYĆ sloeg, sloegen; (hebben) geslagen
slapen
SPAĆ sliep, sliepen; (hebben) geslapen
slijpen
SZLIFOWAĆ, OSTRZYĆ sleep, slepen; (hebben) geslepen
sluipen
SKRADAĆ SIĘ sloop, slopen; (zijn) geslopen
sluiten
ZAMYKAĆ sloot, sloten; (hebben) gesloten
smelten
TOPNIEĆ smolt, smolten; (hebben) gesmolten
snijden
KROIĆ sneed, sneden; (hebben) gesneden
snuiten
SMARKAĆ snoot, snoten; (hebben) gesnoten
snuiven
WĄCHAĆ snoof, snoven; (hebben) gesnoven
spijten
ŻAŁOWAĆ speet; (hebben) gespeten
spreken
MÓWIĆ sprak, spraken; (hebben) gesproken
springen
SKAKAĆ sprong, sprongen; (hebben/zijn) gesprongen
spuiten
TRYSKAĆ spoot, spoten; (hebben) gespoten
staan
STAĆ stond, stonden; (hebben) gestaan
steken
DŹGAĆ stak, staken; (hebben) gestoken
stelen
KRAŚĆ stal, stalen; (hebben) gestolen
sterven
CIERPIEĆ stierf, stierven; (zijn) gestorven
stijgen
WZRASTAĆ steeg, stegen; (zijn) gestegen