Scheikunde - Begrippen toetsweek 1 5H

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/28

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

H7, H8, H9

Chemistry

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

29 Terms

1
New cards

indicatoren

Een indicator is een stof waarmee je kunt bepalen of een oplossing zuur, basisch of neutraal is. De indicator lakmoes geeft alleen aan of een oplossing zuur of basisch is. Met universeel indicatorpapier kun je de pH-waarde van een oplossing vaststellen. Oplossingen van indicatoren geven een pH-gebied aan

2
New cards

Molariteit

De molariteit (symbool M), van een oplossing druk je uit in het aantal mol opgeloste stof per liter oplossing (mol/L), of in het aantal mmol opgeloste stof per mililiter oplossing (mmol/mL)

3
New cards

Omslagtraject

Het pH-gebied waarin de oplossing van een indicator van kleur verandert

4
New cards

pH

Een oplossing is zuur bij een pH < 7, basisch bij een pH > 7 en neutraal bij een pH = 7

5
New cards

pH berekenen

De pH van een oplossing bereken je met pH = -log [H+]. Bij gegeven pH bereken je de H+-concentratie met [H+] = 10^-pH

6
New cards

Significante cijfers bij de pH

Voor pH-berekeningen geldt dat het aantal significante cijfers in de [H+] gelijk moet zijn aan het aantal decimalen in de pH

7
New cards

Sterk zuur

Een sterk zuur is opgelost in water volledig geĂŻoniseerd. De notatie van de oplossing van een sterk zuur HZ is: H+ (aq) + Z- (aq). Z- (aq) is het zuurrestion. Bij een oplossing van een sterk zuur kun je de pH rechtstreeks berekenen uit de molariteit van de oplossing

8
New cards

Zuurconstante

De zuurconstante is de evenwichtsconstante bij een oplossing van een zwak zuur in water. De zuurconstante geef je weer met Kz en komt voor een zwak zuur HZ overeen met de formule: Kz = ([H+][Z-]):[HZ]. Deze formule gebruik je voor het berekenen van de pH van zwakke zuren

9
New cards

Zuurgraad of pH

Een getalwaarde die aangeeft of een stof zuur, basisch of neutraal is

10
New cards

Zwak zuur

Een zwak zuur is opgelost in water slechts gedeeltelijk geĂŻoniseerd. De notatie van de oplossing van een zwak zuur HZ is: HZ (aq)

11
New cards

Acceptor/donor

Bij een zuurbase-reactie geeft het zuur (donor) een H+ over aan de base (acceptor)

12
New cards

Base

Een base zorgt in oplossing voor een pH groter dan 7 doordat er in de oplossing OH- ionen voorkomen. Een base is een deeltje dat een H+ ion kan opnemen

13
New cards

Baseconstante

De baseconstante is de evenwichtsconstante bij een oplossing van een zwakke base in water. De baseconstante geef je weer met Kb en komt voor een zwakke base B overeen met de formule: Kb = ([OH-][HB+]):[B]. Deze formule gebruik je voor het berekenen van de pH van oplossingen van zwakke basen

14
New cards

Buret, maatkolf en volpipet

Met een buret druppel je een reagens toe bij een titratie. Een maatkolf gebruik je bij een verdunning. Een maatkolf heeft een nauwkeuring bekend volume. Met een volpipet breng je een nauwkeurig bekend volume over dan het ene glaswerk naar het andere

15
New cards

Equivalentiepunt of omslagpunt

Het equivalentiepunt of omslagpunt is het punt waarbij het zuur en de base volledig hebben gereageerd. Het omslagpunt maak je zichtbaar met een indicator

16
New cards

pH berekenen

De pH van een basische oplossing bereken je door eerst de pOH te berekenen met pOH = log [OH-]. Bij gegeven pH bereken je eerst de pOH en dan de OH- concentratie met [OH-] = 10^-pOH

17
New cards

pOH

pOH = -log[OH-]. Een base heeft een pOH <7. Er geldt pOH + pH = 14,00 bij kamertemperatuur

18
New cards

Sterke base

Een sterke base geeft met water in een aflopende reactie OH- ionen. Je berekent de pH rechtstreeks uit de molariteit van de basische oplossing

19
New cards

Wassen

Extraheren van gassen uit gasmengsels met behulp van vloeistoffen of oplossingen

20
New cards

Zuur-basetitratie

Met een zuur-basetitratie bepaal je de molariteit van een onbekende stof door nauwkeurige hoeveelheden zuur en base met elkaar te laten reageren. Bij het equivalentiepunt of omslagpunt hebben het zuur en de base volledig gereageerd

21
New cards

Zwakke base

Een zwakke base reageert opgelost in water slechts gedeeltelijk met water. De reactie is een evenwichtsreactie. De concentratie OH- ionen en de pH moet je berekenen met de evenwichtsvoorwaarde

22
New cards

Botsende-deeltjesmodel

Volgens het botsende-deeltjesmodel treedt er een chemische reactie op zodra twee of meer deeltjes met de juiste snelheid met elkaar botsen. Dit heet een effectieve botsing

23
New cards

Biobrandstoffen

Biobrandstoffen worden gemaakt uit biomassa, materiaal van organische oorsprong. Dit materiaal bevat chemische energie, die door fotosynthese in de stof is opgeslagen. Voorbeelden van biobrandstoffen zijn bio-ethanol, biodiesel en biogas. De verbranding van biobrandstoffen draagt niet bij aan het versterkte broeikaseffect, omdat ze CO2-neutraal zijn

24
New cards

Fossiele brandstoffen

Fossiele brandstoffen zijn gedurende miljoenen jaren onder hoge druk en temperatuur uit planten- en dierenresten gevormd. Voorbeelden zijn aardgas, steenkool en aardolie

25
New cards

Gefractioneerde destillatie

Aardolie wordt op basis van kooktrajecten gescheiden in verschillende fracties. Dit proces heet gefractioneerde destillatie. Na de scheiding wordt de naftafractie verder verwerkt door uit langere koolstofketens kortere ketens te maken in een proces dat we kraken noemen

26
New cards

(gemiddelde) reactiesnelheid

De reactiesnelheid is het aantal mol stof dat per liter en per seconde ontstaat of verdwijnt. Je kunt de gemiddelde reactiesnelheid berekenen met: gemiddelde reactiesnelheid = concentratieverandering (mol/L) : verstreken tijd (s)

27
New cards

Reactiewarmte

De reactie-energie geeft aan hoeveel energie vrijkomt of nodig is bij een chemische reactie: reactie-energie = E(reactieproducten) - E(beginstoffen). Omdat de reactie-energie meestal vrijwel volledig uit warmte bestaat, noemen we de reactie-energie reactiewarmte. De reactiewarmte kun je berekenen uit de vormingswarmten van de beginstoffen en reactieproducten. De vormingswarmte geeft aan hoeveel warmte vrijkomt of nodig is bij het vormen van Ă©Ă©n mol stof uit zijn elementen. De reactiewarmte = vormingswarmte(reactieproducten) - vormingswarmte(beginstoffen)

28
New cards

Versterkt broeikaseffect

De temperatuur op aarde wordt bepaald door de balans tussen de hoeveelheid zonnestraling die het aardoppervlak opwarmt en de hoeveelheid warmtestraling die vanaf het oppervlak wordt uitgestraald naar de ruimte. Broeikasgassen houden de warmtestraling deels tegen. Dit natuurlijke verschijnsel heet broeikaseffect. Door een toenemende concentratie broeikasgassen in de atmosfeer verschuift de balans, waardoor de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. Dit is het versterkte broeikaseffect

29
New cards

Wet van behoud van energie

Volgens de wet van behoud van energie kan energie nooit verdwijnen of ontstaat. Je kunt alleen de ene vorm van energie omzetten in een andere vorm van energie. Bij elke energieomzetting wordt een deel omgezet in nuttige energie en een deel in een niet-nuttige vorm van energie. Hoe hoger het nuttige deel van de energie, hoe hoger de kwaliteit van energie