1/25
Een set flashcards met Latijnse vocabulaire uit Thema 3 - Les 15.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
amittere
verliezen
amor, amores
liefde
consilium
plan, besluit
liberi mv
kinderen
maritus
echtgenoot
matrona
vrouw des huizes
mors, mortes
de dood
tempus, tempora
tijd, periode
bonus, -a, -um
goed
carus, -a, -um
geliefd
contentus, -a, -um (+ abl)
tevreden (met)
laetus, -a, -um
blij
longus, -a, -um
lang
magnus, -a, -um
groot
miser, -sera, -serum
ongelukkig
multus, -a, -um
veel
novus, -a, -um
nieuw
parvus, -a, -um
klein
pulcher, -chra, -chrum
mooi
Romanus (-a, -um)
Romeins, Romein
unus, -a, -um
Ă©Ă©n
meus, -a, -um
mijn, van mij
tuus, -a, -um
jouw, uw
suus, -a, -um
zijn (eigen), haar (eigen), hun (eigen)
noster, -stra, -strum
ons, onze
vester, -stra, -strum
jullie, van jullie