psychologie

0.0(0)
studied byStudied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/133

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:55 AM on 10/30/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

134 Terms

1
New cards

niet-aangeboren hersenletsel (NAH)

Een verzamelnaam voor alle beschadigingen aan de hersenen die na de geboorte plaatsvinden. Hersenbeschadiging tijdens de geboorte (door bijvoorbeeld zuurstofgebrek) noemen we aangeboren hersenletsel. In Nederland zijn er jaarlijks naar schatting 160.000 nieuwe gevallen van een of andere vorm van hersenletsel als gevolg van een herseninfarct, ongeluk, tumor, hartstilstand, hersenbloeding of operatie. De gevolgen zijn heel verschillend, afhankelijk van de persoon en de ernst van de beschadiging.

2
New cards

evolutietheorie

De natuurwetenschappelijke of biologische verklaring voor de evolutie (of ontwikkeling) van het leven op aarde en het ontstaan en uitsterven van soorten organismen op aarde. Ze beschrijft het proces waarbij erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie. Een van de grondleggers van de theorie is Charles Darwin (1809-1882).

3
New cards

zenuwstelsel

Een besturings- en communicatiesysteem dat bij dieren en mensen een coördinerende rol speelt bij alle handelingen, zoals het aansturen van de spieren en het verwerken van zintuiglijke prikkels. Bij gewervelde dieren, waaronder mensen, speelt het ook een belangrijke rol bij emotionele, motivationele en cognitieve processen.

4
New cards

centraal zenuwstelsel

Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Het bevindt zich centraal in ons lichaam.

5
New cards

perifeer zenuwstelsel

Bestaat uit de zenuwbanen die informatie transporteren van onze zintuigen naar onze hersenen of ruggenmerg. De oogzenuw is er een voorbeeld van. Daarnaast bevat het ook alle zenuwbanen die opdrachten verplaatsen van ons ruggenmerg of onze hersenen naar onze spieren.

6
New cards

hersenen

Worden ook wel het brein genoemd. Het is dat deel van het centraal zenuwstelsel dat zich in het hoofd bevindt.

7
New cards

ruggenmerg

Bevindt zich in de wervelkolom. Het is een bundel zenuwbanen waarmee informatie wordt ontvangen en verplaatst.

8
New cards

encefalisatiequotiënt

De verhouding tussen hersen- en lichaamsvolume. Hoe hoger dit quotiënt, hoe complexer en intelligenter de diersoort. De mens heeft het hoogste quotiënt.

9
New cards

schedel

De botstructuur die vorm geeft aan het hoofd of de kop van een mens of dier. De belangrijkste functie is het beschermen van de hersenen.

10
New cards

grote hersenen

Omvatten het grootste deel van de hersenen en zijn bij mensen het grootst. Ze zijn de plek waar de complexe cognitieve en emotionele processen (onder andere logisch redeneren, planning, geheugen, emotie) plaatsvinden. Ze worden onderverdeeld in vier kwabben: frontaalkwab, slaapkwab, pariëtaalkwab en achterhoofdkwab.

11
New cards

hersenschors/cortex

Een 3 mm dikke laag grijze stof die aan de buitenkant van de grote hersenen ligt. Dit deel van de hersenen is bij de mens zo hoog ontwikkeld, dat het steeds meer in vouwen moet liggen om in de schedel te passen.

12
New cards

kleine hersenen/cerebellum

Zijn vooral verantwoordelijk voor motoriek. Daarnaast vervullen ze nog andere functies bij cognitieve processen, zoals aandacht en het reguleren van angst- en plezierreacties. Ze zorgen voor de coördinatie, nauwkeurigheid en timing van de bewegingen die in de motorische schors van de grote hersenen zijn opgestart.

13
New cards

hersenstam

Verbindt de grote hersenen met de kleine hersenen en het ruggenmerg. Bestuurt belangrijke levensfuncties als spijsvertering, temperatuur, hartslag, ademhaling en bloeddruk.

14
New cards

frontaalkwabben

Bevinden zich aan de voorkant van de grote hersenen. Ze spelen een rol bij het aansturen van willekeurige (doelgerichte) bewegingen. Ook zijn ze betrokken bij veel psychische functies, zoals impulsbeheersing, beoordelingsvermogen, probleemoplossing, planning, sociaal gedrag, taal (via de linkerfrontaalkwab) en geheugen.

15
New cards

slaapkwabben

Spelen een rol bij het herkennen en onthouden van mensen (met name de gezichten) en voorwerpen en bij het terughalen van herinneringen. Geluidsherkenning en spraak worden ook hierin aangestuurd.

16
New cards

pariëtaalkwabben

Registreren en interpreteren lichamelijke gewaarwordingen ('voelen') zoals temperatuur, pijn of tast. Ze zijn ook actief als je een rekensom maakt en als je leest.

17
New cards

achterhoofdkwabben

Houden zich bezig met het gezichtsvermogen zoals het herkennen van figuren, inschatten van afstand en grootte, en het interpreteren van plaatjes.

18
New cards

hersenhelften

Twee ... vormen de hersenschors.

19
New cards

linkerhersenhelft

Bestuurt de rechterkant van het lichaam.

20
New cards

rechterhersenhelft

Bestuurt de linkerkant van het lichaam.

21
New cards

lateralisatie

Duidt op verschillen in specialisatie van de beide hersenhelften. Dit kunnen verschillen zijn in het reguleren van zintuigen, motoriek, emoties, enzovoort.

22
New cards

hersenbalk/corpus callosum

Verbindt de twee grote hersenhelften met elkaar en zorgt dat ze informatie kunnen uitwisselen.

23
New cards

split-brainpatiënt

Hierbij is de hersenbalk doorgesneden. Meestal als laatste redmiddel om zeer ernstige epilepsie te bestrijden. In zekere zin heeft iemand dan twee hersenen die enigszins los van elkaar functioneren.

24
New cards

dwarslaesie

Een onderbreking van de zenuwbanen die via het ruggenmerg lopen. Het gevolg is een uitval van de zenuwen die onder het niveau van de onderbreking vanuit het ruggenmerg ontspringen. Dat heeft weer tot gevolg dat de spieren die deze zenuwen aansturen, verlamd raken, zoals van de benen en bij hogere letsels ook van de armen of zelfs van de ademhalingsspieren.

25
New cards

zenuwcel/neuron

Een bepaald type lichaamscel dat zich in het zenuwstelsel bevindt. We hebben er zo'n 90 miljard van, vrijwel allemaal in onze hersenen en ruggenmerg. Ze verwerken en transporteren informatie en signalen.

26
New cards

gliacel

Bevindt zich in ons zenuwstelsel. Er zijn meerdere soorten. Ze vervullen verschillende functies zoals het aanbrengen van structuur, het verwijderen van afvalstoffen, het aanbrengen van isolatiemateriaal (myeline) en het doorgeven van informatie.

27
New cards

ziekte van Alzheimer

De meest voorkomende vorm van dementie. Iemand met deze aandoening krijgt problemen met het geheugen.

28
New cards

myeline

Een vettige stof die op veel plaatsen van het zenuwstelsel de axon (zie hierna) omhult. Het zorgt ervoor dat boodschappen (elektrische signalen) snel worden doorgestuurd. Zonder deze stof zou een impuls er veel langer over doen om via de axon de volgende neuron te bereiken.

29
New cards

multiple sclerose

Een aandoening van het centraal zenuwstelsel en waarschijnlijk een auto-immuunziekte. Kenmerkend is de beschadiging van myeline van zenuwbanen door afweercellen van het eigen immuunsysteem (vandaar de term auto-immuunziekte).

30
New cards

glia-index

De verhouding tussen het aantal zenuwcellen en gliacellen.

31
New cards

celkern

Het midden van een lichaamscel. Het bevat de genetische code van het betreffende organisme.

32
New cards

membraan

De scheidingswand tussen de binnenkant en buitenkant van een lichaamscel. Hij kan (selectief) (voeding)stoffen doorlaten.

33
New cards

dendriet

Een vertakking of uitloper van een zenuwcel waarmee verbinding wordt gelegd met andere zenuwcellen.

34
New cards

axon/zenuwuitloper

De uitloper van een zenuwcel waardoor elektrische impulsen geleid worden.

35
New cards

netwerk/circuit

Wordt gevormd door onderling verbonden zenuwcellen. Zorgt voor een specialisatie of stuurt een handeling aan. Het kenmerkt zich door sterke en veelgebruikte verbindingen tussen zenuwcellen. Sommige zijn aanwezig bij de geboorte, maar meestal ontstaan ze door oefening. Ze verdwijnen weer als ze niet gebruikt worden.

36
New cards

actiepotentiaal

Een elektrische ontlading die zich verplaatst langs met name de axon van een zenuwcel. Het wordt ook wel vuren genoemd.

37
New cards

synaps

De contactplaats tussen twee zenuwcellen.

38
New cards

presynaptisch neuron

Bevindt zich voor een synaps. Deze zenuwcel geeft een elektrisch signaal af dat vervolgens wordt opgevangen door de zenuwcel na de synaps.

39
New cards

postsynaptisch neuron

Bevindt zich na een synaps. Het presynaptisch neuron geeft een elektrisch signaal af dat vervolgens wordt opgevangen door deze zenuwcel.

40
New cards

synapsspleet

Een zeer smalle spleet die neuronen van elkaar scheidt en waarlangs neurotransmitters stromen.

41
New cards

neurotransmitter

Een signaalstof. Deze draagt zenuwimpulsen over tussen zenuwcellen door een synaps 'over te steken'.

42
New cards

receptor

De ontvangstplaats van neurotransmitters. Elke soort neurotransmitter heeft hiervan een eigen variant.

43
New cards

socialebreinhypothese

Afkomstig van de psycholoog Robin Dunbar. Omdat mensen in de loop van de evolutie in steeds grotere groepen zijn gaan leven, zijn onze hersenen zo geëvolueerd dat wij goed kunnen samenwerken en elkaar goed kunnen inschatten. Met hoe meer mensen je moet samenwerken, samenleven en rekening houden, des te meer moet je hun vaardigheden kennen, hun behoeftes, maar ook hun eventuele 'nare' kanten.

44
New cards

deep-brainstimulatie

Het beïnvloeden van de elektrische communicatie in de hersenen met een pacemaker.

45
New cards

perifeer zenuwstelsel

Het netwerk van zenuwbanen dat de verbinding vormt tussen het centraal zenuwstelsel en de spieren en zintuigen.

46
New cards

motorische zenuwbanen

Geven informatie van de hersenen door aan de spieren.

47
New cards

sensorische zenuwbanen

Voorzien de hersenen van informatie over zintuiglijke waarnemingen, zoals pijn, warmte en kou.

48
New cards

somatisch zenuwstelsel

Onderdeel van het perifeer zenuwstelsel dat de willekeurige spieren aanstuurt.

49
New cards

willekeurige spieren

Worden aangestuurd door het somatisch zenuwstelsel. Bijvoorbeeld je hand- en vingerspieren bij gamen of appen.

50
New cards

autonoom zenuwstelsel

Onderdeel van het perifeer zenuwstelsel dat de autonome (of: onwillekeurig en automatisch werkende) spieren aanstuurt, zoals de darmspieren maar bijvoorbeeld ook spiertjes rond je oog.

51
New cards

onwillekeurige spieren

De autonome (of: automatisch werkende) spieren, zoals de darmspieren maar bijvoorbeeld ook spiertjes rond je oog.

52
New cards

sympathisch zenuwstelsel

Onderdeel van het autonoom zenuwstelsel. Het stuurt processen aan die veel energie kosten en bereidt het lichaam voor op actie, bijvoorbeeld voor sport of in noodsituaties. Ook tijdens stress is dit stelsel dominant.

53
New cards

fight-or-flightreactie/vecht-of-vluchtreactie

Een lichamelijke reactie die het lichaam voorbereidt om in een situatie te vechten (fight) of te vluchten (flight).

54
New cards

parasympathisch zenuwstelsel

Onderdeel van het autonoom zenuwstelsel. Het stuurt processen aan die herstel van het lichaam bevorderen, zoals de spijsvertering. Als je ontspannen bent, dan domineert dit onderdeel van het zenuwstelsel.

55
New cards

nature-nurturedebat

De discussie over de vraag of gedrag (vooral) bepaald wordt door genen of (vooral) door omgevingsinvloed. Sinds enkele decennia wordt de vraag anders gesteld. Namelijk hoe biologische factoren en omgevingsfactoren invloed op elkaar uitoefenen bij de verklaring van gedrag.

56
New cards

genetica

Een ander woord voor erfelijkheidsleer.

57
New cards

chromosoom

Een drager van een deel van het erfelijk materiaal (DNA) van een organisme.

58
New cards

chromosomenpaar

Bestaat uit twee dezelfde chromosomen.

59
New cards

23

Dit aantal chromosomenparen heeft gewoonlijk elke menselijke lichaamscel.

60
New cards

geslachtschromosomen

X-chromosomen en Y-chromosomen noemen we zo.

61
New cards

X-chromosomen

Een vrouw heeft er twee, een van haar vader en een van haar moeder.

62
New cards

Y-chromosoom

Een man heeft een geslachtschromosoom van zijn moeder en een van zijn vader. Het geslachtschromosoom afkomstig van de vader noemen we zo.

63
New cards

DNA

Een biochemisch molecuul dat de drager is van erfelijke informatie. Elk organisme draagt informatie in deze vorm.

64
New cards

dubbele helix

Als je het DNA-molecuul uitvergroot, dan ziet het eruit als een wenteltrap. Deze zogenoemde wenteltrap met leuningen aan beide kanten en treden ertussen noemen we zo.

65
New cards

Genen

Stukjes DNA die een erfelijke code bevatten. Ze zijn onderdeel van chromosomen.

66
New cards

polygenie/polygenetische erfelijkheid

Verantwoordelijk voor het tot stand komen van één kenmerk meerdere genen. Je zou kunnen zeggen dat de genen moeten samenwerken. Dit is bij de meeste eigenschappen het geval.

67
New cards

dominant gen

Bepaalt bijna altijd de (zichtbare) eigenschap en overheerst het recessieve gen.

68
New cards

recessief gen

De bijbehorende genetische eigenschap komt alleen tot uiting wanneer een dominant gen ontbreekt.

69
New cards

genotype

De verzameling erfelijke eigenschappen van een persoon die hij heeft 'gekregen' van zijn biologische ouders. Dit betreft een manier van noteren. Het is over het algemeen niet zichtbaar aan een persoon.

70
New cards

fenotype

Het (vaak zichtbare) resultaat van de interactie tussen het genotype en de omgeving. Voorbeelden zijn lichamelijke kenmerken zoals lengte, gewicht, kleur van de ogen, maar ook psychische kenmerken zoals intelligentie, verlegenheid of psychische stoornissen.

71
New cards

junk-DNA

De naam voor stukken DNA op de genen die nog geen bekende functie hebben. Meer dan 95 procent van het menselijk DNA wordt als zodanig beschouwd.

72
New cards

gen-omgevingscorrelatie

Hiervan is sprake als bij wijze van spreken de genen de omgeving 'selecteren' die 'bij hen past'. Iemand met genetische aanleg voor denksporten zal meer gericht zijn op bijvoorbeeld het verkrijgen van schaaklessen. En als het gebeurt zal hij laten merken dat hij het leuk vindt en het vaker wil doen.

73
New cards

passieve gen-omgevingsverband

Dit vindt plaats omdat biologische ouders, die genetisch verwant zijn aan het kind, zonder er erg bij na te denken een opvoedingsomgeving aan het kind bieden die bij zijn aanleg past.

74
New cards

evocatieve gen-omgevingsverband

Dit treedt op omdat de genetisch gevormde eigenschappen van een kind bepaalde reacties bij andere mensen uit hun omgeving uitlokken die deze eigenschappen versterken.

75
New cards

actieve gen-omgevingsverband

Dit treedt op bij kinderen die al wat ouder zijn en bij volwassenen. De persoon is dan in staat om zelf de omgevingen te kiezen die bij zijn aanleg passen.

76
New cards

gen-omgevingsinteractie

Hiervan is sprake als het effect van de genen veranderd wordt door een bepaald soort omgeving en omgekeerd, als het effect van de omgeving afhankelijk is van een bepaalde genetische opmaak. Het wordt ook wel aangeduid als G × O. De × (vermenigvuldigingsteken) wijst op het versterkende effect van beide factoren.

77
New cards

erfelijk voorbereid gedrag

Aanhangers van de visie dat de werking van iemands DNA is afhankelijk is van een omgeving met bepaalde kenmerken noemen dit zo.

78
New cards

kangoeroeën

Huid-op-huidcontact tussen ouders en hun (pasgeboren) baby's. Het wordt ook wel buidelen genoemd. Door het geregelde intensieve contact leren ouder en kind elkaar kennen en bouwen ze een band op.

79
New cards

associatief leren

Het leren van verbanden of relaties, zoals het verband tussen het eten van bepaald voedsel en de misselijkheid op een iets later tijdstip.

80
New cards

gedragstheorie

Een begrip waarmee men gewoonlijk de theorieën over klassiek en operant conditioneren bedoelt.

81
New cards

instinct/soortspecifiek gedrag

Een aangeboren patroon van handelingen dat kenmerkend is voor een specifieke diersoort. Hierbij speelt ervaring of leren geen rol.

82
New cards

reflex

Een eenvoudige mechanische reactie van het lichaam op een prikkel. Deze is aangeboren en niet te beïnvloeden met onze wil.

83
New cards

rijping

De ontwikkeling van een persoon in de loop der tijd. Deze verloopt relatief onafhankelijk van omgevingsinvloeden, ervaring en oefening.

84
New cards

leren

Een verandering of aanpassing in gedrag, kennis of waarden als gevolg van ervaring. Ten grondslag hieraan liggen nieuwe verbindingen tussen neuronen.

85
New cards

stimulus/prikkel

Een verandering binnen of buiten een organisme waarop gereageerd wordt door het organisme. De reactie wordt een respons genoemd.

86
New cards

respons

Een reactie van een organisme op een verandering (stimulus) in het organisme zelf of in de omgeving.

87
New cards

overte respons

Een reactie die tot uitdrukking komt in (zichtbaar) gedrag.

88
New cards

coverte respons

Een reactie die niet tot uitdrukking komt in gedrag en dus niet zichtbaar is voor anderen (bijvoorbeeld een gedachte of een gevoel).

89
New cards

stimulus-responspsychologie

Verklaart het leren geheel vanuit het leren van associaties tussen stimuli en responsen.

90
New cards

behaviorisme

Dit was een invloedrijke (wetenschapsfilosofische) benadering in de psychologie waarin objectiviteit in het wetenschappelijk onderzoek benadrukt werd. Het richtte zich vooral op de wetenschappelijke studie van het gedrag.

91
New cards

klassiek conditioneren

Een eenvoudige vorm van leren die automatisch verloopt. De ene gebeurtenis (stimulus) wordt met een andere geassocieerd, doordat zij meerdere keren gelijktijdig plaatsvinden en vervolgens dezelfde reactie (respons) uitlokken.

92
New cards

associatie

Een relatie. Als bij het leren hiervan gebruik is gemaakt, houdt dat in dat iemand twee situaties, of een situatie en gedrag, of gedrag en het gevolg op het gedrag met elkaar verbonden heeft.

93
New cards

ongeconditioneerde stimulus

De prikkel die een reflex in gang zet. De relatie met de respons die hierop volgt is aangeboren, niet-geleerd.

94
New cards

ongeconditioneerde respons

Het eindgedrag van een reflex. Deze wordt altijd in gang gezet door een specifieke prikkel: de ongeconditioneerde stimulus.

95
New cards

geconditioneerde stimulus

Een prikkel die door een organisme verbonden (geassocieerd) wordt met de ongeconditioneerde stimulus en eenzelfde reactie uitlokt. Het is een geleerde prikkel.

96
New cards

geconditioneerde respons

Een geleerde respons die wordt opgeroepen door een geconditioneerde stimulus.

97
New cards

fobie

Een extreme en irreële angst voor een object, dier, situatie of persoon. Een persoon wordt er ernstig door belemmerd.

98
New cards

stimulusgeneralisatie

Dit houdt in dat de respons die geassocieerd is met (uitgelokt wordt door) een bepaalde prikkel, ook gaat verschijnen bij prikkels die lijken op de oorspronkelijke prikkel.

99
New cards

discriminatie

Bij klassiek conditioneren houdt dit in dat een organisme alleen maar op een stimulus leert te reageren als deze aan bepaalde kenmerken van de oorspronkelijke (ongeconditioneerde) stimulus voldoet. Hoe specifieker die kenmerken, des te groter dit effect en des te minder er gereageerd wordt op prikkels die erop lijken.

Bij operant conditioneren houdt dit in dat het organisme leert dat alleen bij specifieke kenmerken van de discriminatieve stimulus het gedrag bekrachtigd wordt. Dus de situatie of gebeurtenis die het gedrag uitlokt wordt steeds specifieker.

100
New cards

reinforcement

Versterking of bekrachtiging.

Bij klassiek conditioneren vormt de ongeconditioneerde stimulus de versterking/bekrachtiging en lokt deze de respons uit.

Bij operant conditioneren is de versterking/bekrachtiging het gevolg op het gedrag (zoals een beloning) dat ervoor zorgt dat gedrag vaker gaat plaatsvinden.