1/343
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
une entreprise /une société
een bedrijf / onderneming
entreprendre
ondernemen
un entrepreneur
een ondernemer
la taille d'une entreprise
de grootte van een bedrijf
une entreprise multinationale
een multinational
une petite et moyenne entreprise (PME)
een KMO
une petite et moyenne industrie (PMI)
een kleine en middelgrote nijverheid
un bénéfice/un profit
een winst (2x)
un déficit/ une perte
een verlies (2x)
bénéficier de qqc
voordeel trekken van / genieten van
un bénéficiaire
een begunstigde
réaliser / dégager / enregistrer / afficher un bénéfice
een winst maken (4x)
partager les bénéfices avec un associé
winst delen met een vennoot
une marge bénéficiaire
een winstmarge
un bilan
een balans
déposer le bilan
de boeken neerleggen
le total bilantaire / du bilan
het balanstotaal (2x)
le chiffre d'affaires (CA)
de omzet
réaliser / enregistrer / afficher / dégager un chiffre d'affaires
een omzet halen (4x)
le CA est de / se chiffre à / s'élève à / atteint €X
de omzet bedraagt €X (4x)
accuser / subir / enregistrer / afficher un déficit
verlies maken (4x)
déficitaire
verlieslatend
une entreprise déficitaire
een verlieslatend bedrijf
rentable
rendabel
rentabiliser
rendabel maken
la rentabilité
de rendabiliteit
une expansion/ un développement/ une croissance
een expansie / ontwikkeling / groei
une expansion de ses frontières
een uitbreiding van zijn grenzen
connaître une expansion rapide
een snelle groei kennen
être en (pleine) expansion / croissance / essor
in volle groei zijn
franchir / dépasser
overschrijden (2x)
franchir le cap
de kaap overschrijden
franchir une limite
een grens overschrijden
franchir le seuil
de drempel overschrijden
un effectif / des effectifs
een personeelsbestand (2x)
le personnel
het personeel
une compression de - du personnel
een personeelsinkrimping
engager / recruter / embaucher du personnel
personeel aanwerven (3x)
licencier / renvoyer / virer du personnel
personeel ontslaan (3x)
le personnel administratif
het administratief personeel
le service du personnel
de personeelsdienst
la rotation/ le roulement
het verloop (2x)
la rotation du personnel
het personeelsverloop
un ouvrier / un travailleur
een arbeider (2x)
un employé (2) / un salarié (1)
een bediende (2) / werknemer (2) (1)
un ouvrier/ un employeur
een arbeider / een werkgever
employer
tewerkstellen
un emploi
een baan
supprimer des emplois
banen schrappen
employer x personnes
x personen tewerkstellen
engager / recruter / embaucher
aanwerven (3x)
licencier / renvoyer / virer
ontslaan (3x)
engager du personnel
personeel aanwerven
engager comme employé
als bediende aanwerven
une démission
een ontslag (vanwege werknemer)
démissionner
ontslag nemen
donner / présenter / remettre sa démission
zijn ontslag geven (3x)
un avantage
een voordeel
un désavantage / un inconvénient
een nadeel (2x)
un avantage extra-légal
een extralegaal voordeel
le travail
het werk / de arbeid
travailler
werken
un travailleur
een arbeider
effectuer un travail
een werk uitvoeren
le travail manuel
de handenarbeid
le travail intellectuel
het intellectueel werk
les conditions de travail
de arbeidsomstandigheden
travailler en équipe
in ploegverband werken
les heures de travail
de werkuren
travailler à temps partiel
deeltijds werken
travailler à mi-temps
halftijds werken
travailler à temps plein / plein temps
voltijds werken
travailler à la chaîne
aan de band werken
la charge de travail
de werklast
le travail de nuit
het nachtwerk
le travail intérimaire
het interimwerk
une chaîne
een keten / ketting / band
le travail à la chaîne
het bandwerk
une chaîne de montage
een montageband
un horaire
een uurrooster
un horaire fixe
een vaste uurrooster
un horaire flexible
een flexibele uurrooster
un horaire variable
een flexibele / variabele uurrooster
une rémunération
een vergoeding / bezoldiging
rémunérer
vergoeden
une rémunération monétaire
een geldelijke vergoeding
un revenu / des revenus
een salaris / inkomsten
percevoir / toucher / gagner des revenus
loon trekken (3x)
des revenus professionnels
beroepsinkomsten
bénéficier de revenus
inkomsten krijgen/ hebben
un salaire
een salaris
verser un salaire
een salaris uitkeren / storten
toucher / percevoir / gagner un salaire
een salaris trekken (3x)
les pays à bas salaire
de lageloonlanden
un salaire mensuel
een maandloon
un salaire hebdomadaire
een weekloon
un retraité
een gepensioneerde
la retraite
het pensioen(geld)
prendre sa retraite / partir à la retraite
met pensioen gaan (2x)
être à la retraite
met pensioen zijn