Nederlandse onregelmatige werkwoorden

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/43

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

44 Terms

1
New cards

beginnen

begon, begonnen, is begonnen

2
New cards

begrijpen

begreep, begrepen, begrepen

<p>begreep, begrepen, begrepen</p>
3
New cards

blijven

bleef, bleven, is gebleven

<p>bleef, bleven, is gebleven</p>
4
New cards

brengen

bracht, brachten, gebracht

<p>bracht, brachten, gebracht</p>
5
New cards

denken

dacht, dachten, gedacht

<p>dacht, dachten, gedacht</p>
6
New cards

doen

deed, deden, gedaan

<p>deed, deden, gedaan</p>
7
New cards

dragen

droeg, droegen, gedragen

<p>droeg, droegen, gedragen</p>
8
New cards

drinken

dronk, dronken, gedronken

<p>dronk, dronken, gedronken</p>
9
New cards

eten

at, aten, gegeten

<p>at, aten, gegeten</p>
10
New cards

gaan

ging, gingen, is gegaan

<p>ging, gingen, is gegaan</p>
11
New cards

geven

gaf, gaven, gegeven

<p>gaf, gaven, gegeven</p>
12
New cards

hebben

had, hadden, gehad

<p>had, hadden, gehad</p>
13
New cards

helpen

hielp, hielpen, geholpen

<p>hielp, hielpen, geholpen</p>
14
New cards

houden

hield, hielden, gehouden

<p>hield, hielden, gehouden</p>
15
New cards

kiezen

koos, kozen, gekozen

<p>koos, kozen, gekozen</p>
16
New cards

kijken

keek, keken, gekeken

<p>keek, keken, gekeken</p>
17
New cards

komen

kwam, kwamen, is gekomen

<p>kwam, kwamen, is gekomen</p>
18
New cards

kopen

kocht, kochten, gekocht

<p>kocht, kochten, gekocht</p>
19
New cards

krijgen

kreeg, kregen, gekregen

<p>kreeg, kregen, gekregen</p>
20
New cards

kunnen

kon, konden, gekund

<p>kon, konden, gekund</p>
21
New cards

lachen

lachte, lachten, gelachen

<p>lachte, lachten, gelachen</p>
22
New cards

laten

liet, lieten, gelaten

<p>liet, lieten, gelaten</p>
23
New cards

lezen

las, lazen, gelezen

<p>las, lazen, gelezen</p>
24
New cards

liggen

lag, lagen, gelegen

<p>lag, lagen, gelegen</p>
25
New cards

lopen

liep, liepen, (is) gelopen

<p>liep, liepen, (is) gelopen</p>
26
New cards

moeten

moest, moesten, gemoeten

<p>moest, moesten, gemoeten</p>
27
New cards

mogen

mocht, mochten, gemogen

<p>mocht, mochten, gemogen</p>
28
New cards

nemen

nam, namen, genomen

<p>nam, namen, genomen</p>
29
New cards

rijden

reed, reden, (is) gereden

<p>reed, reden, (is) gereden</p>
30
New cards

schrijven

schreef, schreven, geschreven

<p>schreef, schreven, geschreven</p>
31
New cards

sluiten

sloot, sloten, gesloten

<p>sloot, sloten, gesloten</p>
32
New cards

spreken

sprak, spraken, gesproken

<p>sprak, spraken, gesproken</p>
33
New cards

staan

stond, stonden, gestaan

<p>stond, stonden, gestaan</p>
34
New cards

vergeten

vergat, vergaten, (is) vergeten

<p>vergat, vergaten, (is) vergeten</p>
35
New cards

vinden

vond, vonden, gevonden

<p>vond, vonden, gevonden</p>
36
New cards

vragen

vroeg, vroegen, gevraagd

<p>vroeg, vroegen, gevraagd</p>
37
New cards

weten

wist, wisten, geweten

<p>wist, wisten, geweten</p>
38
New cards

willen

wilde, wilden, gewild

<p>wilde, wilden, gewild</p>
39
New cards

worden

werd, werden, is geworden

<p>werd, werden, is geworden</p>
40
New cards

zeggen

zei, zeiden, gezegd

<p>zei, zeiden, gezegd</p>
41
New cards

zien

zag, zagen, gezien

<p>zag, zagen, gezien</p>
42
New cards

zijn

was, waren, is geweest

<p>was, waren, is geweest</p>
43
New cards

zitten

zat, zaten, gezeten

<p>zat, zaten, gezeten</p>
44
New cards

zoeken

zocht, zochten, gezocht