1/90
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Tijdens de systole zijn de atrioventriculaire (AV) kleppen gesloten en de ventriculo-arteriële (VA) kleppen open.
Tijdens de systole zijn de atrioventriculaire (AV) kleppen gesloten en de ventriculo-arteriële (VA) kleppen open.
Op welke twee specifieke afwijkingen kan een systolisch geruis wijzen op basis van de kleptoestanden in de hartcyclus?
Een systolisch geruis wijst op een AV-insufficiëntie (lekkage) of een VA-stenose (vernauwing).
Tijdens de diastole zijn de AV-kleppen open en de VA-kleppen gesloten.
Tijdens de diastole zijn de AV-kleppen open and de VA-kleppen gesloten.
Op welke twee specifieke afwijkingen kan een diastolisch geruis wijzen op basis van de kleptoestanden in de hartcyclus?
Een diastolisch geruis wijst op een AV-stenose of een VA-insufficiëntie.
Wat zijn de vier specifieke bevindingen bij het lichamelijk onderzoek die de diagnose aortaklepstenose waarschijnlijk maken?
Punctum maximum ter hoogte van de tweede intercostaalruimte rechts, een systolisch geruis dat crescendo-decrescendo verloopt, een palpable thrill over het precordium, en uitstraling van het geruis richting de carotiden.
Wat is de definitie en de oorzaak van een pulsus parvus bij een aortaklepstenose?
Een kleine polsdruk waarbij het verschil tussen systole en diastole gering is, omdat er weinig druk kan worden opgebouwd.
Wat is de definitie en het directe mechanisme van een pulsus tardus bij het lichamelijk onderzoek?
Een zachte en vertraagde polsgolf, waarbij het bij palpatie van de arteria carotis tijdens het luisteren langer duurt voordat de polsslag wordt waargenomen door het kleine slagvolume.
Welke specifieke klacht kan optreden bij ernstige symptomen van een aortaklepstenose?
Pijn op de borst.
Hoe en in welk stadium uiterlijk uit zich linkerventrikelhypertrofie bij het lichamelijk onderzoek van een aortaklepstenose?
Dit is zichtbaar in een verder gevorderd stadium en uiterlijkt zich in een heffende ictus die sterker aanwezig is en meer naar de buitenzijde is verplaatst.
Welke algemene tekenen en specifieke uitingen hiervan kunnen optreden bij het lichamelijk onderzoek van een aortaklepstenose?
Tekenen van hartfalen, zowel links- als rechtszijdig, waaronder vermoeidheid en oedeem (pulmonaal of perifeer).
In hoeveel niveaus wordt de luidheid van geruisen ingedeeld bij auscultatie?
De luidheid van geruisen wordt ingedeeld in zes niveaus.
Wat houdt niveau 1 in bij de indeling van de luidheid van geruisen?
Erg licht geruis.
Wat houdt niveau 2 in bij de indeling van de luidheid van geruisen?
Duidelijk hoorbaar geruis.
Wat houdt niveau 3 in bij de indeling van de luidheid van geruisen?
Luid geruis.
Wat houdt niveau 4 in bij de indeling van de luidheid van geruisen?
Zeer luid geruis.
Wat houdt niveau 5 in bij de indeling van de luidheid van geruisen?
Geruis dat al te horen is indien de rand van de stethoscoop op de borst wordt geplaatst.
Wat houdt niveau 6 in bij de indeling van de luidheid van geruisen?
Geruis dat al zonder stethoscoop of zonder dat de stethoscoop de borst aanraakt, gehoord kan worden.
Welke vier specifieke structurele afwijkingen kunnen zichtbaar zijn op een X-thorax bij een aortaklepstenose?
Zichtbare linkerventrikelhypertrofie (waarbij de apex meer naar links is verplaatst en het hart vergroot en verbreed zichtbaar is in de thorax), poststenotische dilatatie van de aorta ascendens, zichtbare verkalking van de aortaklep, en zichtbare longstuwing in het geval van hartfalen.
Welke vijf specifieke parameters of anatomische eigenschappen worden beoordeeld met een echocardiografie bij een aortaklepstenose?
De stroomsnelheid van het bloed en eventuele turbulentie, de kamerfuncties (zoals de ejectiefractie/knijpkracht), anatomische afwijkingen, de vorm van de aortaklep (bicuspide of tricuspide), en eventuele verkalking van de kleppen.
Welke vier specifieke afwijkingen kunnen worden vastgesteld op een ECG bij een aortaklepstenose?
Een vergroot QRS-complex in de precordiale afleidingen (vooral V1 en V6), ritmestoornissen, een (linker)bundeltakblok of een AV-blok, en een strain-patroon.
Wat houdt het strain-patroon op een ECG exact in en waar kan dit op wijzen bij een aortaklepstenose?
Het ST-segment laat een schuine depressie zien (vooral in V1), wat kan wijzen op ischemie als gevolg van een verdikte hartwand.
Wat is de normale fysiologische reactie van het lichaam tijdens de eerste stap van de fietstest?
Bij inspanning stijgt normaliter de bloeddruk en is er meer cardiac output nodig.
Wat is de pathologische reactie van het cardiovasculaire systeem tijdens de tweede stap van de fietstest bij een aortaklepstenose?
De cardiac output kan bij inspanning slecht omhoog, en het hart is niet in staat om de bloeddruk te verhogen.
Hoe verloopt de bloeddruk als gevolg van deze pathologische reactie tijdens de derde stap van de fietstest bij een aortaklepstenose?
De bloeddruk blijft gelijk of verlaagt soms zelfs tijdens inspanning.
Naar welke specifieke parameter wordt, naast de hartfrequentie, gekeken tijdens de meting van een inspanningstest?
Het verloop van de bloeddruk.
Wat is de meest voorkomende overkoepelende oorzaak van een aortaklepstenose op jonge leeftijd?
Een congenitale afwijking.
Wat is de specifieke anatomie van de klepbladen bij deze congenitale afwijking op jonge leeftijd?
De patiënt heeft slechts twee klepbladen in plaats van drie (bicuspide aortaklep).
Wat is het mechanisme en het klinische verloop van een bicuspide aortaklep?
Een bicuspide klep heeft de neiging sneller te verkalken, wat leidt tot een eerder optredende stenose, hoewel de klep vooraf geen symptomen hoeft te geven.
Op basis van welke drie specifieke criteria wordt vastgesteld dat er geen behandelindicatie is bij een aortaklepstenose?
Er zijn nog geen klachten, de klepopening heeft een oppervlakte van minimaal 1 cm² en de kamerfunctie is behouden.
Wat is het therapeutische beleid als er aan deze specifieke criteria voor een aortaklepstenose wordt voldaan?
De patiënt wordt gecontroleerd middels regelmatige follow-up om een mogelijke operatie zo lang mogelijk uit te stellen.
Wat houdt de chirurgische behandeloptie in wanneer er wel een behandelindicatie is bij een aortaklepstenose?
Een openhartoperatie waarbij de aortaklep wordt vervangen of, indien mogelijk, gerepareerd (meest gebruikte methode).
Wat houdt een TAVI-procedure in en wat zijn de specifieke eigenschappen en indicaties hiervan ten opzichte van chirurgie?
Het is een minder invasieve ingreep waarbij via de lies, de apex of de aorta een nieuwe klep wordt ingebracht, welke iets minder duurzaam is dan chirurgie, maar laagdrempeliger en geschikt voor patiënten met een verhoogd operatierisico.
Wat houdt de behandeloptie ballondilatatie in en waar dient deze specifiek voor bij een aortaklepstenose?
Via een katheter wordt een ballonnetje in de vernauwde klep gebracht en opgeblazen om de klepopeningen tijdelijk te vergroten, wat soms wordt toegepast als brug naar een definitieve behandeling.
Wat is de rol en het doel van medicatie bij de aanpak van een aortaklepstenose?
Er is geen medicatie die de aortaklepstenose kan verhelpen; de bloeddruk wordt hiermee gereguleerd om de belasting op het hart te verminderen.
Wat is het achterliggende mechanisme van het alarmsymptoom angina pectoris bij een aortaklepstenose?
Pijn op de borst ontstaat doordat het hypertrofische myocard meer zuurstof verbruikt, terwijl de doorbloeding verminderd is door de verhoogde drukbelasting.
Wat is het achterliggende mechanisme van het alarmsymptoom syncope bij een aortaklepstenose en wanneer treedt dit vooral op?
Het ontstaat vooral tijdens inspanning door een relatief tekort aan cardiac output door de klepvernauwing; tijdens inspanning kan de vaatweerstand dalen, maar het hart kan het slagvolume niet voldoende verhogen, waardoor de cerebrale perfusie afneemt.
Wat is het achterliggende mechanisme van kortademigheid en de overige klinische tekenen in de verschillende stadia van een aortaklepstenose?
Het is meestal het gevolg van diastolische dysfunctie van het hypertrofische linkerventrikel, waarbij in latere stadia ook systolische dysfunctie kan optreden (forward failure), wat bijdraagt aan een verminderde orgaanperfusie en longoedeem.
Wat is de gemiddelde overleving en prognose vanaf het optreden van het specifieke alarmsymptoom angina pectoris zonder klepvervanging?
De gemiddelde overleving zonder ingreep bedraagt nog ongeveer drie jaar.
Wat is de levensverwachting en prognose vanaf het optreden van het specifieke alarmsymptoom syncope zonder klepvervanging?
De levensverwachting is meestal minder dan twee jaar.
Wat is de gemiddelde overleving en prognose vanaf het optreden van het specifieke alarmsymptoom hartfalen zonder klepvervanging?
Het is de meest ernstige situatie; de overleving bedraagt gemiddeld minder dan één jaar.
Vanaf welk specifiek moment is een behandeling noodzakelijk bij een aortaklepstenose?
Behandeling is noodzakelijk zodra de patiënt klachten ervaart.
Welke specifieke symptomatische medische optie is geïndiceerd bij het optreden van angina pectoris bij een aortaklepstenose?
Toediening van vaatverwijders (zoals nitraten) om de klachten te verlichten.
Welke specifieke symptomatische medische optie wordt ingezet bij tekenen van hartfalen zoals dyspneu of overvulling bij een aortaklepstenose?
Inzet van diuretica.
Welke specifieke symptomatische medische optie is vereist bij het optreden van ritmestoornissen bij een aortaklepstenose?
Behandeling van onder andere atriumfibrilleren indien aanwezig.
Wat is de restrictie van alle symptomatische medicamenteuze opties bij een aortaklepstenose?
Deze medicatie verhelpt de klepstenose zelf niet en is puur symptomatisch van aard.
Wat zijn in grote lijnen de twee chirurgische behandelopties voor de aortaklep, en wat zijn de twee hoofdcategorieën voor vervanging?
De aortaklep wordt in sommige gevallen gerepareerd, maar meestal vervangen, waarbij de twee hoofdopties voor vervanging een mechanische klep of een biologische klep (bioklep) zijn.
Wat zijn de vier specifieke eigenschappen, verplichtingen en risico's van een mechanische klep?
Gaat levenslang mee, vereist het gebruik van vitamine K-antagonisten om trombose te voorkomen, brengt een verhoogd risico op bloedingen met zich mee, en vraagt om regelmatige INR-controles.
Waarom is een mechanische klep specifiek gecontra-indiceerd bij een zwangerschap?
Vanwege het risico op bloedverlies en schade aan de foetus, omdat vitamine K-antagonisten door de placenta heen kunnen en schade kunnen veroorzaken.
Wat zijn de drie specifieke eigenschappen en levensloopvoordelen van een biologische klep in een specifieke patiëntensituatie?
Heeft als voordeel dat er geen langdurige antistolling nodig is, gaat doorgaans slechts tien jaar mee, en kan in een specifieke situatie (relatief jonge leeftijd en de mogelijkheid van een toekomstige zwangerschap) verstandiger zijn om mee te starten omdat na een eventuele zwangerschap alsnog gekozen kan worden voor een mechanische klep.
Wanneer en waarom wordt een openhartoperatie specifiek toegepast als operatietechniek voor klepvervanging?
Wordt bij jongere patiënten vaak toegepast vanwege het lage operatierisico.
Waarom wordt een TAVI-procedure minder toegepast binnen deze specifieke jongere leeftijdsgroep?
Omdat het een minder duurzame oplossing is.
Voor welk specifiek cardiaal risico moet bij beide kleptypes worden opgelet en wat is de indicatie bij risicovolle ingrepen zoals tandartsbehandelingen?
Er moet worden opgelet voor endocarditis, en bij risicovolle ingrepen is profylactische antibiotica geïndiceerd.
Op welke vijf specifieke klinische kenmerken en bevindingen uit het lichamelijk onderzoek wordt de diagnose aortaklepinsufficiëntie gebaseerd?
Een hoge polsdruk (een groot verschil tussen de systolische en diastolische bloeddruk), een hoge hartfrequentie, hypertrofie van het linkerventrikel, een verplaatste ictus, en een zachter klinkende S2.
Hoe ontstaat hypertrofie van het linkerventrikel specifiek bij een aortaklepinsufficiëntie?
Het ontstaat om de wandspanning te behouden, nadat er eerst linkerventrikeldilatatie is opgetreden door een volume-overbelasting.
Waarom verplaatst de ictus zich naar links bij het lichamelijk onderzoek van een aortaklepinsufficiëntie?
Door de volumeoverbelasting en dilatatie van het linkerventrikel.
Waarom klinkt het tweede hartgeluid (S2) zachter bij een aortaklepinsufficiëntie?
Omdat de aortaklep minder goed sluit.
Wat is de hoofdoorzaak van deze specifieke hartklepafwijking?
Veal degeneratieve schade.
Welke drie andere primaire oorzaken kunnen ten grondslag liggen aan een aortaklepinsufficiëntie, en welke blijft over als endocarditis is uitgesloten?
Acuut reuma, endocarditis en congenitale afwijkingen, waarbij de oorzaak waarschijnlijk congenitaal is als endocarditis uitgesloten kan worden doordat de patiënt niet ziek is geweest.
Welke drie secundaire oorzaken kunnen leiden tot het ontstaan van een aortaklepinsufficiëntie?
Annulusdilatatie door hypertensie, aortadissectie of de ziekte van Marfan.
Welke vier specifieke symptomen kunnen optreden bij een ernstige aortainsufficiëntie, en wanneer manifesteren deze zich vooral?
Vermoeidheid, bleekheid, kortademigheid bij inspanning en angina pectoris, welke vooral optreden bij acute insufficiëntie of vóórdat het linkerventrikel zich heeft kunnen aanpassen.
Wat is het achterliggende fysiologische mechanisme van kortademigheid (backward failure) bij een aortaklepinsufficiëntie en tot welke drie specifieke uitingen kan dit leiden?
De verhoogde druk in de linkerkamer door backward failure van het linkerventrikel wordt overgedragen op het linkeratrium en vervolgens op de longvaten, wat leidt tot pulmonaal oedeem en zich kan uiten in orthopneu, dyspneu en eventueel atriumfibrilleren door atriumdilatatie.
Wat is het achterliggende fysiologische mechanisme van vermoeidheid (forward failure) bij een aortaklepinsufficiëntie en waarin kan dit zich uiten?
Er is sprake van een verminderde cardiac output, wat zich uit in vermoeidheid en soms nierfunctiestoornissen door verminderde perfusie.
Wat is het achterliggende fysiologische mechanisme van angina pectoris bij een aortaklepinsufficiëntie?
Het ontstaat door een verhoogde zuurstofbehoefte van het hypertrofische myocard en een verkorte diastole bij hoge hartfrequentie, wat de coronaire perfusie beperkt.
Welke vijf specifieke tekenen kunnen worden gevonden bij het lichamelijk onderzoek van een aortaklepinsufficiëntie?
Diastolisch geruis, crepitaties over de longen, een kloppende arteria carotis (pulsus celer et altus of homopulsans), perifere oedemen (bij betrokkenheid van de rechterkamer), en een zachter klinkend hartgeluid doordat de aortaklep niet goed sluit waardoor alleen het pulmonalisklepgeluid hoorbaar is.
Welke specifieke parameters, functies en structurele afwijkingen worden beoordeeld met een echocardiogram bij een aortaklepinsufficiëntie?
De klepfunctie, de mate van insufficiëntie, bloedstromen, de functie van het linker- en rechterventrikel, atriumverwijding, linkerventrikelhypertrofie, informatie over de klepanatomie en eventuele regurgitatie.
Welke vier specifieke afwijkingen of cardiale uitingen kunnen zichtbaar zijn op een X-thorax bij een aortaklepinsufficiëntie?
Een vergroot Harthart, calcificaties van de kleppen, longoedeem of verwijding van de aorta ascendens.
Welke vier specifieke elektrocardiografische tekenen kunnen worden aangetoond op een ECG bij een aortaklepinsufficiëntie?
Mogelijke tekenen van linkerventrikelhypertrofie, boezemdilatatie, atriumfibrilleren of een strain-patroon (zoals ST-depressies), passend bij drukbelasting.
Met welke twee specifieke doelen of indicaties wordt een hartkatheterisatie verricht bij een aortaklepinsufficiëntie?
Om de aanwezigheid van coronairlijden in kaart te brengen en om drukmetingen in het hart te doen, bijvoorbeeld bij twijfel over de ernst van de stenose of bij verdenking op pulmonale hypertensie.
Wat is het therapeutische beleid bij een asymptomatische ernstige chronische aortaklepinsufficiëntie en waarom?
Het beleid is terughoudend, omdat deze afwijking vaak lange tijd goed verdragen wordt, waardoor een vroege operatie meestal niet nodig is en er bij deze specifieke patiënt nog geen indicatie voor operatie is.
Op basis van welke specifieke parameters en afmetingen van het linkerventrikel, of bij welke overige chirurgische omstandigheden, wordt een operatie-indicatie overwogen bij een aortaklepinsufficiëntie?
Wanneer het linkerventrikel tekenen van overbelasting toont, zoals een toename in einddiastolische afmetingen (> 25 mm/m²) of een ejectiefractie onder de 50%, of bij een geplande hartoperatie zoals een coronaire bypass of een ingreep aan de aorta.
Wat is het effect en de klinische beperking van RAAS-remmers en dihydropyridine-calciumantagonisten bij een aortaklepinsufficiëntie?
Ze kunnen klachten verlichten, maar remmen het ziekteproces niet.
Waarom worden bètablokkers specifiek vermeden bij het farmacotherapeutisch beleid van een aortaklepinsufficiëntie?
Omdat zij de hartslag verlagen, waardoor het teruglekken van bloed toeneemt en de belasting van het linkerventrikel verergert.
Wanneer is de inzet van gerichte medicatie noodzakelijk bij een aortaklepinsufficiëntie?
Nodig bij complicaties zoals hartfalen.
Wat is de eerste specifieke factor die bijdraagt aan het stellen van een operatie-indicatie bij een aortaklepinsufficiëntie?
Het ervaren van klachten (kortademigheid, pijn op de borst, syncope).
Wat is de tweede specifieke factor die bijdraagt aan het stellen van een operatie-indicatie bij een aortaklepinsufficiëntie?
Een verslechterde functie van de linkerkamer (afnemen van de ejectiefractie).
Wat is de waarschijnlijke overkoepelende oorzaak van de acute klachten bij een specifieke risicogroep en waarom verhoogt IV drugsgebruik dit risico?
Endocarditis, waarbij IV drugsgebruik de kans hierop aanzienlijk verhoogt door een hoge kans op besmetting via vieze naalden.
Welke zeven specifieke bevindingen en auscultatoire kenmerken kunnen worden gevonden bij het lichamelijk onderzoek bij een vermoeden van endocarditis?
Koorts, koude rillingen, splinterbloedinkjes in de nagels, Osler’s nodes, Janeway lesions, petechiën en conjunctivale bloedingen, waarbij crepitaties en perifeer oedeem kunnen wijzen op hartfalen en bij auscultatie vaak een nieuw of veranderd souffle hoorbaar is.
Welke laboratoriumparameters en specifieke radiologische of elektrocardiografische onderzoeken worden ingezet bij aanvullend onderzoek naar endocarditis?
Bloedkweken, CRP en nierfunctie, een X-thorax voor overvulling, en een ECG vanwege mogelijke ritmestoornissen.
Welke specifieke vorm van echocardiografie wordt aanbevolen bij aanvullend onderzoek naar endocarditis en waarom?
Een transoesophageale echo (TEE) wordt aanbevolen om vegetaties op de kleppen goed in beeld te brengen, zeker als een transthoracale echo (TTE) niets laat zien.
Aan de hand van welk diagnostisch scoringssysteem wordt de diagnose endocarditis gesteld en welke twee bevindingen zijn hierin doorslaggevend?
De diagnose wordt gesteld aan de hand van de Duke Criteria, waarbij klepvegetaties en positieve bloedkweken doorslaggevend zijn.
Op basis van welke drie specifieke cardiale indicaties of medische voorgeschiedenis is endocarditisprofylaxe aan te raden?
Bij een eerder doorgemaakte endocarditis, bij bepaalde congenitale afwijkingen, of wanneer de patiënt een hartklepprothese heeft.
Waarom moet de antibioticakeuze voor endocarditisprofylaxe specifiek worden afgestemd op de anatomische locatie van de ingreep?
Omdat het profylactisch voorgeschreven antibioticum anders moet zijn bij een ingreep aan het gebit dan bij een ingreep aan een geïnfecteerde teen, aangezien de bacteriën die voorkomen in de mond en op de huid verschillen.
Wat is de therapeutische indicatie en het doel van een diureticum bij een aortaklepstenose met hartfalen als een klepvervanging onmogelijk is?
Het kan helpen om vochtophoping in de longen te verminderen en de kortademigheid te verlichten.
Wat is de therapeutische indicatie en het doel van een ACE-remmer bij een aortaklepstenose met hartfalen als een klepvervanging onmogelijk is?
Het kan worden gegeven om de afterload en hypertensie te verlagen, wat het hart ontlast.
Welke drie farmacologische categorieën zijn ongewenst bij een aortaklepstenose met hartfalen en wat is de fysiologische reden hiervoor met betrekking tot de cardiale vulling?
Bètablokkers, nitraten en calciumantagonisten zijn ongewenst omdat zij de bloeddruk te sterk verlagen, wat het al beperkte slagvolume verder vermindert; het is belangrijk om de veneuze return niet te verlagen om een voldoende preload en slagvolume te behouden.
Waarom is het specifiek nuttig om de ejectiefractie te bepalen ter beoordeling van de linkerkamerfunctie bij een aortaklepstenose?
Omdat een daling van de fractie erop kan wijzen dat het linkerventrikel niet meer goed functioneert.
Waarom geeft het meten van de ejectiefractie een vertekend beeld van de linkerkamerfunctie bij een mitralisklepinsufficiëntie en wat wil men in plaats daarvan weten?
Omdat men hierbij wil weten hoeveel bloed er terug de boezems in lekt; het bloed verplaatst zich in dat geval makkelijk terwijl de kamer niet al het bloed richting de aorta pompt, wat iets zegt over de mate van insufficiëntie en wat de ejectiefractie niet doet.
Wat is het algemene fysiologische werkingsmechanisme van geneesmiddelen die een lek naar de linkerkamer verminderen bij een aortaklepinsufficiëntie?
De medicatie richt zich op het verlengen van de diastole en het verlagen van de bloeddruk, waardoor de hoeveelheid teruglekkend bloed naar de linker hartkamer afneemt.
Welke twee farmacologische hoofdgroepen dienen als voorbeeld voor het verminderen van dit lek en wat is hun hemodynamische effect op de uitstroomweerstand?
ACE-remmers en calciumantagonisten, welke werken als arteriële vaatverwijders en de afterload verlagen.
Wat is het specifieke, aanvullende werkingsmechanisme van ACE-remmers op de cardiale vulling en de structurele wandveranderingen bij een aortaklepinsufficiëntie?
Ze verminderen daarnaast ook de preload en remmen de hypertrofische veranderingen van het hart.