1/199
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
In onze Westerse samenlevingen kennen we monogamie als basisregel voor het huwelijk. In andere culturen
kan deze regel sterk verschillen, bijvoorbeeld polygamie, polyandrie... . Dit voorbeeld illustreert goed...
1) het bestaan van perverse seksuele voorkeuren
2) de evolutionaire voorsprong van het Westen
3) de contingentiestelling van Luhmann
4) het bestaande rechtvaardigheidsgevoel
5) het collectivisme van Durkheim
6) het historisch materialisme van Marx
7) het contingente van de sociale werkelijkheid
8) het moderniseringsproces
9) het Universalisme
10) geen van bovenstaande mogelijkheden
7) Het contingente van de sociale werkelijkheid
Comte gaat op zoek naar een oplossing voor het probleem van de niet-arbitraire contingentie en de orde.
Welke instelling kan daar volgens hem een belangrijke rol in spelen? Geef het meest correcte antwoord aan.
1) Religie
2) Ideologie
3) Het moderne kerngezin
4) Een politieke dictatuur
5) Traditie
6) De vrije markt
7) Charismatisch leiderschap
8) Wetenschap
9) De natuur
10) Geschiedenis
8) Wetenschap
Een belangrijke sociologische les is dat alles contingent is maar daarom nog niet arbitrair. Welke twee van de
volgende uitspraken zijn in strijd met die les?
1) Onze instituties hadden ook een totaal andere vorm kunnen aannemen.
2) De samenleving en de geschiedenis zijn totaal beheersbaar.
3) Er is geen goede reden voor de vorm die instituties bij ons hebben aangenomen.
4) Wetten, reglementen en gewoonten berusten slechts op conventies.
5) Iets is noch noodzakelijk, noch onmogelijk.
2) De samenleving en de geschiedenis zijn totaal beheersbaar
3) Er is geen goede reden voor de vorm die instuties bij ons hebben aangenomen
Welke inzichten en bijdragen leverde Comte aan het ontstaan en de ontwikkeling van de sociologie als
wetenschap? Geef de twee correcte antwoorden aan.
1) Het idee dat het sociale van natuurlijke oorsprong is.
2) De sociologie moet zich bezighouden met het zoeken naar regelmaten in het handelen van mensen
in plaats van metafysische vragen te stellen over de oorsprong van de mens.
3) Sociologen moeten een zekere afstandelijkheid aan de dag leggen ten aanzien van hun onderzoeksobject.
4) Een positivistische benadering van de sociale werkelijkheid, oftewel een zakelijke, op
wetenschappelijke observatie en logica steunende onderzoekswijze van de samenleving is van
groot belang.
5) Vooroordelen en belangen versluieren een realistische en nuchtere kijk op sociale fenomenen.
2) De sociologie moet zich bezighouden met het zoeken naar regelmaten in het handelen van mensen in plaats van metafysische vragen te stellen over de oorsprong van de mens
4) Een posivistische benadering van de sociale werkelijkheid, oftewel een zakelijke, op wetenschappelijke observatie en logica steunende onderzoekswijze van de samenleving is van groot belang
Onder het 'contingente' van de sociale werkelijkheid wordt in de cursus verstaan:
1) de matiging van het individuele handelen onder invloed van de groep.
2) de verplichte bijdrage of het toegeschreven aandeel van een individu in de collectieve lasten.
3) het in samenhang zijn van individuen.
4) dat de economische organisatie van vandaag ook anders had kunnen zijn.
5) het niet noodzakelijke van de bestaande sociale orde.
4) Dat de economische organisatie van vandaag ook anders had kunnen zijn
5) Het niet noodzakelijke van de bestaande sociale orde
Welke stellingen horen bij het denken van de Tegen-Verlichting? Duid de twee juiste stellingen aan.
1) Redelijk handelen brengt maatschappelijk rust, vooruitgang en geluk.
2) Mensen handelen vooral uit eigen belang.
3) Religie moet worden verworpen als ordehandhaver in de samenleving.
4) Om samenleven mogelijk te maken moeten er limieten worden opgelegd aan het individueel
handelen.
5) Wetenschappelijke kennisbouw zal redelijk gedrag bevorderen.
2) Mensen handelen vooral uit eigen belang
4) Om samenleven mogelijk te maken moeten er limieten worden opgelegd aan het individueel handelen
Het besef van het contingente doet de vraag rijzen hoe sociale orde mogelijk is. Welke twee stellingen over
sociale orde zijn juist?
1) Voor sociologen is sociale orde de mogelijkheid om tot nageleefde regels te komen.
2) Sociale orde is een theoretische ideaal, maar zal in de praktijk niet voorkomen.
3) Voor sociologen staat sociale orde gelijk aan het behoud van bestaande machtsverhoudingen.
4) Het vraagstuk van sociale orde heeft onder meer betrekking op de vraag hoe samenlevingen tot
gedeelde opvattingen en waarden komen.
5) Sociale orde is pas mogelijk wanneer alles strikt volgens de regels verloopt
1) Voor sociologen is sociale orde de mogelijkheid om tot nageleefde regels te komen
4) Het vraagstuk van sociale orde heeft onder meer betrekking op de vraag hoe samenlevingen tot gedeelte opvattingen en waarden komen
Wat bedoelen sociologen als ze het hebben over sociale orde?
1) het geheel van normen, gedragscodes en regels die de mensen wel weten te gebruiken, doch niet
uitdrukkelijk kunnenformuleren.
2) de mogelijkheid om tot nageleefde regels te komen.
3) datgene wat het leven een mate van voorspelbaarheid heeft.
4) het geheel van verwachtingen ten opzichte van iemand in een bepaalde, zich herhalende situatie.
5) het behoud van het bestaande.
2) De mogelijkheid om tot nageleefde regels te komen
3) Datgene wat het leven een mate van voorspelbaaheid heeft
Tot welke inzichten heeft het besef dat regels en wetten contingent zijn geleid? Duid 2 juiste antwoorden aan.
1) Dat men de organisatie van de samenleving niet langer kan baseren op de goddelijke wil of
natuurlijke noodzaak.
2) De religie een zinloze manier is om orde te scheppen en te handhaven binnen een samenleving.
3) Volgens onder andere Jean-Jacques Rousseau dreigt hierdoor het respect voor wetten en
reglementen verloren gaan.
4) Dat de discussie tussen Verlichtingsdenkers en Tegen-Verlichtingsdenkers niet meer relevant is. Luhmann
stelt namelijk dat de meerderheidsregel het arbitraire in de samenleving opheft.
5) Het beseft dat regels en wetten contingent zijn, impliceert een optmistisch geloof in de maakbaarheid van
de samenleving.
1) Dat men de organisatie van de samenleving niet langer kan baseren op de goddelijke wil of natuurlijke noodzaak
3) Volgens onder andere Jean-Jacques Rousseau dreigt hierdoor het respect voor wetten en reglementen verloren gaan.
Een pervers effect is:
1) verdorven.
2) verkeerd.
3) onbedoeld.
4) ongewenst.
5) tegennatuurlijk.
3) Onbedoeld
4) Ongewenst
Waarin verschillen de posities van Luhmann en Habermas ten aanzien van het arbitraire? Geef de twee juiste
antwoorden aan.
1) Luhmann is een overtuigde Verlichtingsdenker; wetenschap is de enige echte methode om zeker te weten
wat de waarheid is.
2) Habermas en Luhmann zien beiden een rol weggelegd voor conflict als communicatiemiddel.
3) Habermas zet zich af tegen de ideeën van de Verlichting en ziet geen heil in redelijke oplossingen;
instellingen als religie en traditie zijn beter geplaatst.
4) Habermas meent dat via open en redelijke communicatie, en via redelijke kennis- en
handelingswijzen, keuzes gemaakt kunnen worden die het arbitraire opheffen.
5) Volgens Luhmann moeten we leren leven met het arbitraire; een consensus is immers onmogelijk.
4) Habermas meent dat via open en redelijke communicatie, en via redelijke kennis- en handelingswijzen, keuzes gemaakt kunnen worden die het arbitraire opheffen
5) Volgens Luhmann moeten we leren leven met het arbitraire; een consensus is immers onmogelijk
'Het arbitraire' is Jürgen Habermas een doorn in het oog. Hoe kunnen we volgens hem hieraan ontsnappen?
Geef de twee foute antwoorden aan.
1) Wanneer iedereen het eens is over de doelen en prioriteiten in de samenleving, houden de regels en
instellingen die we zelf maken op met willekeurig en arbitrair te zijn.
2) De geschiedenis leert dat democratie en vrije-markteconomie respectievelijk de beste
regeringsvorm en het beste economische model zijn.
3) Door kennis- en handelingswijzen te ontwikkelen die toelaten onze doelen redelijk te kiezen en te
beheersen.
4) Religie en traditie bieden volgens Habermas een manier om het arbitraire te weerleggen; ze dienen
deels in ere hersteld te worden.
5) Wetenschap biedt een methode om op open wijze met elkaar te communiceren; deze ongedwongen
communicatie leidt onder eerlijke en redelijke mensen tot een consensus over doelen en prioriteiten.
2) De geschiedenis leert dat democratie en vrije-markteconomie respectievelijk de beste regeringsvorm en het beste economische model zijn.
4) Religie en traditie bieden volgen Habermas een manier om het arbitraire te weerleggen; ze dienen deels in ere hersteld te worden
In scholen in de Verenigde Staten moeten studenten en/ of hun ouders de volledige kosten van de opleiding
zelf betalen. Er worden wel studiebeurzen gegeven, maar enkel aan studenten die voordien reeds bewezen
hebben dat ze goede resultaten halen op examens. Dit is een typisch voorbeeld van (geef het juiste antwoord):
1)ver doorgedreven taylorisme
2)een zelfondergravende redenering
3)een pervers effect van 'The American dream'
4)het Matthëus-effect
5)het probleem van de collectieve actie
6)de dominantie van het utilitaire individualisme in de V.S.A.
7)het gebrek aan gemeenschapsverzuchting
8)de toepasbaarheid van het doel-paradigma in nonprofitorganisaties
9)een onbedoeld gevolg van een rationeel handelende overheid
10) een self-fulfilling prophecy
4) Het Matthëus-effect
Welke regels of principes onderbouwen het geven van geschenken? Geef de twee juiste antwoorden aan.
1) Vermogendheid
2) Reciprociteit
3) Functionaliteit
4) Normativiteit
5) Proportionaliteit
2) Reciprociteit
5) Proportionaliteit
Hieronder vind je een aantal uitspraken met betrekking tot de taken van de socioloog. Welke twee van deze
uitspraken zijn fout?
1) De praktische sociologie wil ons door inzicht ook van de waarneming van de sociale werkelijkheid laten
genieten.
2) De kritische sociologie kan de bestaande waarden en overtuigingen niet aanvaarden.
3) De kritische socioloog wil door inzicht in het functioneren van de samenleving de zelfgemaakte, doch
verborgen beperkingen ervan aan het licht brengen.
4) Het doel van de empirisch-analytische kennis is de bestaande belangenconstellaties in de
maatschappij te doorbreken.
5) Het ontsluieren van de werkelijkheid die doorgaans verborgen blijft, is de belangrijkste doelstelling van de
kritische sociologie.
2) De kritische sociologie kan de bestaande vragen en overtuigingen niet aanvaarden
4) Het doel van de empirisch-analytische kennis is de bestaande belangenconstellaties in de maatschappij te doorbreken
De klassieke onderzoekscyclus schrijft een aantal stadia voor wetenschappelijke vooruitgang voor. Welke twee
stellingen over deze onderzoekscyclus zijn fout?
1) Na de formulering van een hypothese wordt een algemene stelling opgesteld.
2) Na toetsing en observatie volgt de aanpassing van de theorie.
3) Theorieën zijn algemene uitspraken over het menselijk gedrag, waarvan de verbijzondering de
geobserveerde werkelijkheid kan verklaren.
4) Een hypothese in de functionalistische gezinstheorie zou kunnen luiden: 'gezin en economie
moeten op elkaar worden afgestemd'.
5) In empirisch onderzoek moet een hypothese altijd empirisch getoetst kunnen worden.
1) Na de formulering van een hypothese wordt een algemene stelling opgesteld
4) Een hypothese in de functionalistische gezinstheorie zou kunnen luiden: 'gezin en economie moeten op elkaar worden afgestemd'
Wat bedoelt Claude Javeau met de 'sociologie van het dagelijkse leven'? Geef de twee correcte antwoorden
aan.
1) Sociale wetenschappen moeten bij de studie van de samenleving vooral de aandacht richten op het
dagelijkse leven van mensen. Hierin schuilt de kern van het maatschappelijke leven.
2) Hiermee doelt Javeau op het belang van de praktische taak van de socioloog.
3) Hiermee doelt Javeau op de houding van afstandelijke betrokkenheid die sociologen kenmerkt.
4) Sociologen moeten proberen de sociale werkelijkheid te beschrijven met behulp van de termen en
de voorstellingswijzen die mensen zelf hanteren.
5) Hiermee doelt Javeau op de respectvolle houding die sociologen dienen aan te nemen bij de studie van
het menselijke handelen.
1) Sociale wetenschappen moeten bij de studie van de samenleving vooral de aandacht richten op het dagelijkse leven van de mensen. Hierin schuilt de kern van het maatschappelijke leven
4) Sociologen moeten proberen de sociale werkelijkheid te beschrijven met behulp van de termen en de voorstellingswijzen die mensen zelf hanteren
Duid de twee juiste stellingen aan over de taken en de houding van een socioloog.
1) Met de praktische taak wordt bedoeld dat de socioloog met zijn onderzoeksresultaten en theorieën vaak
tegen bestaande belangen en vooroordelen ingaat. Hij verschijnt dan als een soort mythejager. Achter de
werkelijkheid zoals zij lijkt te zijn, toont hij een dieperliggende werkelijkheid.
2) Met de kritische taak wordt bedoeld dat sociologen slechts tot echte inzichten in de samenleving kunnen
komen als ze de samenhang van diverse verschijnselen weten te vatten en verschijnselen in hun samenhang
met andere leren zien.
3) Empirisch-analytische kennis kan nuttig zijn bij het evalueren van beleid. Het aanleren van de
methoden om die kennis verwerven, neemt dan ook een belangrijke plaats in de opleiding van
sociologen.
4) De Belgische socioloog Claude Javeau opteert voor een sociologie van het 'dagelijks leven' waarin
de socioloog het gedrag niet beschrijft in termen van theorieën die dan worden getoetst, maar in de
terminologie en de voorstellingswijzen die de mensen zelf gebruiken. Dit sluit aan bij de praktische
taak van de socioloog.
5) Een goede socioloog moet kiezen tussen het nastreven de praktische taak, de kritische taak en de
empirische- analytische taak. Het is niet mogelijk meer dan één van deze taken tegelijk na te streven.
3) Empirisch-analytische kennis kan nuttig zijn bij het evalueren van beleid. Het aanleren van de methoden om die kennis verwerven, neemt dan ook een belangrijke plaats in de opleiding van sociologen
4) De Belgische socioloog Claude Javeau opteert voor een sociologie van het 'dagelijkse leven' waarin de socioloog het gedrag niet beschrijft in termen van theorieën die dan worden getoetst, maar in de terminologie en de voorstellingswijzen die de mensen zelf gebruiken. Dit sluit aan bij de praktische taak van de socioloog
Van de socioloog wordt dikwijls verondersteld dat hij zich aan de rand van de samenleving opstelt, teneinde een
kritische functie te kunnen vervullen. Dit houdt in dat de socioloog:
1) zich zo weinig mogelijk beperkingen mag laten opleggen door theorieën te gebruiken bij het waarnemen
van sociale verschijnselen.
2) zich niet mag inlaten met belangen, passies, vooroordelen, ...; deze aspecten van het sociale
kunnen dan ook nooit het voorwerp van een sociologische reflexie zijn.
3) zich alleen aan de 'feiten' mag houden; een 'Verstehende' methode is dan ook praktisch niet te realiseren.
4) het maatschappelijk gebeuren volgt vanuit een positie die relatief onafhankelijk is van de dominante
economische en politieke belangengroepen.
5) de waarnemingen, beschrijvingen en kennis van handelingsgebieden, groepen of organisaties
observeert zonder zich erin te engageren of mee te verbinden.
2) Zich niet mag inlaten met belangen, passies, vooroordelen,...; deze aspecten van het sociale kunnen dan ook nooit het voorwerp van een sociologische reflexie zijn
5) De waarnemingen, beschrijvingen en kennis van handelingsgebieden, groepen of organisaties observeert zonder zich erin te engageren of mee te verbinden
Een socioloog moet 'respect' hebben voor de onderwerpen die hij bestudeert. Wat wordt hiermee bedoeld?
1) culturen kunnen niet op een wetenschappelijke manier met elkaar vergeleken worden, alle culturele
fenomenen verdienen evenwel de aandacht van de socioloog.
2) de socioloog moet ook begrip opbrengen voor opvattingen, gewoonten, cultuuruitingen, ... die hij
niet ten volle begrijpt; hij moet proberen de betekenis en de zin van deze zaken te ontdekken.
3) de socioloog moet vooral aandacht hebben voor de gewone dingen des levens.
4) de socioloog moet een respectvolle afstand bewaren ten opzichte van de onderwerpen die hij
bestudeert.
5) de socioloog moet ervan uitgaan dat alle sociale en culturele verschijnselen gelijkwaardig zijn.
2) De socioloog moet ook begrip opbrengen voor opvattingen, gewoonten, cultuuruitingen,... die hij niet ten volle begrijpt; hij moet proberen de betekenis en de zin van deze zaken te ontdekken
4) De socioloog moet een respectvolle afstand bewaren ten opzichte van de onderwerpen die hij bestudeert
Men kan Marx en Freud beschouwen als inspiratiebron van de kritische sociologie omdat zij:
1) het oneens waren met de bestaande maatschappij-organisatie en deze wilden veranderen.
2) gekant waren tegen de bestaande, heersende klassen.
3) betrokken waren bij revolutionaire bewegingen.
4) van oordeel waren dat er achter de schijnbare werkelijkheid een diepere, meer betekenisvolle
werkelijkheid schuilging.
5) meenden dat kennis kon leiden tot bevrijding en emancipatie.
4) Van oordeel waren dat er achter de schijnbare werkelijkheid een diepere, meer betekenisvolle werkelijkheid schuilging
De sociologie is een empirische wetenschap. Dit betekent dat:
1) de socioloog zich niet mag inlaten met de ideeën, de vooroordelen en de passies van de mensen en / of de
groepen die hij bestudeert.
2) de socioloog er steeds moet van uitgaan dat mensen rationeel en uit eigenbelang handelen.
3) de socioloog steeds bereid moet zijn de eigen opvattingen zonder vooroordelen te toetsen aan zijn
waarnemingen en aan die van anderen.
4) de socioloog zich steeds op de rand van de samenleving moet houden en geen eigen opvatting mag hebben.
5) de socioloog zich niet mag laten verleiden tot het herformuleren van abstracte opvattingen over het
'ware' wezen van de mens zonder deze opvattingen te toetsen aan de empirische werkelijkheid.
3) De soioloog steeds bereid moet zijn de eigen opvattingen zonder vooroordelen te toetsen aan zijn waarnemingen en aan die van anderen
5) De socioloog zich niet mag laten verleiden tot het herformuleren van abstracte opvattingen over het 'ware' wezen van de mens zonder deze opvattingen te toetsen aan de empirische werkelijkheid
Voor de empirisch-analytische taak van de socioloog is de onderzoekscyclus een belangrijk element. Welke
stappen maken deel uit van een onderzoekscyclus? Duid de twee foute antwoorden.
1) Indien een hypothese wordt weerlegd, wordt de onderzoekscyclus eigenlijk verbroken en moet
opnieuw beginnen met het onderzoek.
2) Het opstellen van een hypothese. Dit is een stelling die wordt afgeleid uit theorie, met andere woorden uit
een meer algemene visie op hoe de sociale werkelijkheid in elkaar uit.
3) De conclusies na het doorlopen van een volledige onderzoekscyclus kunnen er we beiden de theorie wordt
aangepast.
4) Een hypothese moet door onderzoek worden getoetst. Er wordt dan geobserveerd of de stelling strookt met
de empirische realiteit.
5) Indien een hypothese niet klopt komt het er eigenlijk op neer dat de theorie terzijde moet worden
geschoven omdat ze onbruikbaar is.
1) Indien een hypothese wordt weergelegd, wordt de onderzoekscyclus eigenlijk verbroken en moet opniew beginnen met het onderzoek
5) Indien een hypothese niet klopt komt het er eigenlijk op neer dat de theorie terzijde moet worden geschoven omdat ze onbruikbaar is
Indien men een socioloog zou vragen een maatschappij-effect-rapportage te maken voor een beoogde
beleidsmaatregel, welke twee van onderstaande taken dient hij dan als wetenschapper niet te vervullen?
1) een metamaatschappelijk communicatieve.
2) een empirisch-analytische.
3) een kritische.
4) een praktische.
5) een ideologische.
1) Een metamaatschappelijk communicatieve
5) Een ideologische
Waarom is het vaak moeilijk voor de socioloog om zijn onderzoeksbevindingen en zijn kennis over te dragen
aan de leden van de samenleving?
1) omdat de inzichten van sociologen vaak indruisen tegen de stellingen die mensen hanteren over hoe
de samenleving functioneert.
2) omdat sociologische kennis altijd uitgaat van bepaalde veronderstellingen. Sociologische inzichten zijn dan
ook nooit definitief en altijd betwistbaar.
3) omdat de sociologische inzichten vaak bedreigend zijn voor de belangen van bepaalde groeperingen
of sociale posities.
4) omdat sociologische kennis vaak geen rekening houdt met het gezond verstand.
5) omdat achter sociologische inzichten vaak bedoelingen schuilgaan die indruisen tegen de bestaande
machtsverhoudingen.
1) Omdat de inzichten van sociologen vaak indruisen tegen de stellingen die mensen hanteren over hoe de samenleving functioneert
3) Omdat de sociologische inzichten vaak bedreigend zijn voor de belangen van bepaalde groeperingen of sociale posities
Wat is het Mattheus-effect? Geef de twee correcte antwoorden aan.
1) Het Mattheus-effect wijst op de onbedoelde herverdelende invloed van veel sociaal beleid: 'aan wie weinig
heeft zal gegeven worden, van wie veel heeft zal genomen worden'.
2) Het Mattheus-effect is een voorbeeld van een onbedoeld, in vele gevallen zelfs pervers effect.
3) Het Mattheus-effect toont dat individueel redelijk gedrag steeds tot redelijke uitkomsten leidt.
4) Merton wees met het Mattheus-effect op het cumulatieve karakter van wetenschappelijke
erkenning: gereputeerde wetenschappers krijgen meer aandacht en middelen voor hun onderzoek.
5) Het Mattheus-effect stelt dat welstellende mensen, wanneer ze tenminste rationeel handelen, intelligenter
en zorgvuldiger omspringen met hun geld en vermogen dan minder welstellende mensen.
2) Het Mattheus-effect is een voorbeeld van een onbedoeld, in vele gevallen perverse effect.
4) Merton wees met het Mattheus-effect op het cumulatieve karakter van wetenschappelijke erkenning: gereputeerde wetenschappers krijgen meer aandacht en middelen voor hun onderzoek
Wat is het Mattheus-effect?
1) omwille van dit effect heeft de snelle expansie van het universitair onderwijs niet tot grotere
inkomensgelijkheid geleid.
2) het Mattheus-effect is een gevolg van een verkeerde definitie van de situatie.
3) het Mattheus-effect heeft voor gevolg gehad dat het invoeren van studiebeurzen toch weer veeleer
de kinderen uit de middenklasse eerder dan de arbeiderskinderen is ten goede gekomen.
4) het Mattheus-effect verwijst naar de paradoxale sociologische vaststelling dat de laatsten vaak ook de
eersten zijn.
5) omwille van dit effect worden heel wat goederen en / of diensten verdeeld op een manier die personen
bevoordeelt die al in ruimere mate over die goederen of diensten beschikten.
3) Het Mattheus-effect heeft voor gevolg gehad dat het invoeren van studiebeurzen toch weer veeleer de kinderen uit de middenklasse eerder dan de arbeiderskinderen is ten goede gekomen
5) Omwille van dit effect worden heel wat goederen en / of diensten verdeeld op een manier die personen bevoordeelt die al in ruimere mate over die goederen of diensten beschikten
Welke argumenten hanteren de tegenstanders van de rational-choicetheorie? Geef de twee juiste antwoorden
aan.
1) De verdedigers van de rational-choicetheorie hebben enkel oog voor de sociale context waarbinnen
preferenties tot stand komen.
2) De aanhangers van de rational-choicetheorie ontkennen dat collectieve actie door dwang of geweld tot
stand kan komen.
3) De aanhangers van de rational-choicetheorie stellen zich niet de vraag vanwaar de preferenties van
mensen komen.
4) De rational-choicetheorie is gericht op een status quo van de bestaande machtsverhoudingen.
5) Het is slechts een veronderstelling dat mensen steevast uit eigenbelang handelen.
3) De aanhanges van de rational-choicetheorie stellen zich niet de vraag vanwaar de preferenties van mensen komen
5) Het is slechts een veronderstelling dat mensen steevast uit eigenbelang handelen
Welke van de onderstaande voorbeelden zouden als een geval van een selffulfilling prophecy (zelfvervullende
voorspelling) kunnen gelden? Geef de twee correcte antwoorden aan.
1) Jan heeft zich er zodanig van overtuigd dat hij in de match gaat scoren dat hij inderdaad een goal maakt.
2) Je vader voorspelt dat de VRT kijkers zal verliezen en dat blijkt na een tijdje ook het geval te zijn.
3) De polls en kranten voorspellen dat partij X zal winnen en die partij gaat inderdaad vooruit.
4) Een student heeft faalangst en slaagt daardoor niet voor zijn examen.
5) De Wereldvoedselorganisatie voorspelt dat de koffie schaars gaat worden en later is er weinig
koffie in de winkels voorhanden.
3) De polls en kranten voorspellen dat partij X zal winnen en die partij gaat inderdaad vooruit
5) De Wereldvoedselorganisatie voorspelt dat de koffie schaars gaat worden en later is er weinig koffie in de winkels voorhanden
Geef twee correcte antwoorden. Als mensen een gemeenschappelijk belang hebben dat via een gepaste
wetgeving kan worden opgelost, zullen zij zich volgens theorie van de collectieve actie van Mancur Olson ...
1) De belangen van anderen dienen
2) Verzetten tegen verenigingen die dat belang behartigen
3) Niet uit eigen beweging aansluiten bij organisaties die dat belang behartigen
4) Verenigen om dat belang te behartigen
5) Slechts onder druk bij dergelijke acties aansluiten
3) Niet uit eigen beweging aansluiten bij organisaties die dat belang behartigen
5) Slechts onder druk bij dergelijke acties aansluiten
Aan hem die heeft zal gegeven worden...van wie niets heeft, zal het weinige dat hij heeft ontnomen worden'.
Deze passus staat in de sociologie bekend als:
1) een voorbeeld van een Merton-effect zoals we dat in de stelsels van sociale zekerheid kunnen
waarnemen.
2) een voorbeeld van zelfvervullende voorspelling op het gebied van de sociale ongelijkheid.
3) een voorbeeld van een onbedoeld effect van ongelijke verdelingen.
4) een correcte beschrijving van wat er gebeurt als bekende en minder bekende wetenschappers tegelijkertijd
met dezelfde bevinding naar buiten treden.
5) het Mattheus-effect.
3) Een voorbeeld van een onbedoeld effect van ongelijke verdelingen
5) Het Mattheus-effect
Het is geweten dat de houders van diploma X gemakkelijker aan werk geraken dan de houders van diploma Y.
Op basis van die kennis kiezen een groot aantal studenten studierichting X. Als zij afstuderen stellen zij vast
dat heel wat personen met diploma X zich op de arbeidsmarkt aanbieden, en dat de tewerkstellingskansen van
de houders van dit diploma bijzonder ongunstig wordt. Dit is een voorbeeld van:
1) een Mattheüs-effect.
2) een Gropius-curve.
3) een Popper-gevolg.
4) een zelfvernietigende voorspelling.
5) een misplaatst gebruik van de ziekterol.
6) een onbedoeld gevolg van de snelle universitaire expansie.
7) een bewijs dat een universitair diploma aan waarde verliest.
8) een illustratie van het probleem van de collectieve actie.
4) Een zelfvernietigende voorspelling
Op basis van een aantal indicatoren wordt voor 31 juli op de Franse autowegen een nooit geziene verkeersdrukte
voorspeld. Dit vooruitzicht is weken op voorhand een belangrijk discussieonderwerp in diverse media. Tal van
toeristen en touroperators besluiten dan ook hun data van vertrek en terugkomst enkele dagen te verplaatsen.
Bovendien maken veel automobilisten op die dag gebruik van alternatieve routes. Als gevolg hiervan valt van
een buitengewone verkeersdrukte op 31 juli weinig te merken. De bijzondere paraatheid van de hulpdiensten
en politie was in elk geval niet nodig geweest. Dit is een goed voorbeeld van:
1) een verkeerde definitie van de situatie van de hulpdiensten en politie.
2) een Popper-gevolg.
3) een self-fulfilling prophecy.
4) een onbedoeld gevolg van de informatisering van de toeristische sector.
5) een zelfvernietigende voorspelling.
6) een Gropius-curve.
7) de problemen die zich altijd voordoen wanneer men op basis van statistische analyses extrapolaties maakt
zonder rekening te houden met het intentioneel gedrag van de individuen.
8) een misplaatst gebruik van functionele analyse.
9) een Mattheüs-effect.
10) de perverse effecten die het gevolg kunnen zijn van rationeel sociaal handelen.
5) Een zelfvernietigende voorspelling
Sommige medische projecties wezen eind jaren tachtig uit dat tegen het jaar 2000 ongeveer 25% van de
Europese bevolking met AIDS besmet zou zijn. Onder invloed van deze onheilspellende cijfers veranderden
nogal wat mensen hun seksuele gewoonten. Daardoor was in het jaar 2000 slechts 2,5% van de Europese
bevolking seropositief. Waar is dit een voorbeeld van? Geef het juiste antwoord aan.
1) Een selffulfilling prophecy
2) Een Popper-gevolg
3) Een onbedoeld gevolg van de expansie van de medische sector
4) Een Mattheus-effect
5) Een misplaatst gebruik van de ziekterol
6) Een bewijs dat de dokters het steeds minder vaak bij het rechte eind hebben
7) Een zelfvernietigende voorspelling
8) Het falen van het medische model
9) Het contingente van de sociale fenomenen
10) De problemen die zich met dergelijke statistieken kunnen voordoen
7) Een zelfvernietigende voorspelling
Slechts twee van de onderstaande uitspraken zijn juist. Welke?
1) perverse effecten zijn tegennatuurlijk.
2) alle perverse effecten zijn onbedoelde effecten.
3) alle onbedoelde effecten zijn perverse effecten.
4) een zelfbevestigende voorspelling is een voorbeeld van een onbedoeld effect.
5) het Mattheüs-effect is een vorm van zelfbevestigende voorspelling.
2) Alle perverse effecten zijn onbedoelde effecten
4) Een zelfbevestigende voorspelling is een voorbeeld van een onbedoeld effect
Onder het probleem van de collectieve actie in grote groepen verstaan we:
1) tenzij collectieve goederen worden omgezet in individuele beloningen of straffen, zal een rationeel
individu zich niet inzetten voor hun verwerving.
2) de problemen de veroorzaakt worden door betogingen en protestacties.
3) het feit dat individuen die rationeel en in hun eigenbelang handelen, zich niet inzetten voor het
behartigen van collectieve belangen.
4) de moeilijkheden die gepaard gaan met het coördineren van het handelen van verschillende personen.
5) het probleem dat politieke bewegingen altijd geleid worden door personen die het meeste tijd hebben om er
zich mee bezig te houden.
1) Tenzij collectieve goederen worden omgezet in individuele beloningen of straffen, zal een rationeel individu zich niet inzetten voor hun verwerving
3) Het feit dat individuen die rationeel en in hun eigenbelang handelen, zich niet inzetten voor het behartigen van collectieve belangen
Het probleem van de collectieve actie, zoals geformuleerd door Olson, maakt duidelijk dat... Duid de twee
juiste antwoorden aan.
1) ... in grote groepen een rationeel, eigenbelang handelend individu zich niet zal inzetten voor
collectieve actie.
2) ... het sociale zelfregulerend is en dat er dus geen sociale instellingen nodig ezijn om collectieve actie te
sturen of collectieve goederen te voorzien.
3) ... de vrije markt de staat moet onderwerpen, net omdat de principes van de vrije mark nu éénmaal in de
natuur van de mens liggen.
4) ... oprecht en belangloos idealisme bestaan maar deze bedreigend zijn voor de sociale orde.
5) ...enkel dwang of persoonlijke winsten mensen ertoe overhalen deel te nemen aan collectieve actie.
1) ... in grote groepen een rationeel, eigenbelang handelend individu zich niet zal inzetten voor collectieve actie
5) ... enkel dwang of persoonlijke winsten mensen ertoe overhalen deel te nemen aan collectieve actie
Het probleem van collectieve actie, zoals voorgesteld door Olson verklaart niet waarom er dan toch zoveel
collectieve acties zijn (bv stakingsacties, betogingen,...). Hoe verklaart Olson dit? Duid de twee juiste
antwoorden aan.
1) Olson heeft zijn theorie later bijgesteld. Initieel blijft het probleem van collectieve actie bestaan, maar na
verloop van tijd kan door middel van communicatie duidelijk worden dat er genoeg mensen aan bepaald
belang delen en zullen ze zich toch verenigen rondom dit gedeeld belang.
2) Olson heeft toegegeven dat zijn redenering dat zijn redenering fout was. Hij heeft later namelijk gezegd dat
wanneer er dwang in het spel is, mensen zich hierdoor gaan inzetten voor collectieve acties. In die redenering
klopt zijn uitgangspunt dat mensen handelen als rationeel handelende individuen niet meer.
3) Olson zegt dat wanneer er dwang in het spel is, mensen zich hierdoor gaan inzetten voor collectieve
acties.
4) Olson stelt dat de collectieve acties die er wel zijn, eerder moeten gezien worden als uitzonderingen die
de regel bevestigen. Er zijn nog altijd heel veel onderwerpen waarrond mensen een gedeeld belang hebben
maar waarbij er geen collectieve actie is ontstaan.
5) Olson stelt dat voordelen van deelname aan collectieve actie geparticulariseerd kunnen worden, wat
betekent dat mensen een duidelijk persoonlijk voordeel kunnen halen uit hun lidmaatschap.
3) Olson zegt dat wanneer er dwang in het spel is, mensen zich hierdoor gaan inzetten voor collectieve acties
5)Olson stelt dat voordelen van deelname aan collectieve actie geparticulariseerd kunnen worden, wat betekent dat mensen een duidelijk persoonlijk voordeel kunnen halen it hun lidmaatschap
Eén van de meest schrijnende problemen van onze tijd is de milieuverontreiniging. Milieu is duidelijk een
collectief goed waarbij elk individu belang heeft. De belangrijkste vervuiler is nog altijd de industrie. De
bedrijfswereld op zich heeft er echter geen / weinig belang bij aandacht te schenken aan het milieu omdat dit
slechts een post op de kostenbalans van de boekhouding betekent. Het gemeenschappelijke belang zal dus
via een strenge, aangepaste wetgeving moeten verdedigd worden. Volgens de theorie van Mancur Olson met
betrekking op de collectieve actie zullen actoren in een dergelijk situatie op een specifieke manier reageren.
Hoe?
1) actoren zullen zich verenigen in een drukkingsgroep om op die manier de overheid van de noodzaak van d
wettelijke regulering te overtuigen.
2) actoren zullen weigerachtig staan ten aanzien van verenigingen die een dergelijke wetgeving nastreven,
omdat ze schrik hebben voor hun individuele belangen, met name werkloosheid.
3) actoren zullen hun individuele politieke relaties aanspreken om een aangepaste wetgeving te
bewerkstelligen.
4) slechts onder druk zullen actoren ertoe komen zich aan te sluiten bij bewegingen die de aangepaste
wetgeving nastreven.
5) uit eigen beweging zullen actoren beslissen om niet deel te nemen aan de acties van verenigingen
die zich inzetten om de aangepaste wetgeving erdoor te krijgen.
4) Slechts onder druk zullen actoren ertoe komen zich aan te sluiten bij bewegingen die de aangepaste wetgeving nastreven
5) Uit eigen beweging zullen actoren beslissen om niet deel te nemen aan de acties van verenigingen die zich inzetten om de aangepaste wetgeving erdoor te krijgen
Welke van volgende uitspraken horen eerder thuis bij de Rational Choice theorie dan bij de opvattingen van
Emile Durkheim (collectivistische benadering) over het sociale?
1) wat individuen doen verschijnt als een gevolg van regels, rollen en verwachtingen. Het sociale schuilt in
dergelijke verwachtingen.
2) de eigensoortigheid van het sociale wordt aangetoond door de relatieve autonomie van het sociale ten
opzichte van andere werkelijkheidsniveaus
3) het sociale is een onbedoeld, vaak ongewenst gevolg van het feit dat verschillende individuen tegelijkertijd rationeel en geïnteresseerd handelen.
4) het is de ontwikkeling van het sociale zelf die mensen ertoe brengt op een weloverwogen rationele wijze uit
eigenbelang te handelen.
5) het eigensoortige van het sociale kan aangetoond worden door het bestaan van effecten die aan de
individuele bedoelingen ontsnappen.
3) Het sociale is een onbedoeld, vaak ongewenst gevolg van het feit dat verschillende individuen tegelijkertijd rationeel en geïnteresseerd handelen
5) Het eigensoortige van het sociale kan aangetoond worden door het bestaan van effecten die aan de individuele bedoelingen ontsnappen
De rational choice theorie neemt aan dat mensen altijd (of bijna altijd) rationeel hun eigen belang nastreven en
dat men alle (of bijna alle) gedragingen en gedragspatronen kan verklaren als de uitkomsten van geïnteresseerd,
rationeel gedrag. Durkheim heeft een belangrijke kritiek geformuleerd op dat soort theorieën, meer bepaald op
het feit dat die theorieën:
1) a priori een verschil maken tussen het individu en de maatschappij.
2) de maatschappij voorstellen als het aggregaat (de optelsom) van individuen.
3) de maatschappij te formalistisch voorstellen.
4) de maatschappij beschouwen als een beperking, via normen en waarden, opgelegd aan het
individuele handelen.
5) geen onderscheid maken tussen individuele rationaliteit en collectieve rationaliteit.
1) A priori een verschil maken tussen het individu en de maatschappij
2) De maatschappij voorstellen als het aggregaat (de optelsom) van individuen
4) De maatschappij beschouwen als een beperking, via normen en waarden, opgelegd aan het individuele handelen
De uitgangspunten van de 'rational choice' theorie met betrekking tot het menselijk gedrag zijn:
1) dat het rationeel gedrag van individuen kan verklaard worden op basis van de kennis die men verwerft over
de herkomst van de belangen van deze individuen.
2) dat in het collectief handelen, naast individuele doelen, ook een belangenloze inzet voor het collectief welzijn
gereflecteerd wordt.
3) dat rationeel georiënteerde individuen er in een collectiviteit zelden toe komen om ook collectief rationeel te
handelen.
4) dat het meestal mogelijk is om, op basis van de individuele preferenties en de situatie, te bepalen
hoe het individu zich rationeel kan gedragen.
5) dat gedragingen steeds verklaard kunnen worden als uitkomsten van geïnteresseerd, rationeel
gedrag.
4) Dat het meestal mogelijk is om, op basis van de individuele preferenties en de situatie, te bepalen hoe het individu zich rationeel kan gedragen
5) Dat gedragingen steeds verklaard kunnen worden als de uitkomsten van geïnteresseerd, rationeel gedrag
'De mensen die schilderkunst studeerden werden geregeld ondervraagd over de prijzen tegen dewelke de grote
schilderijen in de loop van de laatste 50 à 100 jaar verhandeld zijn geweest ... De kunstenaar, zo werd beweerd,
is een handelaar in schilderijen. Hij moet zijn waar aan de vraag van de markt leren aanpassen; moet kunnen
inschatten wat elk soort schilderij zo ongeveer zal opbrengen ...'. In deze satirische passage uit 1872 hekelt S.
Butler het:
1) modernisme.
2) relativisme.
3) universalisme.
4) socialisme.
5) utilitarisme.
6) estheticisme.
7) puritanisme.
8) kolonialisme.
9) victorianisme.
10) liberalisme.
5) Utilitarisme
Hieronder vind je een aantal uitspraken over het individu en de samenleving. Welke twee van deze uitspraken
zijn fout?
1) Volgens Durkheim kan het individu zijn preferenties, zijn kennis en opvattingen, zijn gedragsvoorkeuren
slechts halen uit de samenleving.
2) Eenheid van individu en samenleving is een fundamenteel onderdeel van de collectivistische benadering
van de sociologie.
3) Durkheim ontkent dat individuen soms op een weloverwogen, rationale wijze uit eigenbelang
kunnen handelen.
4) Zelfwerk is volgens Foucault de mate waarin het individu zichzelf als voorwerp van zijn handelen neemt,
met het oog op het verbeteren van zichzelf.
5) Voor Durkheim is het geheel (de samenleving) zelden meer dan de som van de samenstellende
delen (de individuen).
3) Durkheim ontkent dat individuen soms op een weloverwogen, rationele wijze uit eigenbelang kunnen handelen
5) Voor Durkheim is het geheel (de samenleving) zelden meer dan de som van de samenstellende delen (de individuen)
Geef de twee correcte antwoorden aan. Het voorbeeld van de 'ziekterol' maakt duidelijk dat ...
1) sociale verschijnselen uiteindelijk ook herleidbaar zijn tot objectieve, natuurlijke fenomenen.
2) individuele belangen en preferenties aan de basis liggen van rollen en gedragsverwachtingen.
3) gedragsverwachtingen uiteindelijk ook beschouwd kunnen worden als onbedoelde gevolgen van
intentionele handelingen.
4) het sociale meer is dan een onbedoeld gevolg van intentionele handelingen.
5) niet enkel individuele belangen en preferenties van belang zijn, maar ook rollen en
gedragsverwachtingen.
4) Het sociale meer is dan een onbedoeld gevolg van intentionele handelingen
5) Niet enkel individuele belangen en preferenties van belang zijn, maar ook rollen en gedragsverwachtingen
Talcott Parsons gaf met zijn concept 'ziekterol' een sociologische benadering van ziekte die verschilt van de
medische benadering. Welke twee stellingen hierover zijn correct?
1) Het emergentisme stelt dat het niet de fysieke toestand van een individu, maar wel een sociaal-cultureel
gegeven als 'de ziekterol' is dat bepaalt wat ziekte is.
2) De ziekterol schept verwachtingen waar een persoon ongestraft niet aan moet voldoen.
3) De ziekterol zorgt voor een sociaal aanvaarde manier van afwijken van normale
gedragsverwachtingen.
4) De uitbreiding van de ziekterol is het directe gevolg van ontdekkingen in de medische wetenschap.
5) In de medische benadering bepaalt de fysieke toestand van het organisme wat ziekte is.
3) De ziekterol zorgt voor een sociaal aanvaade manier van afwijken van normale gedragsverwachtingen
5) In de medische benadering bepaalt de fysieke toestand van het organisme wat ziekte is
De benadering van 'het sociale' in de individualistische benadering verschilt sterk van de collectivistische
benadering. Welke twee stellingen hieromtrent zijn fout?
1) Durkheim is een sterke aanhanger van de collectivistische benadering.
2) In de collectivistische variant is het 'sociale' niet meer dan de som van de preferenties van de
individuen.
3) Onbedoelde gevolgen van rationeel handelen zijn voorbeelden van 'het sociale'.
4) De rational-choicetheorie vertrekt vanuit een individualistische benadering.
5) De individualistische benadering ontkent het bestaan van 'het sociale'.
2) In de collectivistische variant is het 'sociale' niet meer dan de som van de preferenties van de individuen
5) De individualistische benadering ontkent het bestaan van 'het sociale'
We kunnen twee verschillende sociologieën onderscheiden, de ene individualistisch en de andere
collectivistisch. Welke twee van de onderstaande uitspraken hierover zijn juist?
1) Dat individuen op rationele wijze uit eigenbelang handelen is voor de collectivistische
sociologieopvatting een volstrekt aanvaardbaar en verklaarbaar gegeven.
2) Volgens de collectivistische sociologie geldt enkel de collectiviteit en heeft het individu geen betekenis.
3) De Durkheimiaanse opvatting is collectivistisch, onder meer omdat zij stelt dat men 'is' dankzij de
rollen via welke men tot samenleven komt en niet ondanks die rollen.
4) Volgens de individualistische sociologie bestaat de sociale werkelijkheid uit niets anders dan individuele
intenties en de onbedoelde gevolgen van het individuele handelen. Binnen die opvatting gelooft men niet in
het bestaan van fenomenen als rollen, normen en verwachtingen.
5) De dramaturgische theorie is een collectivistische theorie, het gaat immers over de rollen die men speelt
binnen de collectiviteit.
1) Dat individuen op rationele wijzen uit eigenbelang handelen is voor de collectovistische sociologieopvatting een volstrekt aanvaardbaar en verklaarbaar gegeven
3) De Durkheimiaanse opvatting is collectivistisch, onder meer omdat zij stelt dat men 'is' dankzij de rollen via welke men tot samenleven komt en niet ondanks die rollen
Het verschil tussen de verschijnselen ziekte en ziekterol blijkt onder meer uit het feit dat:
1) de uitbreiding van de ziekterol niet aan ontwikkelingen in de medische wetenschap kan worden
toegeschreven.
2) de hedendaagse ziekterol onvoldoende betekenis kan geven aan de verschijnselen 'lijden' en 'dood'.
3) het gebruik van de ziekterol niet tot de kennis van de natuur kan worden gereduceerd.
4) er tegen de uitbreiding van de ziekterol al heel wat reacties zijn gekomen.
5) de gezondheid kan worden omschreven als een toestand van volledig fysiek welzijn.
1) De uitbreiding van de ziekterol niet aan ontwikkelingen in de medische wetenschap kan worden toegeschreven
2) De hedendaagse ziekterol onveldoende betekenis kan geven aan de verschijnselen 'lijden' en 'dood'.
3) Het gebruik van de ziekterol niet tot de kennis van de natuur kan worden gereduceerd
4) Er tegen de uitbreiding van de ziekterol al heel wat reacties zijn gekomen
Welke twee van onderstaande uitspraken in verband met de ziekterol zijn fout?
1) de ziekte is een straf.
2) de klachten worden erdoor gerechtvaardigd.
3) afwijkend gedrag wordt erdoor niet gesanctioneerd.
4) het is een aanvaard element in de sociale werkelijkheid.
5) het is een voorbeeld van instrumenteel activisme.
1) De ziekte is een straf
5) Het is een voorbeeld van instrumenteel activisme
Geef uit onderstaande lijst de twee belangrijkste kenmerken van de ziekterol zoals die door Talcott Parsons
werden beschreven.
1) door de ziekterol weet de zieke dat hij ziek is en zich derhalve moet (laten) verzorgen.
2) via de ziekterol kan iemand zich beveiligen tegen de beschuldiging dat hij te kort schiet in zijn
plichten.
3) via de ziekterol kan men de zieke verantwoordelijk stellen voor zijn ongezonde leefgewoonten.
4) door het opnemen van de ziekterol kan de dokter zich beveiligen tegen de beschuldiging van beroepsfouten.
5) de ziekterol maakt verantwoord afwijkend gedrag mogelijk.
2) Via de ziekterol kan iemand zich beveiligen tegen de beschuldiging dat hij te kort schiet in zijn plichten
5) De ziekterol maakt verantwoord afwijkend gedrag mogelijk
In de context van de toen heersende syfilisobsessie verbood Paus Leo XII in 1826 het gebruik van het condoom
omdat de zondaars met het condoom de goddelijke straf konden ontlopen. Sociologisch bekeken, blijkt uit deze
uitspraak:
1) dat ziekten een morele betekenis kunnen krijgen.
2) dat de ziekte ten onrechte een morele betekenis krijgt.
3) dat de begrippen ziekte, zonde en misdaad niet altijd even duidelijk gescheiden worden.
4) dat de ontdekking van de juiste, wetenschappelijke betekenis van ziekte van recente datum is.
5) dat in de 19de eeuw ook reeds een gedemystificeerd beeld van de ziekte bestond.
1) Dat ziekten een morele betekenis krijgen
3) Dat de begrippen ziekte, zonde en misdaad niet altijd even duidelijk gescheiden worden
Het sociale kan vanuit zeker twee fundamenteel verschillende perspectieven bestudeerd worden. Welke? Duid
de twee juiste antwoorden aan.
1) De individualistische benadering van het sociale, waarbij het sociale ontstaat wanneer rationeel
handelende individuen als gevolg van het samen handelen onbedoelde gevolgen creëren, zoals
bijvoorbeeld het Mattheus-effect.
2) Verlichtingsdenken, waarbij het sociaal handelen wordt gezien als het handelen gebasseerd op de rede.
3) De visie van statistici op het sociale waarbij, zoals gesteld door Quetelet, alle kenmerken van de bevolking
samengevat kunnen worden door middel van een normaalverdeling.
4) De collectivistische benadering op het sociale, waarbij fenomenen als rollen, normen en
verwachtingen aan de basis liggen van individuele voorkeuren. Een strikt onderscheid tussen individu
en samenleving kan bijgevolg niet gemaakt worden.
5) De benadering van breuklijnen, waarbij tegenstellingen voor lange tijd de politieke conflictmaterie bepalen
en de strijdende kampen en partijen afbakenen.
1) De individualistische benadering van het sociale, waarbij het sociale ontstaat wanneer rationeel handelende individuen als gevolg van het samen handelen onbedoelde gevolgen creëren, zoaks bijvoorbeeld het Mattheus-effect
4) De collectivistische benadering op het sociale, waarbij fenomenen als rollen, normen en verwachtingen aan de basis liggen van individuele voorkeuren. Een strikt onderscheid tussen individu en samenleving kan bijgevolg niet gemaakt worden
A komt bij de dokter en na het onderzoek schrijft deze een moeilijk dieet voor. A volgt dat dieet. Waarop steunt
in dit geval eigenlijk de macht van de geneesheer?
1) omdat A aanneemt dat de dokter in zijn/haar beste belang handelt.
2) op zijn economische superioriteit.
3) op zijn medisch gezag.
4) op de idealen van A.
5) op de juistheid van de diagnose.
1) Omdat A aanneemt dat de dokter in zijn/haar beste belang handelt
3) Op zijn medisch gezag
In een bepaalde maatschappij worden steeds meer problematische handelingen beschouwd als het gevolg van
ontoereikendheden waarvoor de personen die de handelingen stellen niet verantwoordelijk zijn. Men is tevens
van oordeel dat die personen door een gepaste aanpak kunnen worden genezen. Voor het definiëren en
behandelen van deze problemen wordt een beroep gedaan op geneesheren, medische technologie en medische
organisaties. Hoe zou je deze ontwikkeling omschrijven?
1) groeiende tolerantie.
2) een onbedoeld gevolg van de uitbreiding van de ziekterol.
3) groeiende onbekwaamheid van de medische wetenschap.
4) toename van professionalisering.
5) toename van het gezag van geneesheren.
6) expansie van de medische sector. de responsibilisering van de zieken.
7) 'blaming the victim'.
8) medicalisering.
9) het gevolg van andere dan organische ethiologieën
8) Medicalisering
Het universalisme en het utilitarisme hebben een aantal overeenkomsten. Welke?
1) beide benaderingswijzen delen het standpunt dat normensystemen en doelen universeel zijn.
2) beide benaderingswijzen delen het standpunt dat alle mensen een aantal rationaliteitsprincipes
gemeen hebben.
3) beide benaderingswijzen benadrukken rationaliteit en efficiëntie.
4) beide benaderingswijzen delen het standpunt dat er universele normen zijn om gedrag te beoordelen.
5) beide benaderingswijzen houden rekening met de culturele componenten van het handelen.
1) Beide benaderingswijzen delen het standpunt dat normensystemen en doelen universeel zijn
2) Beide benaderingswijzen delen het standpunt dat alle mensen een aantal rationaliteitsprincipes gemeen hebben
Achter de schermen kan men zichzelf zijn. Voor het voetlicht doet men aan 'impression management'. Die
dramaturgische rollentheorie is vatbaar voor de onderstaande kritiek. Geef de twee correcte antwoorden aan.
1) In een collectivistische of durkheimiaanse opvatting van het sociale is men eerder geneigd te
stellen dat men 'is' dankzij en niet ondanks de rollen via welke men tot samenleven komt.
2) Men dient ook rekening te houden met de mogelijkheid van roldistantie die de mensen toelaat het verschil
tussen frontstage en backstage te overstijgen.
3) Mensen zetten af en toe hun maskers ook eens af; daarmee houdt Goffman onvoldoende rekening
4) We internaliseren regels en gewoonten, die dan als het ware een tweede natuur worden.
5) Men is 'backstage' niet altijd 'meer op zijn gemak', kijk maar naar de groupies.
1) In een collectivistische of durkheimiaanse opvatting van het sociale is men eerder geneigd te stellen dat men 'is' dankzij en niet ondanks de rollen via welke men tot samenleven komt
4) We internaliseren regels en gewoonten, die dan als het ware een tweede natuur worden
Functionalisten verklaren het bestaan van rollen in het maatschappelijk leven door te verwijzen naar de functies
die deze vervullen. Zij wijzen daarbij naar twee van de volgende functies. Welke?
1) aan de hand van de rol die iemand speelt kunnen we weten of die persoon betrouwbaar is of niet.
2) rollen laten toe dat men 'front stage' een masker draagt, terwijl men 'back stage' zichzelf kan zijn.
3) de rol die iemand aanneemt draagt bij tot de definitie van de situatie; ze bepaalt welke factoren in die situatie
belangrijk zijn en welke niet.
4) rollen maken het maatschappelijk leven voorspelbaar omdat ze duidelijk maken wat kan verwacht
worden van de roldrager.
5) rollen worden gerespecteerd en bevestigd vanwege de sancties die de rolspeler kan uitoefenen; ze
dragen op die manier bij tot de sociale orde.
2) Rollen laten toe dat men 'front stage' een masker draagt, terwijl men 'back stage' zichzelf kan zijn
4) Rollen maken het maatschappelijk leven voorspelbaar omdat ze duidelijk maken wat kan verwacht worden van de roldrager
5) Rollen worden gerespecteerd en bevestigd vanwege de sancties die de rolspeler kan uitoefenen; ze dragen op die manier bij tot de sociale orde
Norbert Elias heeft dmv gedetailleerde beschrijvingen van gedrags- en beleefdheidregels uit vorige eeuwen de
historische evolutie van gedragsregels geïllustreerd. Veel van die oude voorschriften komen op ons nogal
lachwekkend over, wat erop wijst dat onze normen in dit verband wel enigszins veranderd zijn. Elias probeert
met deze voorbeelden duidelijk te maken dat de veranderingen in gedrags- en beleefdheidsregels verband
houden met politieke en sociale ontwikkelingen en dat deze regels in de loop van de geschiedenis in grote mate
geïnternaliseerd werden, een 'tweede natuur' zijn geworden. Indien de opvattingen van Elias correct zijn wijst
dat op het feit dat:
1) wij in grotere mate dan vroeger gedragsvoorschriften relativeren; dit wijst er op dat het substantief
voluntarisme is toegenomen.
2) sociale normen en voorschriften contingent zijn maar daarom niet arbitrair.
3) 'impression management' een fenomeen is dat altijd al bestaan heeft.
4) gedragvoorschriften vroeger veel discursiever waren.
5) de dramaturgische rollentheorie niet kan pretenderen een algemene theorie te zijn.
2) Sociale normen en voorschriften contingent zijn maar daarom niet arbitrair
3) 'Impression management' een fenomeen is dat altijd al bestaan heeft
5) De dramaturgische rollentheorie niet kan pretenderen een algemene theorie te zijn
Onder 'geïnstitutionaliseerde' regels verstaan we de regels die:
1) eerst in manierenboeken werden geformuleerd en dan vanzelfsprekend zijn geworden.
2) een cultuur zich heeft eigen gemaakt.
3) deel zijn geworden van de groep of organisatie.
4) als het ware 'tweede natuur' zijn geworden.
5) men niet kan overtreden zonder zelf ongemakken of wroeging te voelen.
1) Eerst in manierenboeken werden geformuleerd en dan vanzelfsprekend zijn geworden
4) Als het ware 'tweede natuur' zijn geworden
5) Men niet kan overtreden zonder zelf ongemakken of wroeging te voelen
Welke twee stellingen horen bij de reductionistische visie op de ziekterol? Duid de twee juiste antwoorden aan.
1) De afwijkingen en onbekwaamheden die in de ziekterol toelaatbaar zijn, worden beschouwd als rechtstreekse gevolgen van de ziekte zelf.
2) De fysieke toestand van het organisme is kenbaar via de medische wetenschap. Er kan dan ook
objectief bepaald worden of iemand al dan niet ziek is.
3) De ziekterol is een sociaal verschijnsel dat niet kan worden teruggebracht tot een toestand van het
organisme.
4) De fysieke toestand van het organisme bepaalt wanneer iemand als ziek wordt beschouwd en het sociaal-
cultureel gegeven bepaalt hoe de ziekterol wordt ingevuld.
5) De ziekterol bepaalt hoe men in een bepaalde cultuur de ziekte benadert en oefent dus ook invloed uit op
specifieke manier waarop de kunst van het genezen en de medische wetenschap zich daar ontwikkelen.
1) De afwijkingen en onbekwaamheden die in de ziekterol toelaatbaar zijn, worden beschouwd als rechtstreekse gevolgen van de ziekte zelf
2) De fysieke toestand van het organisme is kenbaar via de medische wetenschap Er kan dan ook objectief bepaald worden of iemand al dan niet ziek is
Op 4 april 1990 deed zich een merkwaardig incident voor in de Belgische politiek. In het ochtendnieuws werd
gemeld dat onze koning weigerde de 'abortuswet' te ondertekenen. De reden die hij hiervoor opgaf was dat
deze wet in strijd was met zijn geweten. Verschillende commentatoren waren hierover verontwaardigd.
Waarom?
1) men vreesde dat de koning - al dan niet bewust - verschillende soorten van macht in elkaar omzette:
hij gebruikte zijn gezag om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
2) er werd gesteld dat de koning - net als elke andere ambtenaar - een strikte scheiding moet
handhaven tussen zijn persoon en zijn wettelijke functie.
3) de koning trad uit zijn rol als koning; hij hield zich niet aan zijn specifieke taakomschrijving.
4) de koning doorbrak met zijn daad de scheiding van de machten (meer bepaald de wetgevende en de
uitvoerende macht) die in onze grondwet voorzien is om de omzetting van verschillende soorten macht te
beperken.
5) de koning - het symbool bij uitstek van reguliere macht - hield zich niet aan de regels van het
politieke machtsspel omdat hij culturele macht gebruikte.
1) Men vreesde dat de koning - al dan niet bewust - verschillend soorten van macht in elkaar omzette: hij gebruikte zijn gezag om de politieke besluitvorming te beïnvloeden
2) Er werd gesteld dat de koning - net als elke andere ambtenaar - een strikte scheiding moet handhaven tussen zijn persoon en zijn wettelijke functie
3) De koning trad uit zijn rol als koning; hij hield zich niet aan zijn specifieke taakomschrijving
5) De koning - het symbool bij uitstek van reguliere macht - hield zich niet aan de regels van het politieke machtsspel omdat hij culturele macht gebruikte
Welke verschillen kunnen we maken tussen de conflictsociologie en de functionalistische sociologie? Geef de
twee correcte antwoorden aan.
1) Conflictsociologen hebben geen aandacht voor het belang van rollen in de samenleving.
2) Functionalisten maken volgens de conflictsociologen te veel gebruik van samenhang als
legitimerende derde.
3) Functionalisten zijn meer geneigd de verklaring van het menselijke gedrag te zoeken in de socialisatie en
internalisatie van opvattingen en houdingen.
4) Conflictsociologen hebben doorgaans meer oog voor de rol van dwang in het sturen van het
menselijke gedrag dan functionalisten.
5) Functionalisten zullen meer dan de hedendaagse conflictsociologen veel aandacht hebben voor sociale
ongelijkheid.
2) Functionalisten maken volgens de conflictsociologen te veel gebruik van samenhang als legitimerende derde
4) Conflictsociologen hebben doorgaans meer oog voor de rol van dwang in het sturen van het menselijk gedrag dan functionalisten
De dramaturgie heeft een eigen benadering van sociale rollen. Welke twee van de volgende uitspraken over
de dramaturgische benadering van rollen zijn correct?
1) De dramaturgie benadrukt vooral dat rollen het maatschappelijke leven voorspelbaar maken.
2) Rollen laten toe dat men 'frontstage' een masker draagt, terwijl men 'backstage' zichzelf kan zijn.
3) Het feit dat mensen hun 'echte' zelf niet van hun rol kunnen scheiden, noemt men 'roldistantie'.
4) 'Impression management' duidt op pogingen van een persoon om in zijn/haar rol erkend te worden.
5) Men 'is' maar iemand doordat men zich rollen eigen maakt.
2) Rollen laten toe dat men 'frontstage' een masker draagt, terwijl men 'backstage' zichzelf kan zijn
4) 'Impression management' duidt op pogingen van een persoon om in zijn/haar rol erkend te worden
In de sociologie nemen theorieën over sociale rollen een centrale plaats in. Welke twee stellingen over rollen
en roltheorieën zijn correct?
1) Een rol is een bundel van verwachtingen die gelden ten overstaan van een bepaalde persoon in een
bepaalde positie of situatie.
2) Functionalistische theorieën benaderen rollen op basis van ongelijke machtsverdelingen in de
samenleving.
3) Een rollenset is het geheel aan uiteenlopende rollen die een persoon bekleedt in zijn/haar verschillende
posities.
4) Mead, Durkheim en Elias wijzen erop dat individuen in belangrijke mate sociale verwachtingen
geïnternaliseerd hebben.
5) De opmerking van Richard Sennett dat het 'authentieke individu' een relatief recent fenomeen is, is een
belangrijke kritiek op de functionalistische rolbenadering.
1) Een rol is een bundel van verwachtingen die gelden ten overstaan van een bepaalde persoon in een bepaalde positie of situatie
4) Mead, Durkheim en Elias wijzen erop dat individuen in belangrijke mate sociale verwachtingen geïnternaliseerd hebben
Wat is een 'sociale rol'?
1) het geheel van normen, gedragscodes en regels die mensen weten te gebruiken, doch niet uitdrukkelijk
kunnen formuleren.
2) een mechanisme dat het handelen van anderen een mate van voorspelbaarheid geeft.
3) het geheel van verwachtingen ten opzichte van iemand in een bepaalde, zich herhalende situatie.
4) de rol duidt een onveranderlijke collectie van regels en verwachtingen aan.
5) het sociale leven kan eigenlijk beschouwd worden als een reeds geschreven stuk. Iedereen speelt daarin
de rol doe voor hem/ haar is weggelegd.
2) Een mechanisme dat het handelen van anderen een mate van voorspelbaarheid geeft
3) Het geheel van verwachtingen ten opzichte van iemand in een bepaalde, zich herhalende situatie
In de dramaturgische opvatting van de rol worden de rollen gespeeld. In de hedendaagse westerse cultuur
vinden we de persoon veel belangrijker dan de rol. Antropoloog Clifford Geertz vond dit een ongeloofwaardige
opvatting als we die tegen de achtergrond van de wereldculturen bekijken. Welke kritieken zou hij formuleren
ten opzichte van de dramaturgische opvatting van de rol? Geef de twee correcte antwoorden aan.
1) Een dramaturgische rollentheorie is verkeerd.
2) Mensen doen aan 'impression management'.
3) Vooral de zorg om goed voor de dag te komen leidt het gedrag van mensen.
4) In de door Geertz bestudeerde niet-Westerse cultuur zijn de gedragsverwachtingen belangrijker
dan de individuele impulsen.
5) De westerse opvatting over de autonomie van het individu is geen universeel verschijnsel, maar
lokaal en uitzonderlijk.
4) In de door Geertz bestudeerde niet-Westerse cultuur zijn de gedragsverwachtingen belangrijker dan de individuele impulsen
5) De westerse opvatting over de autonomie van het individu is geen universeel verschijnsel, maar lokaal en uitzonderlijk
Wat wordt bedoeld met roldistantie? Duid de twee juiste antwoorden aan.
1) Roldistantie is een begrip dat verbonden is met het symbolisch interactionisme; het ... naar de situaties
waarbij bewust een rol wordt gespeeld. ('impression management') zonder dat het echte 'zelf' erbij betrokken
is.
2) Roldistantie betekent dat een persoon afstand kan nemen van zijn rollen en dus het verschil kan
maken tussen zijn echte zelf en het in de rol gepresenteerde zelf.
3) Roldistantie betekent dat iemand een rol speelt die hij/zij eigenlijk niet kan of mag spreken (bv. de portiet die
professor speelt).
4) Als we willen spreken gebeurt het vaak dat we ons identificeren met andere personen die bij die
interactie betrokken zijn. Dit is roldistantie (bv. de lesgever die zich identificeert met de student).
5) Bij roldistantie wordt niet langer voldaan aan de verwachtingen die verbonden zijn met een
bepaalde rol.
2) Roldistantie betekent dat een persoon afstand kan nemen van zijn rollen en dus het verschil kan maken tussen zijn echte zelf en het in de rol gepresenteerde zelf
5) Bij roldistantie wordt niet langer voldaan aan de verwachtingen die verbonden zijn met een bepaalde rol
Volgens de dramaturgische rollentheorie van Erving Goffman is het juist te stellen dat:
1) de actor belangrijker is dan de rol.
2) de rol belangrijker is dan de actor.
3) mensen proberen zich door anderen in een rol te doen erkennen via symbolen.
4) Persoon afstand kan nemen van zijn rol
5) De rol wordt gespeeld
3) Mensen proberen zich door anderen in een rol te doen erkennen via symbolen
4) Persoon afstand kan nemen van zijn rol
5) De rol wordt gespeeld
Duid de twee foutieve omschrijvingen van 'sociale rol' aan.
1) rollen kunnen veranderen zonder dat daar hevig op moet gereageerd worden.
2) rollen helpen de mogelijkheid scheppen om ten overstaan van anderen bepaalde verwachtingen te koesteren
van zodra we hun persoonlijkheid en hun individuele kenmerken kennen.
3) de rol is eigenlijk een bundel of geheel van verwachtingen ten overstaan van een bepaalde persoon in een
bepaalde situatie.
4) rollen zijn sociale bouwstenen die het samenleven mogelijk maken.
5) de rol duidt een onveranderlijke collectie van regels en verwachtingen aan.
1) Rollen kunnen veranderen zonder dat daar hevig op moet gereageerd worden
5) De rol duidt een onveranderlijke collectie van regels en verwachtingen aan
Geef de twee juiste antwoorden aan. De situationele aspecten van de handeling omvatten ...
1) de doelen waarop de handeling gericht is.
2) een definitie van de situatie.
3) de middelen die ter beschikking van de actor staan.
4) de condities waaraan de actor onderhevig is.
5) symbolen die betekenissen communiceren.
3) De middelen die ter beschikking van de actor staan
4) De condities waaraan de actor onderhevig is
Welke kritieken kan de hermeneutische benadering van Wilhelm Dilthey op die van Max Weber leveren? Geef
de twee correcte antwoorden aan.
1) Dilthey vestigt, in tegenstelling tot Weber, de aandacht op het belang van culturele verschillen in
het begrijpen van handelen.
2) De Verstehende-methode van Weber houdt geen rekening met motieven die mensen hebben om bepaalde
handelingen te stellen.
3) Weber neemt te snel aan dat alle individuen op eenzelfde manier reageren in sociale situaties.
4) Webers benadering is te collectivistisch door de klemtoon op de gedetermineerdheid van handelen.
5) Weber spiegelt zijn benadering te veel aan de natuurwetenschappen
1) Dilthey vestigt, in tegenstelling tot Weber, de aandacht op het belang van culturele verschillen in het begrijpen van handelen
3) Weber neemt te snel aan dat alle individuen op eenzelfde manier reageren in sociale situaties
Geef de twee correcte antwoorden aan. De Verstehende-methode of de methode van het 'verklarend
begrijpen' veronderstelt volgens Weber onder meer...
1) dat men mensen uit een andere cultuur niet kan begrijpen.
2) dat een loutere beschrijving van het gedrag niet voldoende is, maar dat je dat gedrag moet kunnen
interpreteren en begrijpen.
3) dat men het gedrag kan begrijpen door zich in de positie van de handelende persoon te plaatsen.
4) dat men het gedrag moet kunnen voorspellen.
5) dat enkel het objectief waarneembare belangrijk is en dat de subjectieve beleving van mensen niet van
belang is.
2) Dat een loutere beschrijving van het gedrag niet voldoende is, maar dat je dat gedrag moet kunnen interpreteren en begrijpen
3) Dat men het gedrag kan begrijpen door zich in de positie van de handelende persoon te plaatsen
Welke bedenkingen kunnen worden geformuleerd bij de Verstehene-methode van Weber? Geef de twee
correcte antwoorden aan.
1) Het volstaat niet om statistische regelmaten te observeren.
2) Deze methode biedt geen enkele mogelijkheid om de interpretatie van de onderzoeker te toetsen;
ze blijft met andere woorden erg subjectief.
3) Deze methode werkt beter dicht bij huis en voor de eigen groep dan voor groepen of culturen die
geografisch of in de tijd ver verwijderd zijn.
4) De aanhangers van deze methode focussen in hun studie van de sociale werkelijkheid overmatig op
causaliteit.
5) Deze methode verliest de praktische taak van de socioloog uit het oog
2) Deze methode biedt geen enkele mogelijkheid om de interpretatie van de onderzoeker te toetsen
3) Deze methode werkt beter dicht bij huis en voor de eigen groep dan voor groepen of culturen die geografisch of in de tijd ver verwijderd zijn
Welke componenten van het handelen houden rechtstreeks verband met cultuur? Geef de twee correcte
antwoorden aan
1) De beperking van de voorwaarden.
2) Het geheel van toegankelijke en manipuleerbare middelen.
3) De objectief gegeven situationele componenten.
4) Doelen die samenhangen met het geheel van opvattingen die ons handelen richten.
5) De normatieve criteria die het gebruik van de middelen bepalen
4) Doelen die samenhangen met het geheel van opvattingen die ons handelen richten
5) De normatieve criteria die het gebruik van de middelen bepalen
Welke van de onderstaande uitspraken over de sociale handeling zijn juist? Geef de twee juiste antwoorden
aan.
1) Een hermeneutische benadering van de sociale werkelijkheid zal vooral het kennen en begrijpen van de
intentionele aspecten van de handeling, zoals de doelen en normen, als een wetenschappelijk probleem
formuleren.
2) Symbolen en hun betekenissen zijn communicatieve aspecten van de handeling.
3) De kennis die middel-doelrelaties onderbouwt, is universeel en objectief.
4) De definitie van de situatie biedt een inventaris van middelen en condities.
5) Aanhangers van het utilitarisme menen dat de intentionele aspecten van de handeling in alle
culturen dezelfde zijn.
2) Symbolen en hun betekenissen zijn communicatieve aspecten van de handeling
5) Aanhangers van het utilitarisme menen dat de intentionele aspecten van de handeling in alle culturen dezelfde zijn
Welke van de onderstaande voorbeelden zijn een duidelijke illustratie van normatieve verwachtingen?
1) de verwachting van een supporter dat zijn ploeg zal verliezen.
2) de verwachting van een treinreiziger dat de trein op tijd rijdt.
3) de verwachting van een directeur dat men hem niet met zijn voornaam aanspreekt.
4) de verwachting van een student dat hij slaagt tijdens de eerste zittijd.
5) de verwachting van een huisbaas dat er geen schapen geslacht worden in de badkamer.
3) De verwachting van een directeur dat men hem niet met zijn voornaam aanspreekt
5) De verwachting van een huisbaas dat er geen schapen geslacht worden in de badkamer
Normatieve verwachtingen onderscheiden zich van andere verwachtingen omdat:
1) hun overtreding een gevoel van verontwaardiging opwekt.
2) ze in wetten en reglementen worden vastgelegd.
3) ze steunen op waargenomen gedragsreglementen.
4) ze evenzeer met het gevoel als met het verstand worden geëvalueerd.
5) het verwachtingen zijn die minder snel veranderen.
1) Hun overtreding een gevoel van verontwaardiging opwekt
4) Ze evenzeer met het gevoel als met het verstand worden geëvalueerd
Volgens Weber bestaat er een fundamenteel verschil tussen de sociale wetenschappen en de
natuurwetenschappen. Dat verschil vloeit onder andere voort uit het feit dat men sociaal gedrag niet alleen moet
kunnen voorspellen, maar ook steeds moet kunnen 'begrijpen'. Deze zogeheten 'verstehende' methode levert
echter een aantal moeilijkheden op:
1) omdat het wetenschappelijk begrijpen specifieke eisen stelt, kan wetenschappelijke kennis nooit
steunen op het alledaagse begrijpen.
2) omdat het interpreterend-hermeutisch aspect van het verklaren altijd ondergeschikt is aan het zich inleven
in de persoon die de handelingen stelt, daardoor kunnen we nooit ten volle de draagwijdte van een handeling
begrijpen.
3) het begrijpen van gedrag van anderen is moeilijk omdat we niet kunnen veronderstellen dat iedereen
handelt en denkt zoals wij dat zouden doen in dezelfde situatie.
4) om sociaal gedrag te kunnen begrijpen moeten we een grondige voorkennis hebben van de cultuur waarin
dat gedrag plaatsvindt, de 'verstehende' methode biedt echter geen middelen om onze interpretaties te
vergelijken met die van andere culturen.
5) omdat we - zelfs als we ons inleven in het gedrag van anderen - gedrag altijd op verschillende manieren
kunnen interpreteren.
1) Omdat het wetenschappelijk begrijpen specifieke eisen stelt, kan wetenschappelijke kennis nooit steunen op het alledaagse begrijpen
3) Het begrijpen van gedrag van anderen is moeilijk omdat we niet kunnen veronderstellen dat iedereen handelt en denkt zoals wij dat zouden doen in dezelfde situatie
De 'etiketteringtheorie' heeft een eigen perspectief ontwikkeld op afwijkend gedrag. Kies uit de onderstaande
mechanismen de twee die in de etiketteringtheorie een belangrijke rol spelen bij de verklaring van de dynamiek
van afwijkend gedrag.
1) personen met een neiging tot afwijkend gedrag zijn vaak herkenbaar aan een aantal zogenaamde
'etikerende' kenmerken.
2) personen die het slachtoffer zijn van etikettering ontwikkelen vaak een zelfbeeld dat tegemoet komt
aan de negatieve verwachtingen van anderen.
3) de handelingen van personen met een slechte reputatie worden veel sneller als afwijkend
geïnterpreteerd dan de handelingen van andere personen.
4) personen die slecht presteren in een bepaalde context hebben vaak de neiging dit te compenseren met
afwijkend gedrag in andere contexten.
5) samenlevingen waar formele gelijkheid bestaat zijn geneigd om de bestaande ongelijkheden toe te schrijven
aan individuele onbekwaamheid.
2) Personen die het slachtoffer zijn van etikettering ontwikkelen vaak een zelfbeeld dat tegenmoet komt aan de negatieve verwachtingen van anderen
3) De handelingen van personen met een slechte reputatie worden veel sneller als afwijkend geïnterpreteerd dan de handelingen van andere personen
Een handeling bestaat uit intentionele aspecten en communicatieve aspecten. Duid de twee intentionele
aspecten van een handeling aan.
1) Doelen en waarden.
2) Symbolen.
3) Definities van de situatie.
4) Betekenissen.
5) Normen.
1) Doelen en waarden
5) Normen
De instrumentalisering van het handelen vergemakkelijkt de beheersing van organisaties:
1) omdat vooral kleine organisaties geïnstrumentaliseerd zijn.
2) omdat bij instrumenteel handelen eerder het doel dan het middel telt.
3) omdat men bij instrumenteel handelen relatief weinig belang hecht aan de handeling zelf.
4) omdat instrumenteel handelen een doel op zich is.
5) omdat organisaties altijd naar de meest efficiënte manier van handelen zoeken.
2) Omdat bij instrumenteel handelen eerder het doel dan het middel telt
3) Omdat men bij instrumenteel handelen relatief weinig belang hecht aan de handeling zelf
De definitie van de situatie is een element van de sociale handeling. Duid de twee juiste stellingen aan.
1) De betekenis die aan het handelen of gesticuleren wordt gegeven is sterk afhankelijk van de defintie
van de situatie.
2) De defintie van de situatie biedt een inventaris van de beschikbare middelen en de condities waarbinnen
gehandeld wordt.
3) Volgens de aanhangers van het Utilitarisme is de variatie in het sociaal handelen van eenzelfde actor het
resultaat van een verschillende defintie van de situatie in verschillende contexten.
4) Sommige situaties laten zich niet zo gemakkelijk definiëren; via beteknissevolle voorwerpen,
lichaamstaal en verbalen communicatie dienen de actoren ter plaatse de defintie uit te werken.
5) De definitie van de situatie heeft steevast te maken met de rationele kennis van de betrokken
actoren en zal zich slechts zelden beroepen op hun emoties of intuïtie.
4) Sommige situaties laten zich niet zo gemmakelijk definiëren; via betekenisvolle voorwerpen, lichaamstaal en verbalen communicatie dienen de actoren ter plaatse de definitie uit te werken
5) De definitie van de situatie heeft steevast te maken met de rationele kennis van de betrokken actoren en zal zich slechts zelden beroepen op hun emoties of intuïtie
Geef de componenten van het handelen aan die rechtstreeks verband houden met cultuur:
1) het geheel van toegankelijke en manipuleerbare middelen.
2) de beperking van de voorwaarden.
3) doelen die samenhangen met het geheel van opvattingen die ons handelen richten.
4) de normatieve criteria die het gebruik van middelen bepalen.
5) de objectief gegeven situationele componenten.
3) Doelen die samenhangen met het geheel van opvattingen die ons handelen richten
4) De normatieve criteria die het gebruik van middelen bepalen
Een aantal sociale regels en betekenissen kennen en hanteren we op een onbewuste wijze. Voorbeelden van
deze regels zijn onder meer: onbekenden in de lift niet te lang aanstaren of langdurig oogcontact vermijden,
niet te dicht bij iemands gezicht gaan staan, enzovoort. Hoe noemen sociologen dit soort kennis? Geef het
correcte antwoord aan.
1) Symbolische kennis
2) Interactionele kennis
3) Elementaire kennis
4) Praktische kennis
5) Discursieve kennis
6) Kennis van socialisatie
7) Normatieve kennis
8) Kennis van internalisering
9) Ethnomethodologische kennis
10) Kennis van rolverwachtingen
4) Praktische kennis
Wat bedoelen sociologen als ze het hebben over (het probleem van de) sociale orde?
1) Het behoud van de mogelijkheid om tot nageleefde regels te komen
2) Het behoud van de bestaande machtsverhoudingen, wetten, gewoontes, verwachtingen, ...
3) Het geheel van regels, verwachtingen, normen, ... die het leven een zekere voorspelbaarheid en
berekenbaarheid geven.
4) Het besef dat over tijd gewoontes, instellingen en wetten variabel zijn.
1) Het behoud van de mogelijkheid om tot nageleefde regels te komen
3) Het geheel van regels, verwachtingen, normen, ... die het leven een zekere voorspelbaarheid en berekenbaarheid geven
Sociologische theorieën kunnen worden opgedeeld in theorieën die stellen dat orde spontaan tot stand komt
enerzijds en theorieën die stellen dat orde door sociale controle tot stand komt. Welke twee theorieën gaan
ervan uit dat sociale orde spontaan tot stand komt?
1) Symbolisch interactionisme
2) Nutstheorie.
3) Conflictsociologie.
4) Marxistische theorie.
5) Etnomethodologie
2) Nutstheorie
5) Etnomethodologie
Wanneer er wordt afgeweken van een sociale norm, kan dit leiden tot frustraties. Etnomethodologen hebben
een aantal mechanismen of buffers aangetoond die gebruikt worden om subtiel met deze afwijkingen om te
gaan. Onder welk mechanisme zouden we de 'civil inattention' of 'beleefde onverschilligheid' van Goffman
kunnen plaatsen? Geef het correcte antwoord aan.
1) Projecteren
2) Vergiffenis vragen
3) Interactioneel vandalisme
4) Beïnvloeden
5) Uitleggen
6) Uitleggen
7) Verontschuldigen
8) Humor
9) Belonen
10) Tact
10) Tact
Welke zijn de centrale stellingen van de 'blauwdruk-theorie' van de sociale orde? Geef de twee correcte
antwoorden aan.
1) De meeste mensen kennen en respecteren de regels van het sociale leven. Aldus ontstaat een
grote mate van voorspelbaarheid in de samenleving.
2) Via observatie kan men de regels die het sociale leven beheersen, ontdekken.
3) Het is quasi onmogelijk alle praktische betekenissen, regels en normen van het alledaagse sociale leven te
verwoorden.
4) Sociale orde moet eerst worden opgebouwd met een duidelijk plan, voordat je dit kunt implementeren.
5) De regels die het gedrag van mensen sturen, worden op jonge leeftijd geïnternaliseerd en worden
onveranderd van generatie op generatie doorgegeven.
1) De meeste mensen kennen en respecteren de regels van het sociale leven. Aldus ontstaat een grote mate van voorspelbaarheid in de samenleving
2) Via observatie kan men de regels die het sociale leven beheersen, ontdekken
Waarom kunnen diverse technologische innovaties, zoals videoconferenties of e-mailverkeer, volgens Boden
en Moltoch, face-to-face-interactie echter niet volledig vervangen? Geef de twee juiste antwoorden.
1) Face-to-facecontact is indringender omdat, zoals Goffman al eerder vaststelde, men hierbij de personal
space van 'de ander' kan binnendringen.
2) Face-tot-facecontact biedt de mogelijkheid om sneller te anticiperen bij storingen in de
communicatie.
3) Face-to-facecontacten laten toe om 'frontstage' de intenties van 'de ander' te toetsen aan zijn of haar
gedrag als hij of zij 'backstage' gaat.
4) Face-to-facecontact biedt meer informatieoverdracht, via onder andere non-verbale kanalen.
5) Face-to-facecontact maakt 'interactioneel vandalisme' onmogelijk.
2) Face-to-facecontact biedt de mogelijkheid om sneller te anticiperen bij storingen in de communicatie
4) Face-to-facecontact biedt meer informatieoverdracht, via onder andere non-verbale kanalen
De kennis van normen, gedragscodes en regels die mensen wel weten te gebruiken, doch niet altijd uitdrukkelijk
kunnen formuleren, noemen we:
1) beredeneerde kennis.
2) praktische kennis.
3) wetenschappelijke kennis.
4) normatieve kennis.
2) Praktische kennis
'De eerste voorwaarden waaraan een spion moet voldoen is een perfecte kennis van de taal, zonder dewelke
hij niet kan overleven, laat staan zijn opdracht vervullen. Zo'n kennis slaat op meer dan een perfect gebruik van
de taal. De agent moet zich als een inboorling weten te gedragen, denken we maar eens aan al die onbenullige
details die we kennen omdat we ergens zijn opgegroeid: kinderversjes, spreekwoorden, liedjes, de namen van
sportmannen en filmsterren, het geheel van die verhoudingen waaruit regionale en klassenverschillen blijken,
...' (E. Cookridge). In deze opmerking betreffende de opleiding van spionnen wordt de nadruk gelegd op:
1) het probleem van de dubbele contingentie.
2) het bestaan van algemene codes.
3) het belang van de definitie van de situatie.
4) de socialisatie.
5) normatieve verwachtingen.
6) praktische kennis.
7) sanctioneren.
8) totale controle.
9) talige communicatie.
10) regionalisme.
4) De socialisatie
6) Praktische kennis
Wat verstaan sociologen onder 'sociale controle'? Geef de twee correcte antwoorden aan.
1) Het geheel van handelingen die specifieke verboden en geboden overbodig maken.
2) Het geheel van sanctionerende handelingen die ingrijpen op de basisbehoeften van de mens, namelijk
veiligheid en fysiek welzijn.
3) Het geheel van handelingen die afwijking begrijpelijk en aanvaardbaar maken.
4) Het geheel van handelingen die gesteld worden om afwijking of krenking van verwachtingen te
voorkomen.
5) Het geheel van handelingen om het gedrag van anderen te beïnvloeden.
4) Het geheel van handelingen die gesteld worden om afwijking of krenking van verwachtingen te voorkomen
5) Het geheel van handelingen om het gedrag van anderen te beïnvloeden
Om de vier fundamentele typen van sancties te onderscheiden, werden twee van de volgende vijf
dichotomieën of tweedelingen gekruist. Welke twee? Geef de twee correcte antwoorden aan.
1) Positief versus negatief sanctioneren.
2) Inspelen op extern toegendiende stimuli versus inspelen op interne overtuigingen en gevoelens.
3) Steunen op 'Gemeinschaft' versus steunen op 'Gesellschaft'.
4) Primaire versus secundaire sancties.
5) Belonen versus bestraffen.
1) Positief versus negatief sanctioneren
2) Inspelen op extern toegediende stimuli versus inspelen op interne overtuigingen en gevoelens
Geef het juiste antwoord aan. Indien we iemand een negatieve sanctie willen opleggen door in te spelen op
gevoelens en/of overtuigingen ...
1) is het gevolg waardegetrouwheid.
2) noemen we dat bestraffen.
3) gebruiken we beïnvloeding als sanctionering.
4) activeren we de waardegetrouwheid.
5) kan deze sanctie circuleren via het symbolische medium invloed.
6) krijgt de gesanctioneerde schuldgevoelens en bevestigen wij zijn verbondenheid.
7) gebruiken we reguliere macht.
8) is de voorwaarde solidariteit.
9) is de voorwaarde voor de sanctionering veralgemeende waarden.
10) is de basis de controle over nuttige middelen.
4) Activeren we de waardegetrouwheid
Welke verschuiving in sanctioneringswijzen signaleert Foucault sinds de 18e eeuw? Geef de twee juiste
antwoorden aan.
1) Van straffen naar belonen.
2) Van negatieve naar positieve sancties.
3) Van externe naar interne sancties.
4) Van bestraffen naar activeren van waardegetrouwheid.
5) Van wetten naar normen.
3) Van externe naar interne sancties
4) Van bestraffen naar activeren van waardegetrouwheid
Geef de twee juiste antwoorden aan. Als in het kader van de sanctioneringswijzen wordt gesproken van
beïnvloeden, dan wordt daarmee bedoeld:
1) Het steunen op de veronderstelling dat men in het beste belang van iemand handelt.
2) Het in het vooruitzicht stellen van een beloning.
3) Het rekenen op een overeenstemming van overtuigingen en waarden.
4) Het inspelen op waarden en idealen.
5) Het rekenen op het vertrouwen.
1) Het steunen op de veronderstelling dat men in het beste belang van iemand handelt
5) Het rekenen op het vertrouwen
Volgens Talcott Parsons worden sanctioneringswijzen in vele gevallen gesymboliseerd. De
sanctioneringsmogelijkheden krijgen dan een symbolische vorm, waardoor ze overdraagbaar worden. In
verband met straffen kunnen we deze versymbolisering aanduiden als een proces waarbij straffen reguliere
macht wordt. Wanneer kunnen we straffen als reguliere macht beschouwen?
Straffen wordt als reguliere macht beschouwd als ...
1) de tekenen die erop wijzen dat iemand de bedreiging met een straf daadwerkelijk kan uitvoeren vervangen
worden door symbolen.
2) de straffen eerder symbolisch zijn (bvb. een geldboete) dan fysiek.
3) de straf niet langer afhankelijk is van personen die fysiek de straf kunnen uitvoeren, maar wel van
personen die vanuit hun bevoegdheid de mogelijkheid hebben een reeks van handelingen te stellen
die uiteindelijk tot een straf kunnen leiden.
4) er meer gedreigd wordt dan gestraft.
5) het dreigen met straf op zich voldoende is om sociale controle uit te oefenen en het uitvoeren van
straffen eerder zeldzaam wordt.
3) De straf niet langer afhankelijk is van personen die fysiek de straf kunnen uitvoeren, maar wel van personen die vanuit hun bevoegdheid de mogelijkheid hebben een reeks van handelingen te stellen die uiteindelijk tot een straf kunnen leiden
5) Het dreigen met straf op zich voldoende is om sociale controle uit te oefenen en het uitvoeren van straffen eerder zeldzaam wordt
Welk van onderstaande mechanismen behoort niet tot de gordels van sociale controle? Duid het juiste
antwoord aan.
1) Routine.
2) Integratie in een veld van gesanctioneerde verwachtingen.
3) Socialistatie.
4) Informele sancties.
5) Uitlaatkleppen zoals carnaval.
6) Zelfontplooiing.
7) Buffers zoals humor.
8) Formele sancties.
9) Internalisering.
10) Geen bovenstaande.
6) Zelfontplooiing
Welke uitspraken over sanctioneren zijn juist? Geef de twee juiste antwoorden aan.
1) Bij het activeren van waardegetrouwheid zal men de verbondenheid bevestigen.
2) Geld is het symbolische medium voor bestraffen.
3) Schuldgevoelens zijn het gevolg van beïnvloeding.
4) Bij positieve sancties wordt de belofte ten uitvoer gebracht als de verwachting wordt ingelost.
5) Beïnvloeden veronderstelt solidariteit.
4) Bij positieve sancties wordt de belofte ten uitvoer gebracht als de verwachting wordt ingelost
5) Beïnvloeden veronderstelt solidariteit