1/155
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat is het systemische karakter van atherosclerose?
Bij problemen in één vaatbed (bijvoorbeeld de coronairvaten) is er een hoge waarschijnlijkheid van problemen in andere vaatbedden; atherosclerotische aandoeningen zijn per definitie systemische aandoeningen.
Wat is de historische ontwikkeling van de behandeling van hart- en vaatziekten?
Sinds de jaren ‘80 is de behandeling van hart- en vaatziekten dramatisch verbeterd.
Wat is de definitie van perifeer arterieel vaatlijden?
De manifestatie van systematische atherosclerose waarbij het arteriële lumen van de onderste extremiteiten progressief wordt geblokkeerd door een atherosclerotische plaque.
Wat is het klinische verloop van atherosclerose in de bovenste extremiteiten?
Kan voorkomen, maar is vaak asymptomatisch.
Wat is de klinische relevantie van atherosclerose in de onderste extremiteiten?
Komt veel voor; staat bekend als LEAD (lower extremity arterial disease).
Wat is de definitie van risicofactoren voor LEAD?
Kenmerken, condities of gedragingen die de kans vergroten dat iemand een ziekte of gezondheidsprobleem ontwikkelt.
Wat is de specifieke rol van risicofactoren bij het ontstaan van een ziekte?
Ze veroorzaken de ziekte niet direct, maar verhogen de waarschijnlijkheid dat deze optreedt.
Welke overkoepelende risicofactoren horen bij LEAD?
Leeftijd, hoog HDL cholesterol (speelt geen heel grote rol bij perifeer vaatlijden), hoog totaal cholesterol, roken, diabetes mellitus, hypertensie, mannelijk geslacht en eerdere uiting van vaatlijden.
Wat is de oorzaak van de wereldwijde toename van het aantal atherosclerotische ziekten?
Doordat de risicofactoren wereldwijd steeds vaker voorkomen, neemt het aantal atherosclerotische ziekten toe.
Welke overkoepelende aandoeningen vertonen vaak overlap bij atherosclerose?
Er is vaak overlap tussen coronaire hartziekte (CAD), perifeer arterieel vaatlijden (PAD) en cerebrale vasculaire aandoeningen (CBVD).
Wat toont de specifieke overlap tussen CAD en PAD aan over de aard van atherosclerose?
Deze overlap komt vooral vaak voor tussen CAD and PAD, wat aantoont dat atherosclerose vaak meerdere vaatbedden tegelijk aantast.
Hoeveel procent van de patiënten met perifeer arterieel vaatlijden vertoont een specifieke rookhistorie?
Negentig procent van de patiënten met perifeer arterieel vaatlijden heeft gerookt of rookt nog steeds.
Welk percentage patiënten uit zich met de klassieke symptomatologie van perifeer arterieel vaatlijden?
Minder dan twintig procent uit zich met claudicatio intermittens (etalagebenen).
Wat zijn de specifieke kenmerken van het lopen bij de klassieke symptomatologie van claudicatio intermittens?
Mensen moeten tijdens het lopen na een vaste afstand stoppen door pijn in de kuiten en kunnen na rusten weer verder.
Wat is de directe oorzaak en uitlokker van de pijn bij het klassieke beeld van claudicatio intermittens?
De pijn wordt veroorzaken door ischemie en is inspanningsgebonden.
Welke overkoepelende kenmerken horen bij de atypische symptomatologie van perifeer arterieel vaatlijden?
De meeste mensen hebben nauwelijks klachten of vertonen een atypisch beeld met vermoeidheid en een vage pijn in de benen.
Wat is de belangrijkste overkoepelende mortaliteitsoorzaak bij patiënten met perifeer arterieel vaatlijden?
Deze patiënten overlijden overwegend aan coronairfalen.
Met welk overkoepelend classificatiesysteem wordt de ernst van perifeer arterieel vaatlijden ingedeeld?
Fontine classificatie.
Wat is de klinische uiting van klasse I van de Fontine classificatie?
Asymptomatisch.
Wat is de klinische uiting van klasse II van de Fontine classificatie?
Claudicatio intermittens / etalagebenen (klachten bij inspanning).
Wat is het specifieke criterium voor klasse 2a van de Fontine classificatie?
Claudicatio bij een afstand van meer dan 200 meter.
What is het specifieke criterium voor klasse 2b van de Fontine classificatie?
Claudicatio bij een afstand van minder dan 200 meter.
Wat is de klinische uiting van klasse III van de Fontine classificatie?
Pijn in rust, eventueel gepaard met nachtelijke pijn.
Wat is de klinische uiting van klasse IV van de Fontine classificatie?
Gangreen, ulceraties, ischemie van de teen of voet.
Wat is de algemene prognose en het verloop van perifeer vaatlijden wat betreft andere lichaamsdelen?
Perifeer vaatlijden is een 'maligne' ziekte waarbij patiënten over het algemeen last krijgen van cardiovasculaire problemen in andere delen van het lichaam.
Welk deel van de patiëntenpopulatie met perifeer vaatlijden blijft asymptomatisch?
1/3 van de patiënten is asymptomatisch.
Welk deel van de patiëntenpopulatie met perifeer vaatlijden heeft last van het klassieke beeld?
1/3 heeft last van klassieke claudicatio intermittens.
Welk deel van de patiëntenpopulatie met perifeer vaatlijden krijgt daadwerkelijk een interventie?
1/3 wordt daadwerkelijk behandeld.
Welk percentage van de patiëntenpopulatie met perifeer vaatlijden moet een chirurgische amputatie ondergaan?
1-2% ondergaat een amputatie.
Wat is de specifieke mortaliteit en hoofdoorzaak bij perifeer vaatlijden over een periode van tien jaar?
Zo'n 50% van de patiënten overlijdt over een periode van tien jaar, overwegend aan coronairlijden.
Wat is de sensitiviteit van de anamnese bij patiënten met perifeer arterieel vaatlijden?
De anamnese is zeer sensitief bij patiënten met perifeer arterieel vaatlijden.
Welke overkoepelende onderdelen horen bij de anamnese van perifeer arterieel vaatlijden?
Geslacht, leeftijd, roken, familieanamnese met hart- en vaatziekten, voeding, psychosociale risicofactoren (stress/depressie), alcoholgebruik en lichamelijke activiteit.
Wat is de pathofysiologische karakteristiek van het ontstaan van klachten bij perifeer arterieel vaatlijden?
Klachten treden met name op bij inspanning omdat de toegenomen zuurstofvraag dan niet kan worden geleverd als gevolg van de vaatobstructie.
Welke overkoepelende aspecten moeten worden uitgevraagd om de impact van perifeer arterieel vaatlijden te bepalen?
Belemmering in het dagelijkse leven, aanwezigheid van risicofactoren en comorbiditeiten.
Welke overkoepelende karakteristieken en verlichtende factoren horen specifiek bij claudicatio intermittens tijdens de anamnese?
Krampende, vermoeiende pijn in de benen bij kleine, vaste loopafstanden. Stoppen met inspanning zorgt voor snelle verlichting. Houdingsveranderingen zorgen niet voor problemen.
Welke specifieke arteriën zijn aangedaan bij pijn in de voet bij perifeer vaatlijden?
Arteria tibialis en arteria peronea.
Welke specifieke arteriën zijn aangedaan bij pijn in de kuit bij perifeer vaatlijden?
Arteria femoralis superficialis, arteria poplitea.
Welke specifieke arteriën zijn aangedaan bij pijn in de bil en heup bij perifeer vaatlijden?
Aorto-iliacale arteriën.
Welke specifieke arterie is aangedaan bij pijn in de dij bij perifeer vaatlijden?
Arteria femoralis communis.
Welke overkoepelende onderdelen horen bij het lichamelijk onderzoek van perifeer arterieel vaatlijden?
Inspectie van de huid, bloeddruk, BMI, capillary refill, palpatie (en auscultatie) van femorale arteriën en de test van Buerger-Ratschow.
Welke specifieke uiterlijke kenmerken worden beoordeeld tijdens de inspectie van de huid bij het lichamelijk onderzoek?
Temperatuurverschillen, schilferige huid, brokkelige nagels.
Welke specifieke bloeddrukcomponent is met name van belang bij het lichamelijk onderzoek?
Met name systolische bloeddruk.
Met welke aanvullende meting kan de BMI eventueel worden aangevuld bij het lichamelijk onderzoek?
Eventueel aangevuld met middelomtrek.
Wat is het doel van de test van Buerger-Ratschow bij het lichamelijk onderzoek?
Zoeken naar tekenen van een slechtere doorbloeding van de onderste extremiteit, zoals ulceraties, een droge/schilferige huid en kleurverschil van de huid bij een afhangende voet.
Wat is het mechanisme en het gevolg van elevatie bij een ischemisch been tijdens de test van Buerger-Ratschow?
Bij een ischemisch been kan elevatie (optillen van de voet) bleekheid veroorzaken.
Wat is de exacte procedure nadat het been in de lucht is getild bij de test van Buerger-Ratschow?
Het been wordt in de lucht getild en vervolgens weer losgelaat om te kijken hoelang het duurt totdat de doorbloeding hersteld is.
Welke tien overkoepelende aanwijzingen voor perifeer vaatlijden kunnen volgen uit de anamnese en het lichamelijk onderzoek?
Claudicatio intermittens, diabetes mellitus, mannelijk geslacht, roken, leeftijd ouder dan zestig jaar, geschiedenis van coronaire hartziekten, verminderde pulsaties aan de voet, lagere temperatuur van de voeten, hypertensie en een ruis over de femoralisarteriën bij auscultatie.
Welke overkoepelende laboratoriumparameters worden bepaald bij het laboratoriumonderzoek naar perifeer vaatlijden?
Lipidenedspectrum, glucose, creatinine met geschatte glomerulaire filtratiesnelheid (eGFR) en de albumine-creatinine ratio in urine.
Welke specifieke lipidensubtypen vallen onder het lipidenspectrum bij het laboratoriumonderzoek?
Totaal cholesterol (TC), HDL-c, TC-HDL-ratio, LDL-c, triglyceriden.
Wat is de klinische reden om de glucosewaarde te bepalen bij het laboratoriumonderzoek?
In het kader van Diabetes Mellitus als risicofactor voor HVZ.
Welke specifieke nierfunctieparameter wordt berekend aan de hand van het creatinine bij het laboratoriumonderzoek?
Geschatte glomerulaire filtratiesnelheid (eGFR).
Met welk specifiek medisch apparaat wordt de meetmethode van de Enkel-armindex uitgevoerd?
Een dopplerapparaat.
Wat is het mechanisme van de berekening van de Enkel-armindex?
De ratio tussen de hoogste systolische bloeddruk gemeten in de arm (over de arteria brachialis, links of rechts) en de hoogste systolische bloeddruk gemeten in de enkel (over de arteria tibialis posterior of arteria dorsalis pedis, links of rechts).
Wat is de wiskundige formule van de Enkel-armindex?
Enkel-armindex = hoogste enkeldruk / hoogste brachialisdruk
Wat is de algemene pathofysiologische interpretatie van een lagere distale druk ten opzichte van de centrale druk bij de Enkel-armindex?
Een lagere distale druk (enkel) dan centrale druk (arm) wijst op een doorbloedingsstoornis.
Welke specifieke afkapwaarde geldt als afwijkend bij de interpretatie van de Enkel-armindex?
Een waarde minder dan 0,90 is afwijkend.
Wat is het prognostische gevolg van een lagere Enkel-armindex?
Hoe lager de EAI, hoe groter de kans op overlijden.
Welke specifieke gradatie van obstructie hoort bij een Enkel-armindex van 0,71 - 0,90?
Milde obstructie.
Welke specifieke gradatie van obstructie hoort bij een Enkel-armindex van 0,41 - 0,70?
Matige obstructie.
Welke specifieke gradatie van obstructie hoort bij een Enkel-armindex van 0,00 - 0,40?
Ernstige obstructie.
Welke overkoepelende testkarakteristieken bezit de Enkel-armindex?
De EAI is zowel zeer specifiek als sensitief.
Wat is de klinische betekenis van de hoge specificiteit van de Enkel-armindex?
De test is zelden vals-positief (de index is niet vaak minder dan 0,90 als er geen perifeer vaatlijden is).
Wat is de klinische betekenis van de hoge sensitiviteit van de Enkel-armindex?
Bij aanwezigheid van perifeer vaatlijden is de index meestal daadwerkelijk afwijkend.
Welke specifieke waarde in verandering van de ratio wordt aangehouden bij de monitoring van de Enkel-armindex?
Een verandering van +/- 0,15 in de ratio wordt aangehouden.
Wat is het onderliggende biologische mechanisme dat kan zorgen voor een verbetering van de Enkel-armindex?
Verbetering kan optreden doordat het lichaam collateralen vormt, wat zorgt voor een betere perfusie.
Wat is het diagnostische werkingsmechanisme van Colour duplexultrasonografie?
Diagnostische test die met kleuren de flow van bloed weergeeft.
Wat is de betekenis van de kleur blauw bij Colour duplexultrasonografie?
Geeft turbulentie van het bloed aan.
Wat is de betekenis van de kleur rood bij Colour duplexultrasonografie?
Geeft een normale laminaire bloedflow aan.
Wat is het belangrijkste klinische voordeel van Colour duplexultrasonografie?
Maakt het mogelijk om lokaal te bepalen waar de afwijking zich precies bevindt.
Welke drie overkoepelende aanvullende opties voor vervolgdiagnostiek kunnen worden uitgevoerd na Colour duplexultrasonografie?
Magnetic resonance angiography (MRA), Computed tomographic angiography (CTA) en Digital subtraction angiography (DSA).
Welke overkoepelende voordelen horen bij de diagnostische inzet van een Duplex echo?
Non-invasief, kwantitatief aangeven van ernst laesie.
Welke overkoepelende nadelen horen bij de diagnostische inzet van een Duplex echo?
Afhankelijk van uitvoerder, beeld gelimiteerd door dichte calcificatie.
Welke overkoepelende voordelen horen bij de diagnostische inzet van een Digital subtraction angiography (DSA)?
Gouden standaard, hoge resolutie, interventie is mogelijk.
Welke overkoepelende nadelen horen bij de diagnostische inzet van een Digital subtraction angiography (DSA)?
Invasief, geïoniseerde radiatie en contrast, tweedimensionaal.
Welke overkoepelende voordelen horen bij de diagnostische inzet van een Magnetic resonance angiography (MRA)?
Non-invasief, geen radiatie of geïoniseerd contrast, driedimensionaal.
Welke overkoepelende nadelen horen bij de diagnostische inzet van een Magnetic resonance angiography (MRA)?
Lagere resolutie dan CTA, gecontraïndiceerd bij claustrofobie, artefact bij stent.
Welke overkoepelende voordelen horen bij de diagnostische inzet van een Computed tomographic angiography (CTA)?
Non-invasief, hogere resolutie dan MRA, driedimensionaal.
Welke overkoepelende nadelen horen bij de diagnostische inzet van een Computed tomographic angiography (CTA)?
Geïoniseerde radiatie (25% van DSA) en contrast, beeld gelimiteerd door dichte calcificatie.
Welke specifieke vasculaire afwijking kan direct zichtbaar worden gemaakt op een angiografie?
Een arteriële occlusie.
Wat is het effect van dotteren als initiële interventie na een angiografie?
Dotteren kan vervolgens een lokaal probleem zeer goed oplossen, waarna de doorbloeding zich weer herstelt.
Welke overkoepelende complicaties kunnen optreden bij het ondergaan van een angiografie?
Allergische reacties op het contrastmiddel, bloedingen, contrast geïnduceerde nefropathie en cholesterolembolisatie.
Wat is het specifieke incidentiepercentage van allergische reacties op het contrastmiddel bij een angiografie?
4%
Wat is het specifieke incidentiepercentage van bloedingen bij een angiografie?
2%
Wat is het specifieke incidentiebereik van contrast geïnduceerde nefropathie bij een angiografie?
0,2-1,4%
Wat is het specifieke incidentiepercentage van cholesterolembolisatie bij een angiografie?
0,1%
Wat is het hoofddoel van de behandeling van perifeer vaatlijden?
Aanpakken van het lokale probleem door de doorbloeding te verbeteren, waarmee het cardiovasculaire risico wordt verlaagd.
Wat is de eerste stap bij het algemene stappenplan voor de behandeling van perifeer vaatlijden?
Risicofactormodificatie.
Welke specifieke acties vallen onder de risicofactormodificatie bij perifeer vaatlijden?
Stoppen met roken, regelmatig bewegen, verlagen van cholesterol en bloeddruk, behandelen van diabetes.
Welke twee specifieke risicofactoren verhogen onafhankelijk van elkaar het risico op perifeer vaatlijden?
Diabetes en roken.
Wat is het fysiologische mechanisme achter een oefenprogramma ('looptherapie') bij perifeer vaatlijden?
Het maken van nieuwe collateralen in de benen wordt gestimuleerd wanneer de inspanning langer wordt voortgezet dan de patiënt in eerste instantie aan kan.
Wat is de cruciale voorwaarde voor de patiënt tijdens het lopen als er pijn ontstaat bij looptherapie?
Het is essentieel dat de patiënt nog even doorloopt nadat de pijn ontstaat.
Onder welke specifieke professionele voorwaarde vindt looptherapie bij voorkeur plaats?
Vindt bij voorkeur plaats onder supervisie (fysiotherapie) om de patiënt goed te kunnen sturen.
Binnen welke specifieke termijn kan looptherapie een verbetering van de klachten geven?
Kan binnen één à twee maanden verbetering van de klachten geven.
Bij welke specifieke klassen van de Fontine classificatie heeft looptherapie geen klinisch nut meer?
Heeft geen zin bij Fontaine 2b of hoger.
Wat is de derde stap bij het algemene stappenplan voor de behandeling van perifeer vaatlijden?
Farmacologische therapie.
Welke overkoepelende medicatiegroepen worden ingezet bij de farmacologische therapie van perifeer vaatlijden?
Inzet van antihypertensiva, statines, clopidogrel etc. om symptomen te verminderen of risico’s te verlagen.
Wat is de vierde stap bij het algemene stappenplan voor de behandeling van perifeer vaatlijden?
Revascularisatie.
Op welke twee overkoepelende manieren kan revascularisatie worden uitgevoerd bij perifeer vaatlijden?
Chirurgisch of via een dotterbehandeling (endovasculaire behandeling met een ballon).
Wat is de directe mechanische handeling bij een basale chirurgische revascularisatie?
Door de plaque te verwijderen.
Bij welk specifiek anatomisch kenmerk van de vernauwing heeft een chirurgische ingreep de voorkeur?
Bij langere trajecten heeft een chirurgische ingreep de voorkeur.