Dutch - Onregelmatige Werkwoorden

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/244

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 9:23 AM on 8/6/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

245 Terms

1
New cards
Cuire (au four)
bakken (bak, bakte, bakten, gebakken)
2
New cards
Éclater / Fendre
barsten (barst, barstte, barstten, gebarsten)
3
New cards
Gâter / Se gâter
bederven (bederf, bedierf, bedierven, bedorven)
4
New cards
Tromper / Duper
bedriegen (bedrieg, bedroog, bedrogen, bedrogen)
5
New cards
Commencer
beginnen (begin, begon, begonnen, begonnen)
6
New cards
Ranger / Sauver
bergen (berg, borg, borgen, geborgen)
7
New cards
Décider
besluiten (besluit, besloot, besloten, besloten)
8
New cards
Commander / Ordonner
bevelen (beveel, beval, bevalen, bevolen)
9
New cards
Bouger
bewegen (beweeg, bewoog, bewogen, bewogen)
10
New cards
Prier
bidden (bid, bad, baden, gebeden)
11
New cards
Offrir / Proposer
bieden (bied, bood, boden, geboden)
12
New cards
Mordre
bijten (bijt, beet, beten, gebeten)
13
New cards
Lier / Attacher
binden (bind, bond, bonden, gebonden)
14
New cards
Souffler
blazen (blaas, blies, bliezen, geblazen)
15
New cards
Paraître / S'avérer
blijken (blijk, bleek, bleken, gebleken)
16
New cards
Rester
blijven (blijf, bleef, bleven, gebleven)
17
New cards
Briller / Luire
blinken (blink, blonk, blonken, geblonken)
18
New cards
Casser / Rompre
breken (breek, brak, braken, gebroken)
19
New cards
Apporter / Amener
brengen (breng, bracht, brachten, gebracht)
20
New cards
Plier / Courber
buigen (buig, boog, bogen, gebogen)
21
New cards
Creuser / Piocher
delven (delf, delfde, delfden, gedolven)
22
New cards
Penser
denken (denk, dacht, dachten, gedacht)
23
New cards
Faire
doen (doe, deed, deden, gedaan)
24
New cards
Porter
dragen (draag, droeg, droegen, gedragen)
25
New cards
Flotter / Dériver
drijven (drijf, dreef, dreven, gedreven)
26
New cards
Presser / Pousser
dringen (dring, drong, drongen, gedrongen)
27
New cards
Boire
drinken (drink, dronk, dronken, gedronken)
28
New cards
Plonger
duiken (duik, dook, doken, gedoken)
29
New cards
Forcer / Cinder
dwingen (dwing, dwong, dwongen, gedwongen)
30
New cards
Manger
eten (eet, at, aten, gegeten)
31
New cards
Siffler
fluiten (fluit, floot, floten, gefloten)
32
New cards
Aller
gaan (ga, ging, gingen, gegaan)
33
New cards
Valoir / Être valable
gelden (geld, gold, golden, gegolden)
34
New cards
Guérir
genezen (genees, genas, genazen, genezen)
35
New cards
Jouir / Profiter
genieten (geniet, genoot, genoten, genoten)
36
New cards
Donner
geven (geef, gaf, gaven, gegeven)
37
New cards
Verser
gieten (giet, goot, goten, gegoten)
38
New cards
Glisser
glijden (glijd, gleed, gleden, gegleden)
39
New cards
Creuser
graven (graaf, groef, groeven, gegraven)
40
New cards
Saisir / Attraper
grijpen (grijp, greep, grepen, gegrepen)
41
New cards
Pendre / Suspendre
hangen (hang, hing, hingen, gehangen)
42
New cards
Avoir
hebben (heb, had, hadden, gehad)
43
New cards
Soulever
heffen (hef, hief, hieven, geheven)
44
New cards
Aider
helpen (help, hielp, hielpen, geholpen)
45
New cards
S'appeler
heten (heet, heette, heetten, geheten)
46
New cards
Tenir / Garder
houden (hou(d), hield, hielden, gehouden)
47
New cards
Chasser
jagen (jaag, jaagde/joeg, jaagden/joegen, gejaagd)
48
New cards
Choisir
kiezen (kies, koos, kozen, gekozen)
49
New cards
Regarder
kijken (kijk, keek, keken, gekeken)
50
New cards
Grimper
klimmen (klim, klom, klommen, geklommen)
51
New cards
Sonner / Résonner
klinken (klink, klonk, klonken, geklonken)
52
New cards
Pincer
knijpen (knijp, kneep, knepen, geknepen)
53
New cards
Venir
komen (kom, kwam, kwamen, gekomen)
54
New cards
Acheter
kopen (koop, kocht, kochten, gekocht)
55
New cards
Recevoir / Obtenir
krijgen (krijg, kreeg, kregen, gekregen)
56
New cards
Rétrécir
krimpen (krimp, kromp, krompen, gekrompen)
57
New cards
Ramper
kruipen (kruip, kroop, kropen, gekropen)
58
New cards
Pouvoir (capacité)
kunnen (kan, kon, konden, gekund)
59
New cards
Rire
lachen (lach, lachte, lachten, gelachen)
60
New cards
Charger
laden (laad, laadde, laadden, geladen)
61
New cards
Laisser
laten (laat, liet, lieten, gelaten)
62
New cards
Lire
lezen (lees, las, lazen, gelezen)
63
New cards
Mentir
liegen (lieg, loog, logen, gelogen)
64
New cards
Être allongé / Être situé
liggen (lig, lag, lagen, gelegen)
65
New cards
Souffrir
lijden (lijd, leed, leden, geleden)
66
New cards
Ressembler / Paraître
lijken (lijk, leek, leken, geleken)
67
New cards
Courir / Marcher
lopen (loop, liep, liepen, gelopen)
68
New cards
Moudre
malen (maal, maalde, maalden, gemalen)
69
New cards
Traire
melken (melk, molk, molken, gemolken)
70
New cards
Mesurer
meten (meet, mat, maten, gemeten)
71
New cards
Éviter
mijden (mijd, meed, meden, gemeden)
72
New cards
Devoir (obligation)
moeten (moet, moest, moesten, gemoeten)
73
New cards
Pouvoir (permission)
mogen (mag, mocht, mochten, gemogen)
74
New cards
Prendre
nemen (neem, nam, namen, genomen)
75
New cards
Exploiter / Extraire
ontginnen (ontgin, ontgon, ontgonnen, ontgonnen)
76
New cards
Louer / Vanter
prijzen (prijs, prees, prezen, geprezen)
77
New cards
Deviner / Conseiller
raden (raad, raadde, raadden, geraden)
78
New cards
Rouler / Conduire
rijden (rijd, reed, reden, gereden)
79
New cards
S'élever / Monter
rijzen (rijs, rees, rezen, gerezen)
80
New cards
Crier / Appeler
roepen (roep, riep, riepen, geroepen)
81
New cards
Sentir (odeur)
ruiken (ruik, rook, roken, geroken)
82
New cards
Séparer
scheiden (scheid, scheidde, scheidden, gescheiden)
83
New cards
Insulter
schelden (scheld, schold, scholden, gescholden)
84
New cards
Violer / Transgresser
schenden (schend, schond, schonden, geschonden)
85
New cards
Offrir / Verser
schenken (schenk, schonk, schonken, geschonken)
86
New cards
Créer / Puiser
scheppen (schep, schiep, schiepen, geschapen)
87
New cards
Raser / Tondre
scheren (scheer, schoor, schoren, geschoren)
88
New cards
Tirer (arme / ballon)
schieten (schiet, schoot, schoten, geschoten)
89
New cards
Briller / Paraître
schijnen (schijn, scheen, schenen, geschenen)
90
New cards
Écrire
schrijven (schrijf, schreef, schreven, geschreven)
91
New cards
Sursauter / Avoir peur
schrikken (schrik, schrok, schrokken, geschrokken)
92
New cards
S'abriter
schuilen (schuil, school, scholen, gescholen)
93
New cards
Glisser / Pousser
schuiven (schuif, schoof, schoven, geschoven)
94
New cards
Frapper / Battre
slaan (sla, sloeg, sloegen, geslagen)
95
New cards
Dormir
slapen (slaap, sliep, sliepen, geslapen)
96
New cards
User
slijten (slijt, sleet, sleten, gesleten)
97
New cards
Fermer
sluiten (sluit, sloot, sloten, gesloten)
98
New cards
S'esquiver / Se glisser
sluipen (sluip, sloop, slopen, geslopen)
99
New cards
Fondre
smelten (smelt, smolt, smolten, gesmolten)
100
New cards
Lancer / Jeter
smijten (smijt, smeet, smeten, gesmeten)