M&S: Hoofdstuk 4

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/58

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:39 PM on 8/4/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

59 Terms

1
New cards

Wat is een endocentrische structuur?

Een structuur waarbij minstens één element als hoofd (kern) fungeert en de eigenschappen van de hele structuur bepaalt.

2
New cards

Welk element bepaalt de eigenschappen van een endocentrische structuur?

Het hoofd (de kern).

3
New cards

Geef een voorbeeld van een endocentrische structuur.

grootmoeder (moeder is het hoofd).

4
New cards

Welke hypothese geldt voor endocentrische structuren?

RHHR (Right-Hand Head Rule).

5
New cards

Wat is een exocentrische structuur?

Een structuur waarbij geen van beide bouwstenen als hoofd van de structuur fungeert.

6
New cards

Geef een voorbeeld van een exocentrische structuur.

flapuit

7
New cards

Wat is een bepaling-hoofdsamenstelling?

Een endocentrische samenstelling waarbij het linkerlid de bepaling is en het rechterlid het hoofd.

8
New cards

Welke functie heeft het linkerlid in een bepaling-hoofdsamenstelling?

Bepaling (modificatie).

9
New cards

Welke functie heeft het rechterlid in een bepaling-hoofdsamenstelling?

Hoofd (kern).

10
New cards

Welke drie aspecten zijn belangrijk bij bepaling-hoofdsamenstellingen?

Betekenisrelaties, idiomaticiteit en eigennamen.

11
New cards

Geef voorbeelden van betekenisrelaties bij bepaling-hoofdsamenstellingen.

kerkhof, tijdstip

12
New cards

Geef voorbeelden van idiomatische bepaling-hoofdsamenstellingen.

adamsappel, boterham

13
New cards

Wat is een bijzonder type bepaling-hoofdsamenstelling?

Eigennamen waarbij het linkerlid een eigennaam is.

14
New cards

Wat is een thematische rol?

De semantische functie van een participant in een handeling, gebeurtenis of toestand.

15
New cards

Wat is een agens?

De actieve participant die de handeling bewust controleert.

16
New cards

Wat is een patiens?

De passieve participant die de handeling ondergaat en tijdens de handeling ingrijpend verandert.

17
New cards

Wat is een thema?

De participant die een handeling ondergaat zonder ingrijpend te veranderen.

18
New cards

Welke thematische rol heeft meestal het onderwerp?

Agens (en soms thema).

19
New cards

Welke thematische rol heeft meestal het voorwerp?

Patiens (en soms thema).

20
New cards

Hoe pas je het valentieschema toe op thematische rollen?

Agens = onderwerp; Patiens = voorwerp; Thema = onderwerp of voorwerp.

21
New cards

Wat is een defectief werkwoord?

Een werkwoord dat enkel in de infinitief gebruikt kan worden.

22
New cards

Wat is truncatie?

Een vorm van stamallomorfie waarbij de slot-d van de werkwoordstam wegvalt wanneer die stam het linkerlid van een nominale samenstelling wordt.

23
New cards

Geef twee voorbeelden van truncatie.

glijbaan (glijdbaan), snijwonde (snijdwonde)

24
New cards

Geef een voorbeeld van truncatie bij afleiding.

machine + ist → machinist

25
New cards

Wat is degeminatie (ontdubbeling)?

Het wegvallen van een dubbele medeklinker of klinker bij woordvorming.

26
New cards

Geef een voorbeeld van degeminatie.

financie + ier → financier

27
New cards

Wat is een versterkingsrelatie?

Een relatie waarbij het linkerlid de betekenis van het rechterlid versterkt.

28
New cards

Geef twee voorbeelden van een versterkingsrelatie.

bloedrood, ijzersterk

29
New cards

Wat zijn affixoïden?

Vormen die eruitzien als vrije morfemen maar zich gedragen als een affix.

30
New cards

Geef voorbeelden van affixoïden.

bere-, reuze-, stapel-

31
New cards

Wat is een absoluut adjectief?

Een adjectief dat niet combineerbaar is met graadaanduidingen zoals comparatief, superlatief of graadbijwoorden.

32
New cards

Geef voorbeelden van absolute adjectieven.

*ijzersterker, *erg stapelgek, *het ijskoudst

33
New cards

Wat is een argumentspositie?

Een open plek voor een participant die door het valentieschema van een werkwoord of adjectief wordt gecreëerd.

34
New cards

Geef een voorbeeld van een argumentspositie.

vriendelijk (2-plaatsig) → milieuvriendelijk blijft 2-plaatsig.

35
New cards

Welke thematische rollen drukken voltooide deelwoorden uit?

Agens, instrument en kracht.

36
New cards

Welke thematische rollen drukken onvoltooide deelwoorden uit?

Thema en patiens.

37
New cards

Wat is een samenkoppeling?

Een werkwoordelijke combinatie waarvan de delen in sommige contexten samenblijven en in andere uit elkaar kunnen staan.

38
New cards

Bij welke woordsoort komt samenkoppeling voor?

Altijd bij werkwoorden.

39
New cards

Hoe ligt de klemtoon bij een samenkoppeling?

Het hoofd staat rechts, maar de woordklemtoon ligt op het linkerelement.

40
New cards

Wat is een pseudosamenstelling?

Een woord dat opgebouwd lijkt uit twee delen, maar waarvan één deel (meestal het linkerlid) niet zelfstandig is.

41
New cards

Wat is een stratum?

Een laag van woordvorming met eigen affixen.

42
New cards

Welke suffixen behoren tot het inheemse stratum?

-er, -aar, -enaar, -ier, -(e)ling

43
New cards

Welke suffixen behoren tot het uitheemse stratum?

-ist, -air, -ier, -eur, -aris

44
New cards

Wat is een diminutief?

Een verkleinwoord.

45
New cards

Wat is een pejoratieve connotatie?

Een negatieve bijklank.

46
New cards

Wat zijn abstracta?

Zelfstandige naamwoorden die abstracte begrippen aanduiden.

47
New cards

Geef voorbeelden van abstracta.

liefde, idee, tijd, schoonheid, kennis

48
New cards

Wat is het frequentatieve of iteratieve betekenisaspect?

Een betekenisaspect waarbij de handeling van het basiswerkwoord herhaald wordt.

49
New cards

Welke toevoegingen drukken vaak een frequentatief of iteratief betekenisaspect uit?

-el en -er

50
New cards

Geef voorbeelden van frequentatieve of iteratieve afleidingen.

krabbelen, kinkelen, knipperen, knikkeren

51
New cards

Wat is categorieneutrale prefigering?

Prefigering waarbij het prefix geen invloed heeft op de woordsoort van de afleiding.

52
New cards

Welke regel geldt bij categorieneutrale prefigering?

RHHR (Right-Hand Head Rule).

53
New cards

Welke prefixes worden gebruikt voor versterking of intensivering?

aarts-, oer-, her-, super-, hyper-, ultra-

54
New cards

Welke intensiverende prefixes zijn inheems?

aarts-, oer-, her-

55
New cards

Welke intensiverende prefixes zijn uitheems?

super-, hyper-, ultra-

56
New cards

Wat betekent formeel geleed?

Een woord dat nog een formele morfologische structuur heeft, ook al is de betekenis niet (meer) transparant.

57
New cards

Wat zijn versteende vormen?

Vormen waarvan de oorspronkelijke opbouw of betekenis niet langer productief of transparant is.

58
New cards

Wat is affixextractie?

Een woordvormingsproces waarbij een affix wordt weggehaald.

59
New cards