Thema 1 - Borst & Nier | Quizlet

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/244

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:58 AM on 6/29/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

245 Terms

1
New cards

Wat is de A-a gradeint

Dit is het verschil tussen de alveolaire zuurstofdruk (PAO2) en de arteriële zuurstof druk (PaO2)

De ideale situatie is wanneer deze gelijk zijn.

2
New cards

Wat is een anatomische shunt

Hier stroomt bloed langs delen van de longen die helemaal niet worden geventileerd.

Voorbeelden:

Longontsteking waarbij alveoli gevuld zijn met vocht of pus.

Atelectase (samengevallen longweefsel).

Longoedeem met volledig gevulde alveoli.

Aangeboren of verworven arterioveneuze verbindingen in de long.

Kenmerk:

De ventilatie-perfusieverhouding (V/Q) is 0.

Extra zuurstof toedienen helpt vaak maar beperkt, omdat het bloed de niet-geventileerde alveoli nooit bereikt.

3
New cards

Wat is een fysiologische shunt

Ook bij gezonde mensen bestaat een kleine hoeveelheid shuntbloed.

Dit ontstaat doordat:

Een deel van het bloed uit de bronchiale circulatie direct in de longvenen terechtkomt.

Kleine venen van het hart (venae Thebesii) uitmonden in de linkerharthelft.

Kenmerk:

Normaal ongeveer 2-5% van het hartminuutvolume.

Draagt bij aan het normale verschil tussen alveolaire en arteriële zuurstofspanning.

4
New cards

Wat zegt een lage V/Q

Er is wel bloed, maar weinig ventilatie

Voorbeelden:

Astma

COPD

Pneumonie (longontsteking)

Longoedeem

➡️ Resultaat:

Bloed passeert slecht geventileerde alveoli

Minder zuurstofopname → hypoxemie

5
New cards

Wat zegt een hoge V/Q

Er is wel lucht, maar weinig bloedflow

Voorbeelden:

Longembolie

Shock met verminderde longperfusie

➡️ Resultaat:

Alveoli worden "verspild" omdat er geen bloed is om zuurstof op te nemen

6
New cards

Wat is het verschil tussen een V/Q mismatch en een shunt

Bij een shunt is er helemaal geen ventilatie. Bij V/Q mismatch is er nog een beetje ventilaie of perfusie aanwezig.

7
New cards

Wat is de alveolaire gasvergelijking

PAO2 = PIO2' - (PACO2 / R)

R = 0,8

PIO2' = 149 mmHg

PAO2 = PaO2

8
New cards

Een shunt is ... ventilatie en ... perfusie

Een shunt is wel perfusie maar geen ventilatie

9
New cards

Een dode ruimte is ... ventilatie en .... perfusie

een dode ruimte is wel ventilatie maar gene perfusie

10
New cards

Wat is hypoxemie en waardoor kan dit komen

dit is een PaO2 lager dan 10 kPa.

oorzaken:

- Lage PIO2 (op groote hoogte)

- Lage PAO2 ( door hypoventilatie, diffusiestoornis, v/q mismatch of een shunt

11
New cards

Wat is het compensatoire mechanisme voor een shunt

Er is een lage PAO2, hierdoor treedt een hypoxische vasoconstrictie op. De alveolaire bloedvaten gaan samenknijpen. Hierdoor wordt de v/q mismatch een beetje verkleind

12
New cards

Wat is het compensatoire mechanisme voor een hoge V/Q

Ook wel een dode ruimte genoemd. Door de hoge PAO2 in alveoli treedt er bronchoconstrictie op. Hierdoor wordt de aanvoer van lucht verkleint.

13
New cards

Wat is het fysiologische mechanisme van hoesten

Ontstaat door een prikkeling van hoestreceptoren, deze bevinden zich in de luchtwegen, slokdarm, maag, diafragma, pleura, pericard.

Er zijn twee types

- Mechanische via Ao, snel en gemyeliniseerd. Reageren op iets in long, zoals slijm of corpus alienum

-Chemische via C vezels, trager en ongemyeliniseerd. reageren op pH en capsaïcines

14
New cards

Wat is neurologische overgevoeligheid bij hoesten

Dan is de oorzaak niet een directe prikkel maar zijn de hoesreceptoren te scherp afgesteld, waardoor alledaagse zaken een hoest kunne uitlokken.

15
New cards

Hoe verloopt de hoestreflex

het sensorisch signaal verloopt via de n. vagus naar een sensorisch neuron in de hersenstam daar wordt het omgezet in een motorisch signaal waardoor hoestreactie wordt gestart. Dit gaat in 3 fasen:

1. Inspiratoire fase: diep ingeademd

2. compressie fase: na inademing sluit de glottis, de druk in de luchtwegen neemt toe

3. Expiratoire fase: de glottis opent zich plotseling en de ademhalingsspieren contraheren krachtig, waardoor de lucht met hoge snelheid naar buiten wordt geperst

16
New cards

Wat is de glottis

De ruimte tussen de stembanden en de larynx

17
New cards

Wat is expiratie reflex

Dit zijn gewoontekuchjes het mechanisme is onbekend en is moeilijk te onderscheiden van hoestreflex door de n. vagus

18
New cards

Wat is de behandeling van GERD

Niet-med: hoofeinde omhoog, minder alcohol, minder kruiden en koffie, stoppen met roken, voldoende beweging en overgewicht voorkomen

Med: PPI

19
New cards

Wat is acute hoest

Wat is chronische hoest

< 3 weken = acuut: infectieus (virale (Bovenste) luchtweginfectie en bacteriële luchtwefinfectie, bronchitis en pneumonie)

> 8 weken: post-nasal drip (41%), GERD (21%) en COPD (7%)

20
New cards

Wat is hemoptoë

is het ophoesten van bloed.

Mild --> minder dan 100 ml

matig-ernstig --> acuut bij niet-bedreigde patiënt

Massaal: acuut en direct bedreigd

21
New cards

Hoe is de vascularisatie van de long

a. bronhialis ontspringt uit de arota en voorzien de bronchi, bronchioli en het interstitium tot aan de terminale bronchien van zuurstofrijk bloed. (systemische circulatie --> hoge druk) Via anastomosen met de pukmnoale capilalire komt dit bloed uiteindelijk in de v. pulmonalis terecht --> Zorgt ervoor dat er altijd een A-a gradiënt is.

a. pulmonalis vervoert zuurstofarm bloed vanuit het rechter ventrikel naar de alveoli waar de gaswisseling plaatsvind --> oxygenatie niet voor voeding van het longweefsel.

22
New cards

Waar komt hemoptoe meestal vandaan

a. bronchiales (90%)

23
New cards

Wat is de manier van beoordelen op de SEH

ABCDE

A --> luchtwegvrij

B --> controleer ademhaling

C --> bloeddruk, HR

D --> neurologische status beoordelen

E --> volledige inspectie en temp meten

24
New cards

Wat zijn frequente oorzaken van hemoptoe in de eerste lijn

acute bovenste luchtweginfectie (64%)

Onbekend (8%)

Longkanker (6%)

Bronchiectasieen (2%)

Longembolie (1%)

25
New cards

Wat zijn frequente oorzaken van hemoptoe in de tweede lijn

bronchiectasieen ( 20%)

bronchitis (18%)

Pneumonie (16%)

hartfalen (4%)

Tuberculose (1%)

26
New cards

Wat zijn de functies van de trilharen in de trachea en bronchieen

deze produceren slijm waaraan stofdeeltjes blijven hangen. De trilhaartjes zorgen ervoor dat deze deeltjes omhoog worden gwerkt.

27
New cards

Wat is een bronchioli

Heeft GEEN kraakbeen of klieren maar er zijn slijmproducerende cellen. De buisjes zijn opgehangen in longparenchym en worden zo gesteund en opengehouden.

28
New cards

Wat is de N-classificatie van lymfogene metastaseringen van longcarcinomen

N1 --> metastasen in hiliusklieren

N2 --> ipsilaterale dediastinale kleiren

N3 --> contralaterale mediastinale of supreclaviculaire klieren

29
New cards

Wat is de functie van de luchtwegen?

De luchtwegen zijn een vertakt transportsysteem dat ingeademde lucht naar de alveoli brengt en uitgeademde lucht afvoert.

30
New cards

Wat gebeurt er met de lucht in de neusholte?

De lucht wordt gefilterd, verwarmd en bevochtigd.

31
New cards

Wat is de functie van trilhaarcellen (ciliën)?

Ze transporteren slijm met stofdeeltjes en ziektekiemen richting de keel.

32
New cards

Welke cellen produceren slijm in de bronchi?

Slijmproducerende cellen (bekercellen).

33
New cards

Wat is de functie van slijm in de luchtwegen?

Het vangt stofdeeltjes en micro-organismen op.

34
New cards

Wat gebeurt er bij beschadiging van de trilhaarcellen?

De mucociliaire klaring vermindert, waardoor infecties en luchtwegproblemen kunnen ontstaan.

35
New cards

Wat is compliantie?

De rekbaarheid van de longen en borstkas.

36
New cards

Wat betekent een hoge compliantie?

De longen zetten gemakkelijk uit.

37
New cards

Wat betekent een lage compliantie?

De longen zijn stijf en moeilijk uit te zetten.

38
New cards

Hoe verandert de compliantie bij emfyseem?

Ze neemt toe door verlies van elastische vezels.

39
New cards

Hoe verandert de compliantie bij longfibrose?

Ze neemt af doordat de longen stijver worden.

40
New cards

Wat is de functionele residuele capaciteit (FRC)?

De hoeveelheid lucht die na een normale uitademing in de longen achterblijft.

41
New cards

Waarom is surfactant belangrijk?

Het verlaagt de oppervlaktespanning en voorkomt het dichtklappen van alveoli.

42
New cards

Welke stof produceert surfactant?

Type II pneumocyten.

43
New cards

Wat is alveolaire ventilatie?

De hoeveelheid verse lucht die de alveoli bereikt per tijdseenheid.

44
New cards

Wat is het doel van alveolaire ventilatie?

Optimale zuurstofopname en koolstofdioxide-afgifte.

45
New cards

Welke factoren bepalen de alveolaire ventilatie?

Ademfrequentie, ademteugvolume en doderuimte.

46
New cards

Wat is anatomische doderuimte?

Het deel van de luchtwegen waar geen gasuitwisseling plaatsvindt.

47
New cards

Wat is weerstand in de luchtwegen afhankelijk van?

straal, viscositeit en de lengte

48
New cards

Waar is de grootste weerstand in de luchtwegen

In de middelgrote bronchi. Perifeer neemt de totale weerstand juist af doordat de vele kleine luchtwegen parallel geschakeld zijn (groot oppervlak). --> trompetmodel

49
New cards

Wat gebeurt er met de weerstand bij astma

Bronchiconstrictie --> weerstand neemt toe

50
New cards

waar is de mate van luchtwegvernauwing afhankelijk van

Elastische retractie van alveolaire aanhechting

Dikte en stijfheid van de bronchilaire wand

Spierspasme

Anatomie binnen de spierlaag

51
New cards

Hoe werkt de intrapleurale druk

bepaald hoe ver de alveoli open staan. hoe negatiever de druk hoe meer de alveoli openstaan.

De alveoli in de apex zijn groter dan in de basis. Dus onderinrelatief meer een shunt en bovenin meer dode ruimte.

52
New cards

Wat is het Bohr effect

Het Bohr-effect is het verschijnsel dat hemoglobine minder zuurstof bindt wanneer de concentratie CO₂ stijgt of de pH daalt (het bloed wordt zuurder). Daardoor geeft hemoglobine gemakkelijker zuurstof af aan actieve weefsels die veel CO₂ produceren.

53
New cards

Wat zijn de vier oorzaken van hypoexmie

Alveolaire hypoventilatie: er is onvolvoende verse lucht. De P (A-a) O2 is normaal. Extra zuurstof toendienen kan helpen.

Diffusiesstoornis: de barrière is te dik of klein en zuurstof wordt niet voldoende naar het bloed getransporteerd met een verhoogd P(A-a)O2 als gevolg. Extra zuurstof kan helpen

Anatomische shunt P(A-a)02 is verhoogd en extra zuurstof heeft matig effect

Fysiologisch shunt P(A-a)02 is verhoogd en extra zuurstof heeft matig/zeer matig effect

54
New cards

Hoe wordt de adem regulatie

Centrale chemorecepetoren in ademcentrum die reageren op PaCO2

Perifere chemoreceptoren in aortaboog en carotiden die reageren op PaO2

Respiratoire ademhalingscentrum activeert die ritme generators, die de motorneuonen aansturen die de ademhalingsspieren innerveren.

55
New cards

Wat is het kenmerk van restrictieve longziekten

Een verlaagde totale longcapaciteit

56
New cards

Van welke factoren is de cardiac output afhankelijk

Hartfrequentie

Systolische functie

Inotropie

Diastiolische functie

Lusitropie

Preload

Afterload

57
New cards

Wat is inotropie

Het vermogen om het hart stijf te houden

58
New cards

Wat is lusitropie

Het vermogen van het hart om slap te worden

59
New cards

Wat is preload

Dit is de CVD, oftewel de druk waarmee het hart zich vult

60
New cards

Wat is de afterload

dit is de MAP (mean aterial pressure) oftewel de druk waartegen het hart moeten pompen

61
New cards

Beschrijf de anatomie van het hart

Teken

62
New cards

Teken de coronair arteriën

De rechter coronairarterie (RCA) verloopt in de rechter atrioventriculaire groeve naar de achterzijde van het hart en voorziet onder andere het rechteratrium, de rechterkamer en vaak een deel van de achterwand van de linkerkamer.

De linker coronairarterie (LCA) splitst zich snel in:

de ramus interventricularis anterior (LAD), die in de voorste interventriculaire groeve naar de apex loopt;

de ramus circumflexus (LCx), die in de linker atrioventriculaire groeve naar de laterale en achterzijde van het hart loopt.

63
New cards

Hoe wordt de dominantie van het hart bepaald?

De hartdominantie wordt bepaald door welke coronairarterie de ramus interventricularis posterior (PDA) afgeeft.

Rechtsdominant (±70-85%): de PDA komt uit de rechter coronairarterie.

Linksdominant (±8-15%): de PDA komt uit de circumflex-tak van de linker coronairarterie.

Codominant (±5-20%): beide coronairarteriën dragen bij aan de bloedvoorziening van de achterwand.

Dus: hartdominantie verwijst naar welke kransslagader het grootste deel van de achterzijde van het hart van bloed voorziet.

64
New cards

Beschrijf cardiale cyclus

zie beschrijving

65
New cards

Wat EF (Ejectiefractie) en SV (Slagvolume)

Ejectiefractie = SV/EDV

SV = EDV - ESV

66
New cards

Wat is de formule voor cardiac output

CO = SV HR = (EDV - ESV) HR

67
New cards

Wat is de veneuze return (VR)

de VR is normaal gelijk aan de CO en beschrijft de veneuze flow terug naar het hart.

VR = (MAP - CVP) / SVR

68
New cards

Hoe beinvloed een verandering in preload CO en VR

CVP omhoog

CO omhoog

VR omlaag

CVP omlaag

CO omlaaf

VR omhoog

69
New cards

Hoe beinvloed een vernadering in afterload de CO en VR

MAP omhoog

CO omlaag

VR omhoog

MAP omlaag

CO omhoog

VR omlaag

70
New cards

Beschrijf verandering in de steady state

Bij een daling van de SVR stijgt aanvankelijk de flow door het systeem. Hierdoor neemt de VR toe, stijgt de CVP en daalt de MAP. Uiteindelijk stijgt de CO en daalt de SVR opnieuw tot een nieuwe steady state ontstaat. Meestal berust deze nieuwe balans op meerdere veranderde parameters tegelijk.

71
New cards

Door welke verandering kan het slagvolume afnemen

Verhoogde afterload --> hogere ESV

Verlaagde preload --> lagere EDV

Verminderede inotropie --> hogere ESV

Verminderde lusitropie --> lagere EDV

72
New cards

Met welke vier receptoren reguleert het lichaam cardiovasculaire status

Baroreceptoren: meten de bloeddruk

Volumereceptoren: meten het bloedvolume

Osmoreceptoren: meten de plasma-osmolariteit

Chemoreceptoren: registreren veranderingen in pO2, pCO2 en pH

73
New cards

wat is de baroreflex

het geheel van afferente en efferente banen rondom de baroreceptoren. Dit systeem werkt via negatieve feedback. Een stijging van de arteriele bloeddruk leidt tot verlaging van de hartfrequentie en vasodilatatie

74
New cards

waarop werkt ach

Acetylcholine werkt met de parasympaticus en grijpt aan op M2 receptoren

75
New cards

Waarop werkt norepinerfrine

werkt vooral op de sympaticus en grijpt aan op a1, a2, b1, b2 receptoren.

76
New cards

wat zijn vier belangrijke hormonen voor cardiovasculaire controle

Epinefrine uit de bijnier medulla

Angiotensine II en aldosteron

ANP

ADH geproduceerd via de hypothalamus-hypofyse as

77
New cards

wat doet ANP

Verhoogd gehalte ANP veroorzaakt daling van bloedvolume, CO en MAP

78
New cards

WAt doen epinefrine, angiotensine II, aldosteron en ADH

Verhogen bloedvolume, CO en arteriele druk

79
New cards

Welke twee toestanden van myosine worden onderscheiden in de cross-bridge cycle?

De weak cross-bridge state en de strong cross-bridge state.

80
New cards

Wat gebeurt er wanneer ATP aan myosine bindt?

Myosine laat actine los en komt in de weak cross-bridge state.

81
New cards

Wat veroorzaakt de overgang naar de strong cross-bridge state?

Hydrolyse van ATP en vrijlating van Pi.

82
New cards

Wat is de powerstroke?

De beweging waarbij myosine aan actine trekt nadat Pi vrijkomt.

83
New cards

Wat gebeurt er met ADP na de powerstroke?

ADP laat los van myosine

84
New cards

Wat beschrijft de Frank-Starling-relatie?

Dat een grotere vulling van het hart leidt tot een krachtigere contractie.

85
New cards

Waarom neemt de contractiekracht toe bij grotere rek van de hartspier?

Door optimale overlap van actine en myosine en verhoogde calciumgevoeligheid.

86
New cards

Wat wordt bedoeld met preload?

De rek van de ventrikel aan het einde van de diastole.

87
New cards

Wat geeft de helling van de ESPVR weer?

De contractiliteit van het hart.

88
New cards

Wat gebeurt er met de ESPVR bij een hogere contractiliteit?

De lijn wordt steiler en verschuift omhoog/naar links.

89
New cards

Wat gebeurt er met de ventriculaire compliantie bij diastolische dysfunctie?

De compliantie neemt af.

90
New cards

Wat is een veelvoorkomende oorzaak van diastolisch hartfalen?

Linkerventrikelhypertrofie door langdurige hypertensie.

91
New cards

Wat is het belangrijkste kenmerk van systolisch hartfalen?

Verminderde contractiekracht van het hart.

92
New cards

Wat is het belangrijkste kenmerk van diastolisch hartfalen?

Verminderde vulling van het hart.

93
New cards

Welke twee mechanismen kunnen tot ritmestoornissen leiden?

Abnormale impulsvorming en abnormale impulsgeleiding.

94
New cards

Waarom zijn ventriculaire ritmestoornissen vaak ernstiger dan atriale ritmestoornissen?

Omdat zij direct de pompfunctie van het hart bedreigen.

95
New cards

Wat kan het gevolg zijn van ventrikelfibrilleren?

Circulatiestilstand en plotselinge hartdood.

96
New cards

Wat is hypertrofische cardiomyopathie (HCM)?

Een aandoening waarbij de hartspier verdikt zonder duidelijke externe oorzaak.

97
New cards

Welke symptomen kunnen optreden bij HCM?

Dyspneu, pijn op de borst, syncope en ritmestoornissen. plotselinge hartdood

98
New cards

Wat is gedilateerde cardiomyopathie (DCM)?

en aandoening waarbij de ventrikels verwijden en de contractiliteit afneemt. Hierbij neemt de ejectie fractie af.

99
New cards

WAt zijn de klachten van gedilateerde cardiomyopathie

hartfalen, vermoeidheid en inspanningsintolerantie

100
New cards

wat is ARVC?

Arrhythmogenic Right Ventricular Cardiomyopathy (ARVC). Een erfelijke aandoening waarbij myocard van de rechterventrikel wordt vervangen door vet- en bindweefsel.