1/116
Flashcards in Dutch based on lecture notes about geology, geomorphology, and the hydrosphere.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Geologie
Studie van de aarde en gesteente.
Geothermische gradiënt
Temperatuurwijziging per diepteafstand.
(De continue toename van warmte met de diepte onder het aardoppervlak.)
Geothermie
Energiewinning uit warmte onder het aardoppervlak.
Seismologie
De studie van trillingen onder het aardoppervlak.
Seismische discontinuïteiten
Oppervlakken die een overgang aangeven.
Hypocentrum
De exacte locatie onder de grond waar de aardbeving begint.
Epicentrum
Locatie aan het oppervlak loodrecht boven het hypocentrum.
Moho
De grens tussen de aardkorst en de aardmantel waar het gesteente en de eigenschappen plots veranderen. (=seismische discontinuïteit)
Hydrosfeer
Aardlaag die bestaat uit zeeën en oceanen.
Lithosfeer
De harde, buitenste laag van de aarde, bestaande uit de aardkorst en het bovenste deel van de mantel.
Asthenosfeer
Aardlaag die bestaat uit gesmolten gesteente (magma) en vast gesteente.
De laag die zich bevindt tussen minimaal 30 en maximaal 700 km onder het aardoppervlak
Magma
Gesmolten gesteenten in de asthenosfeer.
Lava
Magma die het aardoppervlak bereikt dat nog niet gestold is.
Binnenmantel (mesosfeer)
Aardlaag van vaste gesteenten onder de asthenosfeer.
Aardkern
Diepste deel onder het aardoppervlak.
Buitenkern
Vloeibare aardlaag van de aardkern.
Binnenkern
Vaste aardlaag van de aardkern.
Platentektoniek
Horizontale beweging van platen.
Continentendrift
Verkeerde term voor platentektoniek, omdat de term impliceert dat alleen de continenten bewegen terwijl de oceaanbodems ook deel uitmaken van de bewegende platen.
Divergent
Platen uit elkaar, constructieve plaatrand.
Convergent
Platen tegen elkaar, destructieve plaatrand.
Transversaal (transform)
Platen langs elkaar.
Mid-oceanische rug
Een plek in de oceaan waar divergerende aardplaten uit elkaar schuiven, lava omhoog komt en stolt tot nieuwe zeebodem.
Constructieve plaatbeweging
Divergente plaatbeweging waarbij platen uit elkaar bewegen en er nieuwe lithosfeer wordt gevormd. Dit gebeurt meestal bij mid-oceanische ruggen, waar magma uit de aardmantel opstijgt en stolt, waardoor nieuwe oceanische korst ontstaat. Dit proces draagt bij aan de groei van de oceaanbodem.
Geiser
Warmwaterbron die ontstaat omdat magma lokaal dicht tegen het aardoppervlak zit.
Subductiezone
Een zone waar een aardplaat onder een andere aardplaat schuift.
Destructieve plaatbeweging
Bij elke botsing van platen worden stukken lithosfeer afgebroken.
Geologische hotspot
Locatie met actieve vulkanen die niet gerelateerd zijn aan platentektoniek.
Secundaire breuklijnen
Zijn tektonische scheuren in de lithosfeer.
Slenk
Laag stuk land dat naar beneden is gezakt omdat de aarde daar openbarst of uit elkaar schuift. (Het is een reliëfstructuur die ontstaat door het neerwaarts schuiven langs een breukvlak.)
Horst
Structuur die langs breukvlak opwaarts schuift.
Absolute tijdsbepaling
Ouderdom wordt geschat t.o.v. een referentietijd.
Relatieve tijdsbepaling
Er wordt een chronologie bepaald.
Stratografie
De studie van de gelaagdheid van de lithosfeer.
Anticline
Geplooide gesteentelaag met opwaartse structuren.
Syncline
Geplooide gesteentelaag met neerwaartse structuren.
Lithologie
De studie van de chemische samenstelling van gesteenten.
Transgressie
Stukken continent die langdurig worden overspoeld door zeeën en oceanen.
Regressie
Het verschuiven van de kustlijn richting zee.
Fossielen
Versteende restanten van organismen.
Halveringstijd
De tijd die nodig is totdat de helft van de radioactieve isotopen vervallen is.
Gidsfossiel
Een fossiel van een organisme dat in een korte periode op veel plekken leefde (helpen bij het dateren van gesteenten).
Kosmografie
Studie van het heelal.
Mineralen
De kleine, vaste, homogene elementen waaruit een gesteente is opgebouwd.
Amorf mineraal
Het mineraal heeft geen meetkundige vorm.
Kristal
Het mineraal heeft een meetkundige vorm.
Ertsen
Gesteenten die specifieke chemische elementen met een economische waarde bevatten.
Stollingsgesteenten
Gesteenten ontstaan door het stollen van magma en lava.
Sedimentaire gesteenten
Gesteenten ontstaan door het afzette op een (tijdelijke) eindbestemming.
Metamorfe gesteenten
Gesteenten ontstaan door vervorming bij zeer hoge druk en/of temperatuur.
Gesteentecyclus
Overgaan van ene naar andere gesteentegroep of zelfs omvorming tot magma.
Geomorfologie
Studie die de natuurlijke verschijningsvormen van het aardoppervlak verklaren.
Endogeen proces
Processen die vanuit de aarde zelf komen.
Exogeen proces
De actoren bevinden zich boven het aardoppervlak.
Antropogeen proces
Menselijke invloeden op het reliëf (exogeen).
Opbouwende processen
Lokaal hoogteverschil neemt toe.
Afbrekende processen
Lokaal hoogteverschil neemt af.
Verwering
Het natuurlijke proces waarbij gesteente aan het aardoppervak fragmenteert en de kleinere stukken nog min of meer ter plaatse blijven.
Erosie
Het natuurlijke proces waarbij het losse gesteente word weggenomen en verplaatst.
Sedimentatie
Neerleggen van materiaal door water, wind of ijs.
Cryoclastie
Fysische verwering waarbij steen breekt doordat water in spleten bevriest.
Exfoliatie
Fysische proces waarbij de buitenste laag van een gesteentelaag loskomt.
Karst
(Chemische proces) oplossing van kalksteen door zuur water (rijk aan CO₂).
Fysische verwering
Verwering waarbij de stof in de steen niet verandert. => cryoclastie, exfoliatie
Chemische verwering
Verwering waarbij de mineralogische samenstelling van het gesteente verandert => karst
Biologische verwering
Verwering die veroorzaakt wordt door planten of dieren zowel fysisch als chemisch.
Stalactiet
Hangende druipsteen, gevormd door chemische sedimentatie in grotten.
Stalagmiet
Staande druipsteen op de grond van grotten.
Bodem
Het verweerd gesteent bovenaan de lithosfeer, zo diep als plantenwortels.
Moedergesteente
Het onderliggende, onverweerde gesteente.
Klastische sedimentatie
Steen gemaakt van losse korrels die samen zijn gedrukt.
Grint / Grind
Korrelgrootte van meer dan 2 mm.
Zand
Korrelgrootte van 50 µm tot 2 mm.
Leem
Korrelgrootte van 2 µm tot 50 µm.
Klei
Korrelgrootte kleiner dan 2 µm.
Bodemtextuur
Verhouding van zand, leem en klei in een bodem (%) (samen = 100%).
Bodempermeabiliteit
De mate waarin de bodem water doorlaat.
Minerale voedingstoffen
De positief geladen ionen die planten uit korrels halen.
Bodemvruchtbaarheid
De mate waarin een plant toegang heeft tot die minerale voedingstoffen.
Bodemarmoede
Wanneer de bodem weinig voedingsstoffen bevat.
Ecosysteem
Een concept dat binnen een ruimte interacties omvat tussen de organismen en de niet levende ruimtelijke elementen.
Ecosysteemdiensten
Goederen en diensten waar mensen voordeel uit kunnen halen.
Producerende diensten
Leveren veelal tastbare prodcuten zoals grondstoffen, voedingsgewassen.
Regulerende diensten
Oefenen een herstelllend effect uit op deels ontregelde processen in het ecosysteem.
Culturele diensten
Verhogen het psychologisch welbevinden.
Bodemdegradatie
Wanneer een bodem aan capaciteit verliest om ecosysteemdiensten aan te bieden bv. bodemarmoede.
Hellingsproces
Erosie die veroorzaakt wordt door de zwaartekracht.
Puinkegel
Een piramidevormige structuur van losse stenen van diverse omvang.
Apex
Top van de puinkegel.
Kruipen (creep)
Het zeer langzaam helling-afwaarts bewegen van bodemmateriaal.
Fluviatale erosie
Erosie door rivieren, zowel verticaal als horizontaal.
Kloofdal
Ontstaat wanneer snelstromende rivieren zich meer verticaal zullen insnijden.
V-dal
Dal met steile, schuine en hellende wanden, door verticale en horizontale erosie => vlakbodemdal
Vlakdal
Dal die ontstaat wanneer riviererosie zich bijna uitsluitend horizontaal manifesteert.
Corrasie
Wanneer zandkorrels die in de rivier worden getransporteerd, een schurende werking hebben op rotswanden.
Rivierbocht (meander)
Rivierbocht die ontstaat omdat de rivier eenzijdig omheen een natuurlijk obstakel stroomt.
Concave oever / stootoever
Buitenbocht van een meander waar erosie optreedt.
Convexe oever / stille oever
Binnenbocht van een meander waar sedimentatie plaatsvindt.
Afgesneden meander
Sikkelvormig meer, afgesneden van de actieve rivierloop.
Alluviaal
Betrekking op sedimentatie door rivierwerking.