1/27
Een uitgebreide set flashcards over de celcyclus, de fasen van mitose en meiose, en biologische concepten zoals DNA-replicatie, kanker en genetische variatie op basis van de lesnotities.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Zygote
De ene cel, ontstaan uit de samensmelting van de kern van de zaadcel van de vader en de kern van de eicel van de moeder, waaruit alle cellen in het menselijk lichaam zijn ontstaan.
Mitose
De gewone celdeling voor groei, herstel en instandhouding, waarbij een diploïde (2n) moedercel zich splitst in twee genetisch identieke dochtercellen.
Moedercel
De cel die een deling ondergaat om nieuwe cellen te vormen.
Dochtercellen
De cellen die het resultaat zijn van een celdeling.
Diploïd (2n)
De toestand waarbij cellen evenveel en hetzelfde erfelijk materiaal hebben als de moedercel, met een dubbele set chromosomen.
Meiose (halveringsdeling)
Een speciaal delingsproces in de voortplantingsorganen waarbij een diploïde (2n) moedercel door halvering van het aantal chromosomen haploïde (n) dochtercellen laat ontstaan.
Gameten
Voortplantingscellen (eicellen en zaadcellen) die ontstaan door meiose en genetisch verschillend zijn van elkaar en de moedercel.
Haploïd (n)
De toestand waarbij cellen slechts één chromosoom van elk homoloog paar bevatten na de halveringsdeling.
Celcyclus
De volledige levensduur van een delende cel, bestaande uit de voorbereiding (interfase) en de celdeling zelf, met een gemiddelde duur van 12 tot 24 uur bij zoogdiercellen.
Interfase
De voorbereidende fase van de celcyclus bestaande uit de G1-fase, S-fase en G2-fase.
G0-fase
De 'out of cycle'-fase of rustfase waarbij een cel de celcyclus verlaat en niet meer in staat is om aan celdeling te doen.
G1-fase
De groeifase waarin de cel groter wordt door toename van cytoplasma en celstofwisseling, en een grote hoeveelheid eiwitten en nucleotiden aanmaakt.
S-fase (synthesefase)
De fase waarin de cel aan DNA-replicatie doet en het DNA verdubbelt ter voorbereiding op de komende celdeling.
G2-fase
De fase waarin het nieuwgevormde DNA wordt gecontroleerd, extra histonen en membraanmateriaal worden aangemaakt en het centriolenpaar wordt verdubbeld.
Apoptose
Geprogrammeerde celdood die optreedt wanneer DNA-schade te groot is om te repareren, bedoeld om te voorkomen dat de cel een kankercel wordt.
Klonen
Genetisch identieke nakomelingen die ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting via mitose, zoals bij bacteriën of plantenstekken.
Profase
De eerste fase van mitose waarbij chromatine condenseert tot delingschromosomen, het kernmembraan uiteenvalt en de spoelfiguur ontstaat uit microtubuli.
Metafase
De fase waarin delingschromosomen in willekeurige volgorde op één lijn in het evenaarsvlak van de cel komen te liggen.
Karyogram
Een chromosomenkaart, meestal gemaakt tijdens de metafase omdat chromosomen dan het beste zichtbaar zijn onder een lichtmicroscoop.
Anafase
De fase waarin trekdraden het delingschromosoom splitsen in twee zusterchromatiden die naar tegenovergestelde polen worden getrokken.
Telofase
De fase waarin de spoelfiguur verdwijnt, een nieuw kernmembraan wordt gevormd en chromosomen decondenseren tot chromatinevezels.
Cytokinese
De splitsing van het cytoplasma door insnoering van het celmembraan, resulterend in twee volwaardige dochtercellen.
Kankercellen
Cellen die door DNA-schade of erfelijke afwijkingen de controle over de celdeling verliezen en ongeremd blijven delen.
Tumor
Een groep cellen die ongeremd en ongecontroleerd is blijven delen.
Metastase (uitzaaiing)
De verspreiding van kankercellen naar andere plaatsen in het lichaam via het bloed of de lymfevaten.
Stamcellen
Niet-gespecialiseerde cellen die zichzelf kunnen vernieuwen via mitose en kunnen differentiëren tot specifieke celtypen zoals spier- of zenuwcellen.
Chiasma
De contactplaats tussen chromatiden van homologe delingschromosomenparen waar stukjes chromatide afbreken en worden uitgewisseld.
Crossing-over
Het proces tijdens profase 1 waarbij stukjes van chromatiden binnen een homologe chromosomenpaar worden uitgewisseld, wat zorgt voor een unieke genetische samenstelling.