Sociologische Vraagstukken 2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/187

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:13 PM on 6/17/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

188 Terms

1
New cards

HC1: Wat is demografie?

De wetenschappelijke studie van menselijke populaties, vooral hun grootte, structuur en ontwikkeling.

2
New cards

HC1: Wat is de balancing-formule voor wereldbevolking?

Populatie t+1 = populatie t + geboortes t - sterfgevallen t; migratie telt niet mee omdat het om de wereld als geheel gaat.

3
New cards

HC1: Wat is de formule voor bevolkingsgroei of -krimp van een land?

Populatie t+1 = populatie t + geboortes t - sterfgevallen t + immigratie t - emigratie t.

4
New cards

HC1: Welke factoren hebben meestal de grootste invloed op bevolkingsgroei?

Geboorte en sterfte hebben verreweg de grootste invloed; migratie is meestal kleiner.

5
New cards

Wat is het geboortecijfer?

Geboortes per 1000 inwoners per jaar

6
New cards

Wat is het sterftecijfer?

Sterfgevallen per 1000 inwoners per jaar

7
New cards

HC1: Wat is natuurlijke bevolkingsgroei?

Hoe snel een bevolking groeit of krimpt zonder migratie, uitgedrukt als percentage.

8
New cards

HC1: Wat verklaart de Eerste Demografische Transitie Theorie?

Hoe menselijke populaties tijdens modernisering veranderen van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage geboorte- en sterftecijfers.

9
New cards

HC1: Wat kenmerkt fase 1 van de demografische transitie? 4x

  • Hoge stabiele geboortecijfers

  • Hoge variabele sterftecijfers

  • Weinig technologie

  • Stabiele of heel langzaam groeiende bevolking.

10
New cards

HC1: Welke epidemiologische context hoort bij fase 1? 6x

  • Ondervoeding

  • Infectieziekten

  • Ongelukken, geweld, oorlog, pandemieën

  • Hoge kindersterfte (<6 jaar)

  • Lage levensverwachting (~30 jaar)

  • Gemiddeld aantal kinderen per vrouw: 5-6

11
New cards

HC1: Wat kenmerkt fase 2 van de demografische transitie?

Sterftecijfers dalen snel door medische, hygiënische en voedseltechnologische vooruitgang, terwijl geboortecijfers hoog blijven; snelle bevolkingsgroei.

12
New cards

HC1: Wat kenmerkt fase 3 van de demografische transitie? 4x

Geboortecijfers beginnen sterk te dalen, sterftecijfers dalen nog langzaam, en de natuurlijke bevolkingsgroei wordt bescheidener.
Er is:

  • ontwikkelde technologie

  • verhoogde calorie-inname

  • afname fysieke activiteit

  • gebruik tabak

13
New cards

HC1: Wat kenmerkt fase 4 van de demografische transitie?

Geboortecijfers zijn bijna gelijk aan sterftecijfers; de bevolking is stabiel of groeit heel langzaam.

14
New cards

HC1: Wat is een verouderende samenleving?

Een samenleving waarin een relatief groot aandeel van de bevolking oud is, doordat mensen weinig kinderen krijgen en langer leven.

15
New cards

HC1: Wat laat een populatiepiramide zien?

De bevolkingsstructuur naar leeftijdscohorten en geslacht, inclusief sporen van geboortetrends, sterfte, babybooms, oorlogen en epidemieën.

16
New cards

HC1: Wat is population aging from below?

Vergrijzing doordat geboortes dalen, waardoor de basis van de bevolkingspiramide smaller wordt.

17
New cards

HC1: Wat is population aging from above?

Vergrijzing doordat sterfte op oudere leeftijd daalt, waardoor de top van de bevolkingspiramide breder wordt.

18
New cards

HC1: Wat is bevolkingsmomentum?

De vertraging waardoor een bevolking nog blijft groeien nadat vruchtbaarheid is gedaald, omdat er veel jonge mensen zijn die nog kinderen kunnen krijgen.

19
New cards

HC1: Wat is de age-dependency ratio (ADR)?

De verhouding tussen afhankelijken jonger dan 15 en ouder dan 65 ten opzichte van mensen van 15-64 jaar.

20
New cards

HC1: Wat is demografisch dividend?

Een periode van snelle economische groei doordat de beroepsbevolking relatief groot is ten opzichte van afhankelijke leeftijdsgroepen.

21
New cards

HC1: Waarom is veranderende leeftijdsopbouw belangrijk voor beleid?

Omdat het gevolgen heeft voor voorzieningen, pensioenen, zorgkosten, woningmarkt en de draagkracht van de werkende bevolking.

22
New cards

Literatuur W1: Wat is volgens Bongaarts de kern van demografische transitie?

Een daling van sterfte gevolgd door een daling van vruchtbaarheid leidt tijdelijk tot snelle bevolkingsgroei en daarna tot stabilisatie.

23
New cards

Literatuur W1: Welke drie krachten houden bevolkingsgroei volgens Bongaarts gaande?

Hoge vruchtbaarheid, dalende sterfte en bevolkingsmomentum.

24
New cards

Literatuur W1: Wat benadrukt Vallin over het einde van de demografische transitie?

Het einde van de transitie betekent niet het einde van de gevolgen; vergrijzing, momentum en ongelijkheid blijven grote vraagstukken.

25
New cards

Literatuur W1: Wat bedoelt Vallin met vergrijzing van onderaf en van bovenaf?

Van onderaf: minder geboortes. Van bovenaf: minder sterfte op hoge leeftijd.

26
New cards

Literatuur W1: Welke beleidsprioriteiten noemt Vallin? 4x

  • Ontwikkeling van armste regio’s

  • Aanpassing aan vergrijzing

  • Stimulering van vruchtbaarheid waar die te laag is

  • beter benutten van migratie.

27
New cards

HC2: Wat is vruchtbaarheid op individueel niveau?

Het natuurlijke vermogen van een persoon of paar om kinderen te verwekken en te baren.

28
New cards

HC2: Wat is vruchtbaarheid per land?

Het algehele voortplantingsvermogen van een bevolking, meestal gemeten via het totale vruchtbaarheidscijfer (TFR).

29
New cards

HC2: Wat is het totale vruchtbaarheidscijfer (TFR)?

Het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw tijdens haar leven krijgt volgens de huidige leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidsratio’s.

30
New cards

HC2: Wat betekent een TFR van 2,1?

Het vervangingsniveau in ontwikkelde landen: het aantal kinderen per vrouw nodig om de bevolkingsomvang stabiel te houden zonder migratie.

31
New cards

HC2: Wat betekent een TFR lager dan 2,1? 4x

  • Vergrijzing

  • Krimpende beroepsbevolking

  • Druk op pensioen en zorg

  • En mogelijke bevolkingsdaling.

32
New cards

HC2: Wat betekent een TFR hoger dan 2,1?

Bevolkingsgroei, jonge leeftijdsopbouw, mogelijk demografisch dividend, maar ook druk op onderwijs, zorg, voedsel en ruimte.

33
New cards

HC2: Welke factoren beïnvloeden vruchtbaarheid? 6x

  • Biologische factoren (leeftijd, gezondheid)

  • Persoonlijke voorkeuren (waarden, attitudes)

  • Economisch factoren (opleidingsniveau, inkomen)

  • Culturele factoren (religie)

  • Beleidsfactoren (verlofregelingen, kinderopvang)

  • Technologische factoren (anticonceptie)

34
New cards

HC2: Wat verklaart de eerste demografische transitie rond vruchtbaarheid?

Door dalende sterfte en modernisering (lonen omhoog, vrouwen naar school, kinderarbeid) investeren ouders meer in kwaliteit in plaats van kwantiteit van kinderen.

35
New cards

HC2: Wat is Beckers economische verklaring voor lagere vruchtbaarheid?

Ouders maken een kosten-batenafweging en kiezen vaker voor minder kinderen met meer investering per kind.

36
New cards

HC2: Wat is de paradox tussen welvaart en vruchtbaarheid?

Welvaart veroorzaakte de eerste vruchtbaarheidsdaling, maar slechte economische omstandigheden kunnen de daling versterken doordat mensen door economische onzekerheid kinderen uitstellen.

37
New cards

Wat zijn macro-factoren die bij vruchtbaarheid en economische omstandigheden spelen?

Recessie, hoge werkloosheid, pandemie

38
New cards

Wat zijn micro-factoren die bij vruchtbaarheid en economische omstandigheden spelen?

Werkeloosheid, tijdelijke contracten/angst baan te verliezen

39
New cards

Wat was een opvallende verandering in vruchtbaarheid in de Eerste Demografische Transitie? Wat houdt dit in?

  • Baby boom - jaren ‘50 en ‘60

Na de tweede wereldoorlog traditionele rolverdeling: man kostwinner, vrouw huisvrouw en moeder → veel baby’s

40
New cards

HC2: Wat betekent baby bust vanaf de jaren 70?

Toename van kinderloosheid en uitstel van kinderen, waardoor vruchtbaarheid sterk daalde.

41
New cards

Wat veranderde er allemaal in de jaren 70?

  • Grotere nadruk op individualiteit, autonomie, zelfontwikkeling, psychologische welbevinden en persoonlijke vrijheid van meningsuiting.

  • Verandering in levensstijl, inclusief verandering in reproductiegedrag, opkomst van anticonceptiepil.

42
New cards

Wat zijn de kenmerken van de Tweede Demografische Transitie en de vruchtbaarheid?

  • Verandering seksueel gedrag

  • Uitstel trouwen en uitstel kinderen krijgen

  • Toename in arbeidsmarktparticipatie vrouwen, ongehuwd samenwonen, ongehuwd kinderen krijgen, scheidingen

> Daling in vruchtbaarheid

43
New cards

HC2: Wat is het grootste verschil tussen de eerste en tweede demografische transitie?

De eerste draait vooral om industrialisatie, modernisering en kosten-baten rond kindertal; de tweede om veranderende normen, waarden en levensstijlen.

44
New cards

HC2: Waarom leidt uitstel van kinderen vaak tot afstel?

Er blijven minder vruchtbare jaren over, de kans op onvruchtbaarheid stijgt, en andere levensdoelen kunnen belangrijker worden.

45
New cards

Wat ontstaat er door de uitstel van kinderen krijgen? Wat is hier ook aan de hand? Wat is het gevolg hiervan?

Een gat tussen het aantal kinderen gekregen en voorgenomen. Nieuwe technologieën kunnen een deel van dit gat repareren. Ethische dilemma’s (oma’s zwanger).

46
New cards

Wat zijn micro-verklaringen voor de afname van het traditionele kostwinnermodel?

  • Kosten-baten analyse

  • Kinderen moeten concurreren met andere doelen/betaald werk (waar vrouwen hun tijd aan besteden)

  • Kinderen krijgen en opvoeden kost geld

47
New cards

HC2: Wat zijn directe en indirecte kosten van kinderen krijgen en opvoeden?

Directe kosten zijn uitgaven zoals voedsel en opleiding; indirecte kosten zijn gemiste inkomsten en carrièremogelijkheden.

48
New cards

Wat is ‘opportuninity costs of chilbearing’?

Indirecte kosten: bijv. verlies van inkomsten/carrièrekansen

49
New cards

Hoe kunnen instituties een rol spelen door werk-privé conflict te verminderen?

Kinderopvang, zwangerschaps- en ouderschapsverlof, flexibele werkomstandigheden

50
New cards

HC2: Via welke drie mechanismen kan familiebeleid vruchtbaarheid beïnvloeden?

Door directe kosten, indirecte kosten en voorkeuren of normen van mensen te beïnvloeden.

51
New cards

Hoe reageert beleid op (zeer) lage vruchtbaarheid?

Ondersteunen van werkende ouders, hervormen van instituties om aan te passen aan vergrijzende samenleving

52
New cards

HC2: Wat stelt Peter McDonald over gendergelijkheid en lage vruchtbaarheid?

Als gendergelijkheid groeit in onderwijs en arbeidsmarkt maar achterblijft in het gezin, daalt vruchtbaarheid tot zeer lage niveaus.

53
New cards

HC2: Waarom is lage vruchtbaarheid vooral in rijke landen een probleem? 4x

  • Door extreme vergrijzing

  • minder werkenden per gepensioneerde

  • druk op verzorgingsstaten

  • mogelijke economische stagnatie.

54
New cards

Wat is de TFR van Zuid-Korea?

~0,7

55
New cards

Literatuur W2: Wat laat Beets zien over kleinere gezinnen in Nederland?

Nederland ging van grote gezinnen naar kleine gezinnen, één-kindgezinnen en kinderloosheid door effectieve geboorteregeling en bewuste gezinsplanning.

56
New cards

Literatuur W2: Wat betekent de scheiding tussen seksueel en reproductief gedrag?

Door anticonceptie en abortus leidt seks niet automatisch meer tot voortplanting; kinderen krijgen werd een bewuste keuze.

57
New cards

Literatuur W2: Wat bedoelen Morgan & Taylor met timing en quantum?

Timing gaat over het moment waarop mensen kinderen krijgen; quantum gaat over het uiteindelijke aantal kinderen dat ze krijgen.

58
New cards

Literatuur W2: Hoe drukt postponering het TFR-cijfer?

Uitstel verlaagt het jaarlijkse TFR tijdelijk, zelfs als het uiteindelijke gewenste kindertal gelijk blijft.

59
New cards

Literatuur W2: Welke drie mechanismen maken van uitstel vaak afstel volgens Morgan & Taylor?

Minder jaren met zwangerschapsrisico, lagere biologische vruchtbaarheid op latere leeftijd en bijstelling van kinderwensen door concurrerende doelen.

60
New cards

Literatuur W2: Wat zijn proximate determinants van lage vruchtbaarheid?

Directe factoren zoals timing, intenties, ongewenste zwangerschappen, genderwens, verminderde vruchtbaarheid en concurrerende doelen.

61
New cards

Literatuur W2: Wat is de feministische paradox bij McDonald?

In ontwikkelde landen kan veel gelijkheid in publieke instituties samen met ongelijkheid binnen het gezin leiden tot zeer lage vruchtbaarheid.

62
New cards

HC3: Welke twee verklaringslijnen staan centraal bij relaties en huishoudens?

Economic change en ideological change: geld maakt keuzes mogelijk, cultuur maakt keuzes denkbaar en acceptabel.

63
New cards

HC3: Waarom is het monogame huwelijk volgens SDT op zijn retour?

Door culturele verandering: minder materiële noodzaak, meer zelfontplooiing, postmateriële waarden en deïnstitutionalisering van het huwelijk.

64
New cards

HC3: Wat is Lesthaeghes kernargument over EDT versus SDT?

EDT rationaliseert vruchtbaarheid binnen een traditioneel gezinsmodel; SDT maakt het traditionele gezinsmodel zelf onderhandelbaar.

65
New cards

HC3: Wat gebeurde er met de huwelijksleeftijd tijdens EDT en SDT?

Tijdens EDT daalde de leeftijd bij het eerste huwelijk; tijdens SDT steeg deze weer door onderwijs, autonomie en later settelen.

66
New cards

HC3: Wat gebeurde er met samenwonen tijdens EDT en SDT?

Tijdens EDT werd samenwonen institutioneel teruggedrongen; tijdens SDT nam samenwonen toe en werd het normaler, trouwen nam af.

67
New cards

HC3: Wat gebeurde er met scheiding tijdens EDT en SDT?

Tijdens EDT was scheiding moeilijk en streng gereguleerd; tijdens SDT liberaliseerde scheiding en nam deze toe.

68
New cards

HC3: Wat betekent dat huwelijk en vruchtbaarheid ontkoppeld raken?

Kinderen krijgen wordt minder afhankelijk van het huwelijk; buitenechtelijke geboorten en samenwonen met kinderen nemen toe.

69
New cards

HC3: Welke vier theorieën gebruikt Ishizuka rond geld en samenwonen?

Specialisatie en afhankelijkheid, male breadwinner norm, family stress model en marriage bar.

70
New cards

HC3: Wat is de verwachting bij specialisatie en afhankelijkheid in bij relaties?

Partners die zich specialiseren kunnen de relatie versterken; financiële afhankelijkheid kan partners ook dwingen samen te blijven.

71
New cards

Wat meet, vindt en ontdekt Ishizuka over specialisatie en afhankelijkheid?

Eén partner werkt meer uren (specialisatie van één partner in werk, andere in huishouden) → geen lagere scheidingskans.

Eén partner verdient meer → geen lagere scheidingskans, eerder hoger.

72
New cards

HC3: Wat zegt Ishizuka over de male breadwinner norm ?

Het is goed voor de relatie als de man fulltime werkt en het kan spanningen geven als de vrouw meer verdient.

73
New cards

HC3: Wat houdt de male breadwinner norm in?

De maatschappelijke verwachting dat mannen financieel de hoofdverantwoordelijke zijn binnen het gezin.

74
New cards

Wat zijn de bevindingen van Ishizuka over de Male Breadwinner norm en emancipatie?

Man werkt fulltime → geen effect op scheiden of trouwen.

Vrouw werkt fulltime → geen effect op scheiden of trouwen.

Vrouw verdient meer dan man → geen effect op scheiden of trouwen.

75
New cards

Wat is het Family Stress Model?

Het idee dat economische druk indirect invloed heeft op relaties, doordat geldzorgen stress veroorzaken binnen het gezin.

76
New cards

HC3: Wat stelt Ishizuka bij het Family Stress Model bij samenwonen en trouwen?

Meer geld verlaagt stress, vergroot relatiestabiliteit en vermindert praktische barrières om te trouwen.

77
New cards

Wat zijn de bevindingen van Ishizuka over het Family Stress Model?

Hoger gezamenlijk inkomen → iets lagere kans op scheiden.

Hoger gezamenlijk inkomen → geen hogere kans op trouwen.

78
New cards

Wat is de Marriage Bar?

Het idee dat trouwen pas aantrekkelijk of haalbaar wordt als een koppel genoeg economische zekerheid heeft.

79
New cards

HC3: Wat is veracht Ishizuka bij de marriage bar?

Het huwelijk geldt als symbolische mijlpaal waarvoor koppels financieel en praktisch ‘klaar’ moeten zijn, zoals met werk, geld en woning.

80
New cards

Wat zijn de bevindingen van Ishizuka bij de Marriage Bar?

Hoger inkomen tot de “bar” → grotere kans op trouwen.

Meer bezittingen, zoals huis of auto → grotere kans op trouwen.

81
New cards

HC3: Welke nieuwe relatievormen passen bij diversificatie?

Samengestelde gezinnen, LAT-relaties, huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht, solo-ouderschap, single zijn, open relaties en polyamorie.

82
New cards

HC3: Welke twee mechanismen verklaren culturele verandering in homoacceptatie?

Cohort replacement en attitude change.

83
New cards

HC3: Wat is cohort replacement?

Oudere generaties worden langzaam vervangen door jongere generaties met andere ideeën of gedrag.

84
New cards

HC3: Wat is attitude change?

Culturele verandering doordat mensen zelf tijdens hun leven van mening veranderen door ervaringen, contacten en maatschappelijke debatten.

85
New cards

HC3: Wat concludeerden Kranjac & Wagmiller over homoacceptatie in de VS?

De acceptatie steeg sterk; vooral na 2002 was individuele attitudeverandering belangrijker dan alleen cohortvervanging.

86
New cards

Waarom zijn datingapps in lijn met de TDT?

De-institutionalisering van relaties en nadruk op persoonlijke keuze.

87
New cards

Waar zijn mannen meer tot aangetrokken? En vrouwen?

Jeugdigheid, causal contact (minder selectief). Status/geld binding (meer selectief)

88
New cards

Literatuur W3: Wat is volgens Lesthaeghe het fundamentele verschil tussen EDT en SDT?

In EDT staat het kind centraal; in SDT staat zelfontplooiing van volwassenen centraal en wordt ouderschap een keuze voor zelfverwerkelijking.

89
New cards

Literatuur W3: Welke vier revoluties horen bij SDT volgens Lesthaeghe?

De anticonceptierevolutie, seksuele revolutie, genderrevolutie en autoriteitsrevolutie.

90
New cards

Literatuur W3: Wat betekent primacy of individual choice in SDT?

Individuele keuze staat centraal: mensen wegen af of relaties, huwelijk of kinderen bijdragen aan hun eigen welzijn en zelfontplooiing.

91
New cards

Literatuur W3: Wat laat Ishizuka zien over economische fundamenten van samenwonende koppels?

Geld, werk, gendernormen en ideeën over ‘klaar zijn’ bepalen of samenwoners trouwen, samenblijven of uit elkaar gaan.

92
New cards

Literatuur W3: Welke reframing bevorderde acceptatie van relaties van hetzelfde geslacht?

Het debat verschoof van religie en moraliteit naar burgerrechten, gelijke rechten en persoonlijke vrijheden.

93
New cards

HC4: Wat is children’s diverging destinies?

Het idee dat levenskansen van kinderen uit verschillende sociaaleconomische achtergronden verder uit elkaar groeien doordat hulpbronnen van ouders ongelijker worden verdeeld naar sociaaleconomische klasse.

94
New cards

HC4: Welke vier ouderlijke hulpbronnen hangen samen met diverging destinies?

Leeftijd van de moeder, financiële hulpbronnen van moeders, alleenstaand ouderschap en betrokkenheid van vaders.

95
New cards

HC4: Wat is assortative mating?

De neiging om een partner te kiezen die sociaaleconomisch op jezelf lijkt, bijvoorbeeld qua opleidingsniveau, waardoor ongelijkheid zich concentreert per huishouden.

96
New cards

HC4: Waarom vergroot assortative mating ongelijkheid?

Hulpbronnen stapelen zich op in sommige huishoudens, terwijl andere huishoudens juist minder middelen hebben.

97
New cards

HC4: Hoe werkt de SDT ongelijk uit voor kinderen?

Positieve veranderingen zoals latere moederschap en werkende moeders komen vaker voor in hogere klassen; negatieve veranderingen zoals alleenstaand ouderschap vaker in lagere klassen.

98
New cards

HC4: Welke vier factoren noemt McLanahan als verklaring voor diverging destinies?

Toename feminisme, betrouwbare en goedkope anticonceptie, slechtere arbeidsmarktkansen voor praktisch geschoolde mannen en meer overheidssteun voor ongehuwde vrouwen.

99
New cards

HC4: Welke drie mechanismen produceren klasseverschillen intergenerationeel?

Family Stress Model, Family Investment Model en culturele verschillen in opvoedgedrag.

100
New cards

HC4: Wat is het Family Stress Model (FSM)?

Armoede creëert stress, wat het gedrag en emotionele functioneren van ouders beïnvloedt en daardoor de ontwikkeling van kinderen schaadt.