1/187
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
HC1: Wat is demografie?
De wetenschappelijke studie van menselijke populaties, vooral hun grootte, structuur en ontwikkeling.
HC1: Wat is de balancing-formule voor wereldbevolking?
Populatie t+1 = populatie t + geboortes t - sterfgevallen t; migratie telt niet mee omdat het om de wereld als geheel gaat.
HC1: Wat is de formule voor bevolkingsgroei of -krimp van een land?
Populatie t+1 = populatie t + geboortes t - sterfgevallen t + immigratie t - emigratie t.
HC1: Welke factoren hebben meestal de grootste invloed op bevolkingsgroei?
Geboorte en sterfte hebben verreweg de grootste invloed; migratie is meestal kleiner.
Wat is het geboortecijfer?
Geboortes per 1000 inwoners per jaar
Wat is het sterftecijfer?
Sterfgevallen per 1000 inwoners per jaar
HC1: Wat is natuurlijke bevolkingsgroei?
Hoe snel een bevolking groeit of krimpt zonder migratie, uitgedrukt als percentage.
HC1: Wat verklaart de Eerste Demografische Transitie Theorie?
Hoe menselijke populaties tijdens modernisering veranderen van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage geboorte- en sterftecijfers.
HC1: Wat kenmerkt fase 1 van de demografische transitie? 4x
Hoge stabiele geboortecijfers
Hoge variabele sterftecijfers
Weinig technologie
Stabiele of heel langzaam groeiende bevolking.
HC1: Welke epidemiologische context hoort bij fase 1? 6x
Ondervoeding
Infectieziekten
Ongelukken, geweld, oorlog, pandemieën
Hoge kindersterfte (<6 jaar)
Lage levensverwachting (~30 jaar)
Gemiddeld aantal kinderen per vrouw: 5-6
HC1: Wat kenmerkt fase 2 van de demografische transitie?
Sterftecijfers dalen snel door medische, hygiënische en voedseltechnologische vooruitgang, terwijl geboortecijfers hoog blijven; snelle bevolkingsgroei.
HC1: Wat kenmerkt fase 3 van de demografische transitie? 4x
Geboortecijfers beginnen sterk te dalen, sterftecijfers dalen nog langzaam, en de natuurlijke bevolkingsgroei wordt bescheidener.
Er is:
ontwikkelde technologie
verhoogde calorie-inname
afname fysieke activiteit
gebruik tabak
HC1: Wat kenmerkt fase 4 van de demografische transitie?
Geboortecijfers zijn bijna gelijk aan sterftecijfers; de bevolking is stabiel of groeit heel langzaam.
HC1: Wat is een verouderende samenleving?
Een samenleving waarin een relatief groot aandeel van de bevolking oud is, doordat mensen weinig kinderen krijgen en langer leven.
HC1: Wat laat een populatiepiramide zien?
De bevolkingsstructuur naar leeftijdscohorten en geslacht, inclusief sporen van geboortetrends, sterfte, babybooms, oorlogen en epidemieën.
HC1: Wat is population aging from below?
Vergrijzing doordat geboortes dalen, waardoor de basis van de bevolkingspiramide smaller wordt.
HC1: Wat is population aging from above?
Vergrijzing doordat sterfte op oudere leeftijd daalt, waardoor de top van de bevolkingspiramide breder wordt.
HC1: Wat is bevolkingsmomentum?
De vertraging waardoor een bevolking nog blijft groeien nadat vruchtbaarheid is gedaald, omdat er veel jonge mensen zijn die nog kinderen kunnen krijgen.
HC1: Wat is de age-dependency ratio (ADR)?
De verhouding tussen afhankelijken jonger dan 15 en ouder dan 65 ten opzichte van mensen van 15-64 jaar.
HC1: Wat is demografisch dividend?
Een periode van snelle economische groei doordat de beroepsbevolking relatief groot is ten opzichte van afhankelijke leeftijdsgroepen.
HC1: Waarom is veranderende leeftijdsopbouw belangrijk voor beleid?
Omdat het gevolgen heeft voor voorzieningen, pensioenen, zorgkosten, woningmarkt en de draagkracht van de werkende bevolking.
Literatuur W1: Wat is volgens Bongaarts de kern van demografische transitie?
Een daling van sterfte gevolgd door een daling van vruchtbaarheid leidt tijdelijk tot snelle bevolkingsgroei en daarna tot stabilisatie.
Literatuur W1: Welke drie krachten houden bevolkingsgroei volgens Bongaarts gaande?
Hoge vruchtbaarheid, dalende sterfte en bevolkingsmomentum.
Literatuur W1: Wat benadrukt Vallin over het einde van de demografische transitie?
Het einde van de transitie betekent niet het einde van de gevolgen; vergrijzing, momentum en ongelijkheid blijven grote vraagstukken.
Literatuur W1: Wat bedoelt Vallin met vergrijzing van onderaf en van bovenaf?
Van onderaf: minder geboortes. Van bovenaf: minder sterfte op hoge leeftijd.
Literatuur W1: Welke beleidsprioriteiten noemt Vallin? 4x
Ontwikkeling van armste regio’s
Aanpassing aan vergrijzing
Stimulering van vruchtbaarheid waar die te laag is
beter benutten van migratie.
HC2: Wat is vruchtbaarheid op individueel niveau?
Het natuurlijke vermogen van een persoon of paar om kinderen te verwekken en te baren.
HC2: Wat is vruchtbaarheid per land?
Het algehele voortplantingsvermogen van een bevolking, meestal gemeten via het totale vruchtbaarheidscijfer (TFR).
HC2: Wat is het totale vruchtbaarheidscijfer (TFR)?
Het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw tijdens haar leven krijgt volgens de huidige leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidsratio’s.
HC2: Wat betekent een TFR van 2,1?
Het vervangingsniveau in ontwikkelde landen: het aantal kinderen per vrouw nodig om de bevolkingsomvang stabiel te houden zonder migratie.
HC2: Wat betekent een TFR lager dan 2,1? 4x
Vergrijzing
Krimpende beroepsbevolking
Druk op pensioen en zorg
En mogelijke bevolkingsdaling.
HC2: Wat betekent een TFR hoger dan 2,1?
Bevolkingsgroei, jonge leeftijdsopbouw, mogelijk demografisch dividend, maar ook druk op onderwijs, zorg, voedsel en ruimte.
HC2: Welke factoren beïnvloeden vruchtbaarheid? 6x
Biologische factoren (leeftijd, gezondheid)
Persoonlijke voorkeuren (waarden, attitudes)
Economisch factoren (opleidingsniveau, inkomen)
Culturele factoren (religie)
Beleidsfactoren (verlofregelingen, kinderopvang)
Technologische factoren (anticonceptie)
HC2: Wat verklaart de eerste demografische transitie rond vruchtbaarheid?
Door dalende sterfte en modernisering (lonen omhoog, vrouwen naar school, kinderarbeid) investeren ouders meer in kwaliteit in plaats van kwantiteit van kinderen.
HC2: Wat is Beckers economische verklaring voor lagere vruchtbaarheid?
Ouders maken een kosten-batenafweging en kiezen vaker voor minder kinderen met meer investering per kind.
HC2: Wat is de paradox tussen welvaart en vruchtbaarheid?
Welvaart veroorzaakte de eerste vruchtbaarheidsdaling, maar slechte economische omstandigheden kunnen de daling versterken doordat mensen door economische onzekerheid kinderen uitstellen.
Wat zijn macro-factoren die bij vruchtbaarheid en economische omstandigheden spelen?
Recessie, hoge werkloosheid, pandemie
Wat zijn micro-factoren die bij vruchtbaarheid en economische omstandigheden spelen?
Werkeloosheid, tijdelijke contracten/angst baan te verliezen
Wat was een opvallende verandering in vruchtbaarheid in de Eerste Demografische Transitie? Wat houdt dit in?
Baby boom - jaren ‘50 en ‘60
Na de tweede wereldoorlog traditionele rolverdeling: man kostwinner, vrouw huisvrouw en moeder → veel baby’s
HC2: Wat betekent baby bust vanaf de jaren 70?
Toename van kinderloosheid en uitstel van kinderen, waardoor vruchtbaarheid sterk daalde.
Wat veranderde er allemaal in de jaren 70?
Grotere nadruk op individualiteit, autonomie, zelfontwikkeling, psychologische welbevinden en persoonlijke vrijheid van meningsuiting.
Verandering in levensstijl, inclusief verandering in reproductiegedrag, opkomst van anticonceptiepil.
Wat zijn de kenmerken van de Tweede Demografische Transitie en de vruchtbaarheid?
Verandering seksueel gedrag
Uitstel trouwen en uitstel kinderen krijgen
Toename in arbeidsmarktparticipatie vrouwen, ongehuwd samenwonen, ongehuwd kinderen krijgen, scheidingen
> Daling in vruchtbaarheid
HC2: Wat is het grootste verschil tussen de eerste en tweede demografische transitie?
De eerste draait vooral om industrialisatie, modernisering en kosten-baten rond kindertal; de tweede om veranderende normen, waarden en levensstijlen.
HC2: Waarom leidt uitstel van kinderen vaak tot afstel?
Er blijven minder vruchtbare jaren over, de kans op onvruchtbaarheid stijgt, en andere levensdoelen kunnen belangrijker worden.
Wat ontstaat er door de uitstel van kinderen krijgen? Wat is hier ook aan de hand? Wat is het gevolg hiervan?
Een gat tussen het aantal kinderen gekregen en voorgenomen. Nieuwe technologieën kunnen een deel van dit gat repareren. Ethische dilemma’s (oma’s zwanger).
Wat zijn micro-verklaringen voor de afname van het traditionele kostwinnermodel?
Kosten-baten analyse
Kinderen moeten concurreren met andere doelen/betaald werk (waar vrouwen hun tijd aan besteden)
Kinderen krijgen en opvoeden kost geld
HC2: Wat zijn directe en indirecte kosten van kinderen krijgen en opvoeden?
Directe kosten zijn uitgaven zoals voedsel en opleiding; indirecte kosten zijn gemiste inkomsten en carrièremogelijkheden.
Wat is ‘opportuninity costs of chilbearing’?
Indirecte kosten: bijv. verlies van inkomsten/carrièrekansen
Hoe kunnen instituties een rol spelen door werk-privé conflict te verminderen?
Kinderopvang, zwangerschaps- en ouderschapsverlof, flexibele werkomstandigheden
HC2: Via welke drie mechanismen kan familiebeleid vruchtbaarheid beïnvloeden?
Door directe kosten, indirecte kosten en voorkeuren of normen van mensen te beïnvloeden.
Hoe reageert beleid op (zeer) lage vruchtbaarheid?
Ondersteunen van werkende ouders, hervormen van instituties om aan te passen aan vergrijzende samenleving
HC2: Wat stelt Peter McDonald over gendergelijkheid en lage vruchtbaarheid?
Als gendergelijkheid groeit in onderwijs en arbeidsmarkt maar achterblijft in het gezin, daalt vruchtbaarheid tot zeer lage niveaus.
HC2: Waarom is lage vruchtbaarheid vooral in rijke landen een probleem? 4x
Door extreme vergrijzing
minder werkenden per gepensioneerde
druk op verzorgingsstaten
mogelijke economische stagnatie.
Wat is de TFR van Zuid-Korea?
~0,7
Literatuur W2: Wat laat Beets zien over kleinere gezinnen in Nederland?
Nederland ging van grote gezinnen naar kleine gezinnen, één-kindgezinnen en kinderloosheid door effectieve geboorteregeling en bewuste gezinsplanning.
Literatuur W2: Wat betekent de scheiding tussen seksueel en reproductief gedrag?
Door anticonceptie en abortus leidt seks niet automatisch meer tot voortplanting; kinderen krijgen werd een bewuste keuze.
Literatuur W2: Wat bedoelen Morgan & Taylor met timing en quantum?
Timing gaat over het moment waarop mensen kinderen krijgen; quantum gaat over het uiteindelijke aantal kinderen dat ze krijgen.
Literatuur W2: Hoe drukt postponering het TFR-cijfer?
Uitstel verlaagt het jaarlijkse TFR tijdelijk, zelfs als het uiteindelijke gewenste kindertal gelijk blijft.
Literatuur W2: Welke drie mechanismen maken van uitstel vaak afstel volgens Morgan & Taylor?
Minder jaren met zwangerschapsrisico, lagere biologische vruchtbaarheid op latere leeftijd en bijstelling van kinderwensen door concurrerende doelen.
Literatuur W2: Wat zijn proximate determinants van lage vruchtbaarheid?
Directe factoren zoals timing, intenties, ongewenste zwangerschappen, genderwens, verminderde vruchtbaarheid en concurrerende doelen.
Literatuur W2: Wat is de feministische paradox bij McDonald?
In ontwikkelde landen kan veel gelijkheid in publieke instituties samen met ongelijkheid binnen het gezin leiden tot zeer lage vruchtbaarheid.
HC3: Welke twee verklaringslijnen staan centraal bij relaties en huishoudens?
Economic change en ideological change: geld maakt keuzes mogelijk, cultuur maakt keuzes denkbaar en acceptabel.
HC3: Waarom is het monogame huwelijk volgens SDT op zijn retour?
Door culturele verandering: minder materiële noodzaak, meer zelfontplooiing, postmateriële waarden en deïnstitutionalisering van het huwelijk.
HC3: Wat is Lesthaeghes kernargument over EDT versus SDT?
EDT rationaliseert vruchtbaarheid binnen een traditioneel gezinsmodel; SDT maakt het traditionele gezinsmodel zelf onderhandelbaar.
HC3: Wat gebeurde er met de huwelijksleeftijd tijdens EDT en SDT?
Tijdens EDT daalde de leeftijd bij het eerste huwelijk; tijdens SDT steeg deze weer door onderwijs, autonomie en later settelen.
HC3: Wat gebeurde er met samenwonen tijdens EDT en SDT?
Tijdens EDT werd samenwonen institutioneel teruggedrongen; tijdens SDT nam samenwonen toe en werd het normaler, trouwen nam af.
HC3: Wat gebeurde er met scheiding tijdens EDT en SDT?
Tijdens EDT was scheiding moeilijk en streng gereguleerd; tijdens SDT liberaliseerde scheiding en nam deze toe.
HC3: Wat betekent dat huwelijk en vruchtbaarheid ontkoppeld raken?
Kinderen krijgen wordt minder afhankelijk van het huwelijk; buitenechtelijke geboorten en samenwonen met kinderen nemen toe.
HC3: Welke vier theorieën gebruikt Ishizuka rond geld en samenwonen?
Specialisatie en afhankelijkheid, male breadwinner norm, family stress model en marriage bar.
HC3: Wat is de verwachting bij specialisatie en afhankelijkheid in bij relaties?
Partners die zich specialiseren kunnen de relatie versterken; financiële afhankelijkheid kan partners ook dwingen samen te blijven.
Wat meet, vindt en ontdekt Ishizuka over specialisatie en afhankelijkheid?
Eén partner werkt meer uren (specialisatie van één partner in werk, andere in huishouden) → geen lagere scheidingskans.
Eén partner verdient meer → geen lagere scheidingskans, eerder hoger.
HC3: Wat zegt Ishizuka over de male breadwinner norm ?
Het is goed voor de relatie als de man fulltime werkt en het kan spanningen geven als de vrouw meer verdient.
HC3: Wat houdt de male breadwinner norm in?
De maatschappelijke verwachting dat mannen financieel de hoofdverantwoordelijke zijn binnen het gezin.
Wat zijn de bevindingen van Ishizuka over de Male Breadwinner norm en emancipatie?
Man werkt fulltime → geen effect op scheiden of trouwen.
Vrouw werkt fulltime → geen effect op scheiden of trouwen.
Vrouw verdient meer dan man → geen effect op scheiden of trouwen.
Wat is het Family Stress Model?
Het idee dat economische druk indirect invloed heeft op relaties, doordat geldzorgen stress veroorzaken binnen het gezin.
HC3: Wat stelt Ishizuka bij het Family Stress Model bij samenwonen en trouwen?
Meer geld verlaagt stress, vergroot relatiestabiliteit en vermindert praktische barrières om te trouwen.
Wat zijn de bevindingen van Ishizuka over het Family Stress Model?
Hoger gezamenlijk inkomen → iets lagere kans op scheiden.
Hoger gezamenlijk inkomen → geen hogere kans op trouwen.
Wat is de Marriage Bar?
Het idee dat trouwen pas aantrekkelijk of haalbaar wordt als een koppel genoeg economische zekerheid heeft.
HC3: Wat is veracht Ishizuka bij de marriage bar?
Het huwelijk geldt als symbolische mijlpaal waarvoor koppels financieel en praktisch ‘klaar’ moeten zijn, zoals met werk, geld en woning.
Wat zijn de bevindingen van Ishizuka bij de Marriage Bar?
Hoger inkomen tot de “bar” → grotere kans op trouwen.
Meer bezittingen, zoals huis of auto → grotere kans op trouwen.
HC3: Welke nieuwe relatievormen passen bij diversificatie?
Samengestelde gezinnen, LAT-relaties, huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht, solo-ouderschap, single zijn, open relaties en polyamorie.
HC3: Welke twee mechanismen verklaren culturele verandering in homoacceptatie?
Cohort replacement en attitude change.
HC3: Wat is cohort replacement?
Oudere generaties worden langzaam vervangen door jongere generaties met andere ideeën of gedrag.
HC3: Wat is attitude change?
Culturele verandering doordat mensen zelf tijdens hun leven van mening veranderen door ervaringen, contacten en maatschappelijke debatten.
HC3: Wat concludeerden Kranjac & Wagmiller over homoacceptatie in de VS?
De acceptatie steeg sterk; vooral na 2002 was individuele attitudeverandering belangrijker dan alleen cohortvervanging.
Waarom zijn datingapps in lijn met de TDT?
De-institutionalisering van relaties en nadruk op persoonlijke keuze.
Waar zijn mannen meer tot aangetrokken? En vrouwen?
Jeugdigheid, causal contact (minder selectief). Status/geld binding (meer selectief)
Literatuur W3: Wat is volgens Lesthaeghe het fundamentele verschil tussen EDT en SDT?
In EDT staat het kind centraal; in SDT staat zelfontplooiing van volwassenen centraal en wordt ouderschap een keuze voor zelfverwerkelijking.
Literatuur W3: Welke vier revoluties horen bij SDT volgens Lesthaeghe?
De anticonceptierevolutie, seksuele revolutie, genderrevolutie en autoriteitsrevolutie.
Literatuur W3: Wat betekent primacy of individual choice in SDT?
Individuele keuze staat centraal: mensen wegen af of relaties, huwelijk of kinderen bijdragen aan hun eigen welzijn en zelfontplooiing.
Literatuur W3: Wat laat Ishizuka zien over economische fundamenten van samenwonende koppels?
Geld, werk, gendernormen en ideeën over ‘klaar zijn’ bepalen of samenwoners trouwen, samenblijven of uit elkaar gaan.
Literatuur W3: Welke reframing bevorderde acceptatie van relaties van hetzelfde geslacht?
Het debat verschoof van religie en moraliteit naar burgerrechten, gelijke rechten en persoonlijke vrijheden.
HC4: Wat is children’s diverging destinies?
Het idee dat levenskansen van kinderen uit verschillende sociaaleconomische achtergronden verder uit elkaar groeien doordat hulpbronnen van ouders ongelijker worden verdeeld naar sociaaleconomische klasse.
HC4: Welke vier ouderlijke hulpbronnen hangen samen met diverging destinies?
Leeftijd van de moeder, financiële hulpbronnen van moeders, alleenstaand ouderschap en betrokkenheid van vaders.
HC4: Wat is assortative mating?
De neiging om een partner te kiezen die sociaaleconomisch op jezelf lijkt, bijvoorbeeld qua opleidingsniveau, waardoor ongelijkheid zich concentreert per huishouden.
HC4: Waarom vergroot assortative mating ongelijkheid?
Hulpbronnen stapelen zich op in sommige huishoudens, terwijl andere huishoudens juist minder middelen hebben.
HC4: Hoe werkt de SDT ongelijk uit voor kinderen?
Positieve veranderingen zoals latere moederschap en werkende moeders komen vaker voor in hogere klassen; negatieve veranderingen zoals alleenstaand ouderschap vaker in lagere klassen.
HC4: Welke vier factoren noemt McLanahan als verklaring voor diverging destinies?
Toename feminisme, betrouwbare en goedkope anticonceptie, slechtere arbeidsmarktkansen voor praktisch geschoolde mannen en meer overheidssteun voor ongehuwde vrouwen.
HC4: Welke drie mechanismen produceren klasseverschillen intergenerationeel?
Family Stress Model, Family Investment Model en culturele verschillen in opvoedgedrag.
HC4: Wat is het Family Stress Model (FSM)?
Armoede creëert stress, wat het gedrag en emotionele functioneren van ouders beïnvloedt en daardoor de ontwikkeling van kinderen schaadt.