1/125
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Biogeografie
Wetenschap die de ruimtelijke patronen in biologische diversiteit probeert te beschrijven en te verklaren
Actualisme
Fundamentele fysische en biologische processen zoals wij die nu in de natuur waarnemen, zijn onveranderd gebleven doorheen de tijd aangezien zij manifestaties zijn van universele wetmatigheden
Ecologische biogeografie
Accent op ecologische processen en kleine ruimtelijke en temporele schalen waarbij men zich concentreert op vragen als: Waarom komt een bepaalde groep van organismen tegenwoordig voor op een bepaalde plaats? (+ijstijden)
Historische biogeografie
Accent op evolutionaire processen over tijdspannes van miljoenen jaren en vaak op wereldschaal en zoekt een antwoord op vragen als: Hoe zij taxa en biota ontstaan, hoe hebben zij zich verspreid en waarom zijn extincties opgetreden?
Spreidingszones of mid-oceanische ruggen
Langgerekte hoger gelegen structuren op de bodem van de oceaan die ontstaan door het uit elkaar bewegen van tektonische platen
Continentale divergentie
Platen bewegen uit elkaar met als gevolg riftgebieden of slenken
Transformatiezones
Platen met ongeveer dezelfde densiteit schuiven tegen elkaar
Botsingszones of convergente plaatgrenzen
Zones van verdikking van de lithosfeer en deformatie van de aardkorst door het bij elkaar komen van tektonische platen
Subductiezone
Botsing van een dense oceanische plaat met een lichtere continentale plaat => Oceanische plaat duikt onder => Trog
Sutuurzones
Geven aan waar vroeger oceanen verdwenen en landmassa's samensmolten
Rodinia
Supercontinent dat bestond van 1100 tot 750 miljoen jaar geleden
Beringia
Landbrug tussen Alaska en Siberië
De Geer en Thulische Routes
Landbruggen tussen Noord-Amerika en Europa
Epicontinentale/epirogenetische zee
Zee die delen van continenten overspoelt
Creodonten
Uitgestorven zoogdierorde, eerste roofzoogdieren dier zich ontwikkelden na het uitsterven van de dinosaurussen
THC
Thermohaliene circulatie, temperatuur- en saliniteits-gecontroleerde densiteitscirculatie
Snowball Earth hypothese
Tussen 750 - 580 Ma trad een strenge ijstijd op (Cryogene periode). De oceanen waren volledig dichtgevroren met een ijslaag van 1 - 2 kilometers dik => Gevolgen voor biota
Runaway cooling
Eens afkoeling gestart, steeds verder afkoeling en uitbreiding ijskappen
Milankovitch cycli
Drie kenmerken van de baan van de aarde veranderen periodiek
Excentriciteit
De baan van de aarde is niet perfect cirkelvormig maar verandert van minder tot meer elliptisch omdat de aarde wordt aangetrokken door andere planeten (periodiciteit 110000 jaar). Leidt tot veranderingen in de totale hoeveelheid zonnestaling die de aarde bereikt.
Obliquiteit
De inclinatiehoek van de aarde ten opzicht van de aardas verandert van 22.1 graden tot 24.5 graden met een periode van 41000 jaar. Grotere inclinatie => grotere seizoenale verschillen in insolatie. (Kleine helling => IJskappen door koele zomers op hoge breedtegraden)
Insolatie
Incident Solar Radiation, invallende zonnestraling
Precessie
Oriëntatie van de aardas, verandert met periodiciteit van 22000 jaar. Veranderingen in de precessie verandert de oriëntatie van de aarde in relatie tot het perihelion (dichtst bij de zon) en het aphelion. Gevolg: Grotere seizoenale verschillen in temperatuur. (Omgekeerd voor andere hemisfeer)
De lijn van Wallace
Lijn die de scheiding van de biota tussen zuidoost Azië en Australië markeert
Eustatische verandering
Globale veranderingen in de zeespiegel ten gevolge van de aangroei of het afsmelten van continentale ijskappen
Isostatische verandering
Veranderingen als gevolg van het rijzen of dalen van de aardkorst ten gevolge van verschillen in gewichtsdruk door het afsmelten of aangroeien van gletsjers en ijskappen en veroorzaken lokale of relatieve veranderingen in de zeespiegel.
Stenotherme soorten
Soorten die enkele kunnen overleven in een kleine temperatuur range
Eurytherme soorten
Soorten die kunnen overleven in een grote temperatuur range
Speciatie-pomp model
Gedurende glaciale maxima evolutionaire divergentie in de verschillende zusterpopulaties in refugia. Gedurende interglacialen konden deze geïsoleerde gebieden zich terug uitbreiden. (cyclische vicariantie) => Haffer bekritiseerd
Nunataks
IJsvrije refugia die bleven bestaan in of langs ijsvelden
Overkill hypothese
Mensen zijn verantwoordelijk voor het uitroeien van de megafauna aan het eind van het Pleistoceen
Hybridenzones
Gebieden waar populaties met een verschillende herkomst en genetische structuur met elkaar in contact kwamen
Genetische divergentie
Maat voor de gemiddelde genetische afstand tussen genotypes
Genetische diversiteit
Aantal haplotypes
Biomen
Natuurlijke biotische eenheden, gekarakteriseerd door combinaties van planten- en diersoorten in climaxgemeenschappen
Woud
Gedomineerd door bomen en met een min of meer ononderbroken kruinlaag
Bosrijk gebied
Gedomineerd door min of meer verspreid staande bomen, vaak met gras gedomineerde zones ertussen of met een lage ondergroei
Struweel
Min of meer continue struiklaag, tot verschillende meters hoog
Open struweel
Open vegetatie gedomineerd door struiken
Grasland
Gedomineerd door grassen en kruiden
Woestijn
Een zeer schaarse plantenbedekking, het grootste gedeelte van de bodem is onbegroeid
Potentiële evapotranspiratie
De hoeveelheid die zou verdampen en getranspireerd worden indien er onbeperkt water beschikbaar zou zijn
Biotemperatuur
Temperatuur die vegetaties nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen
Hydrofyten
Waterplanten, planten die volledig ondergedompeld leven
Helofyt
Planten met onder water zittende wortels of knoppen
Epifyten
Planten die op levende planten groeien zonder hieraan voedsel te onttrekken
Chamaefyt
Dwergstruik, overwinteringsknoppen komen niet hoger dan 25 cm boven de grond
Fanerofyt
Overwinteringsknoppen meer dan 25 cm boven de bodem bevinden
Hemicryptofyt
Knoppen op of iets onder de grond
Geofyt/Cryptofyt
Knoppen onder de grond
Therofyt
Geen winterknoppen
Leaf area index
Bladoppervlakte gedeeld door totale oppervlakte
Roughness length
Wordt gebruikt voor het bepalen van de ruwheid van een oppervlak uit te drukken
Ecoregio's
Relatief grote landoppervlakten die een duidelijke assemblage van natuurlijke gemeenschappen bevatten, met grenzen die de oorspronkelijke verspreiding van natuurlijke gemeenschappen weergeven voor veranderingen ten gevolge van landgebruik
Bossavanne
Tropische bladverliezend woud met niet aaneensluitende kruinlaag, met een ondergroei van grassen, stuiken en kruiden
Galerijwoud
Savanne langs de oevers
Parksavanne
Combinatie van bomen, gras en lage struiken meer landinwaarts
Litorale zone
Oeverzone
Limnetische zone
Open water zone
Benthische zone
Bodem zone
Plankton
Drijvende organismen
Nekton
Vrij zwemmende organismen
Kratermeren
Meren in caldera's (komvormige kraters) nadat de magma werd uitgestoten. Soms oude vulkanen.
Cirque meren
Alpiene gletsjers schuren een bassin uit dat de vorm heeft van een amfitheater. De glaciale afzettingen (till) vormen een dam
Paternoster meren
Glaciale meren die verbonden zijn met elkaar
Fjorden
Als de terminale morene hoog genoeg is om het bassin te isoleren van de zee, wordt er een meer gevormd
Kettle meren
Blok ijs uit een morene (landschap gevormd door ijskappen) smelt af en laat een steil en diep bassin na
Isolatiemeren
Ontstaan na het afsmelten van de continentale ijskap. Door het wegvallen van de gewichtsdruk, stijgt de continentale plaat, waardoor de vrijgekomen bassins worden gevuld met zeewater. Het zeewater wordt op zijn beurt verdund of geconcentreerd, afhankelijk van de precipitatie-evaporatiebalans
Thermokarst meren
Vries-dooi cycli leiden tot bassins in regio's met een permafrost
Cryogene meren
Meren op gletsjers, ijsplaten en ijskappen
Oplossingsmeren
Gevormd door gedeeltelijk oplossing van oplosbare gesteenten (kalksteen)
Afgedamde meander
Meander afgedamd door sedimentatie- en erosieprocessen
Fens
Hoogveen, aanvoer van water via neerslag
Bogs
Laagveen, aanvoer van water over/door minerale bodems
Blanket mires en raised bogs
Op grotere hoogten in situaties waar weinig doordringbare veenlagen een hoge watertafel boven de minerale bodem veroorzaken
Trilveen
Ontstaat door het opvullen van een meerbekken met een drijvende veenmat
Lotic
Stromend water
Lentic
Stilstaand water
Epipelagische zone
Tot ongeveer 200 m diep, scherpe licht-, temperatuur- en saliniteitsgradiënt
Mesopelagische zone
200 - 1000 m diep, meer geleidelijke veranderingen, weinig seizoenale variatie in condities
Bathypelagische zone
Geen licht, lage temperatuur en hoge druk
Epifauna
Gemeenschappen op harde substraten
Infauna
Gemeenschappen ingegraven in zachte substraten
Franjeriffen
Zeewaarts groeiend op rotsige kusten
Barrièreriffen
Evenwijdig met de kust groeiend maar ervan gescheiden door ondiepe lagunes
Atollen
Hoefijzervormige riffen gevormd op een wegzinkende vulkaan met in het midden een lagune
Estuaria
Overgangszones tussen de zee en zoetwater waar zeewater wordt verdund met water afkomstig van het vasteland
Viviparie
Bij viviparie droogt het zaad aan het eind van de ontwikkeling niet uit en kiemt direct zonder kiemrust. Viviparie kan alleen optreden bij vochtrijke vruchten of als er voldoende vocht aanwezig is door regen, omdat het kiemende zaad voor de kieming en groei vocht nodig heeft.
Cladogenese
Een voorouder leidt tot het ontstaan van een of meerder afstammelingen
Anagenese
Soort evolueert tot een nieuw type organisme dat als een verschillende soort wordt beschouwd
Speciatie
Splitsing gemeenschappelijke genenpool, verschillen in dochterpopulaties worden gefixeerd en leiden tot reproductieve isolatie of andere factoren die de verschillen behouden
Genetische drift
Populaties gaan verschillen in genetische samenstelling en structuur door toevallige veranderingen in de frequentie van allelen
Cline
Graduele verandering in 1 of meerdere kenmerken langs een mileugradiënt
Vicariante gebeurtenis
Een milieuverandering veroorzaakt een dispersiebarrière
Founder effect
Individuen steken bestaande barrière over en koloniseren voordien onbewoond gebied
Perifere isolatie
Een nieuwe soort vormt zich in een populatie geïsoleerd aan de rand van het areaal van de ancestrale soort
Ringspeciatie
Het areaal bereidt zich ringvormig uit
Parapatrische speciatie
Arealen van moedersoort en soort-in-wording grenzen aan elkaar
Sympatrische speciatie
soortvorming zonder geografische isolatie
Polyploïdie
Een volledige set chromosomen wordt doorgegeven, waarbij het totale aantal verdubbelt, verdrievoudigt