Thematische woordenschat Italiaans, 14.1 (Politiek stelsel)

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/119

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

120 Terms

1
New cards

lo stato

de staat

2
New cards

territoriale

territoriaal, grond-, land-

3
New cards

il territorio

het territorium, het grondgebied

4
New cards

Lo stato ha il diritto di difendere il suo territorio.

De staat heeft het recht om zijn grondgebied te verdedigen.

5
New cards

statale

staats-, rijks-, overheids-

6
New cards

repubblicano, repubblicana

republikeins

7
New cards

la repubblica

de republiek

8
New cards

La repubblica è una forma di governo democratico molto antica.

De republiek is een hele oude democratische regeringsvorm.

9
New cards

populistico, populistica

populistisch

10
New cards

il populismo

het populisme

11
New cards

difendere (difeso)

verdedigen, beschermen

12
New cards

il popolo

het volk

13
New cards

la democrazia

de democratie

14
New cards

democratico, democratica

democratisch

15
New cards

la maggioranza

de meerderheid

16
New cards

la maggioranza parlamentare

de parlementaire meerderheid

17
New cards

la maggioranza assoluta

de absolute meerderheid

18
New cards

la minoranza

de minderheid

19
New cards

il dominio

de overheersing, de heerschappij

20
New cards

La democrazia vuol dire dominio del popolo.

Democratie betekent heerschappij van het volk.

21
New cards

la monarchia

de monarchie

22
New cards

La monarchia esiste ancora in diversi paesi europei.

De monarchie bestaat nog in verscheidene Europese landen.

23
New cards

il/la fascista

de fascist

24
New cards

fascista

fascistisch

25
New cards

il fascismo

het fascisme

26
New cards

il dittatore

de dictator

27
New cards

la dittatura

de dictatuur

28
New cards

sollevarsi

in opstand komen

29
New cards

politico, politica

politiek

30
New cards

la politica

de politiek

31
New cards

il politico, la politica

de politicus

32
New cards

l'esponente

de representant/e, vertegenwoordiger/-ster

33
New cards

spiare

bespieden, bespioneren

34
New cards

la spia

de spion/ne, de verklikker/verklikster

35
New cards

Vorrei sapere quante spie lavorano in questo ministero.

Ik wil weten hoeveel spionnen er in dit ministerie werken.

36
New cards

lo spionaggio

de spionage

37
New cards

il/la presidente

de president/e

38
New cards

Chi è ora presidente della repubblica?

Wie is er nu president van de republiek?

39
New cards

il presidente del consiglio

de minister-president, de premier

40
New cards

la guardia del corpo

de lijfwacht

41
New cards

Il presidente è accompagnato da una guardia del corpo.

De president wordt begeleid door een lijfwacht

42
New cards

il senato

de senaat, de Eerste Kamer

43
New cards

Il senato ha sede a Palazzo Madama.

De Senaat is gevestigd in Palazzo Madama.

44
New cards

avere sede in/a

gevestigd zijn in

45
New cards

il senatore/la senatrice

de senator, het Eerste Kamerlid

46
New cards

il ministero

het ministerie, het departement

47
New cards

Mi può dire per favore dov'è la sede del Ministero degli Esteri?

Kunt u mij vertellen waar de zetel van het ministerie van Buitenlandse Zaken is?

48
New cards

il/la portavoce

de woordvoerder

49
New cards

il capo del governo

de minister-president, de premier

50
New cards

il governo

de regering

51
New cards

governare

regeren

52
New cards

Per governare ci vuole maggioranza parlamentare.

Om te regeren is er parlementaire meerderheid nodig.

53
New cards

il potere

de macht, de bevoegdheid, het gezag

54
New cards

il sistema

het systeem (meervoud: i sistemi)

55
New cards

cadere

vallen, ten val komen, vervallen

56
New cards

Il governo è caduto di nuovo.

Het kabinet is alweer gevallen.

57
New cards

il governo dimissionario

het demissionair kabinet

58
New cards

la caduta

de val

59
New cards

interpellare

om opheldering/advies vragen

60
New cards

la collusione

de (geheime) overeenkomst, de onderhandse overeenkomst

61
New cards

corrotto, corrotta

corrupt, omkoopbaar

62
New cards

Secondo l'opinione pubblica questo sistema è troppo corrotto.

Volgens de publieke opinie is dit systeem te corrupt.

63
New cards

la corruzione

de corruptie, de omkoping

64
New cards

corruttibile

omkoopbaar, corrupt

65
New cards

corrompere (corrotto)

omkopen

66
New cards

il budget

de begroting, het budget

67
New cards

il ministro

de minister

68
New cards

ritirarsi da

zich terugtrekken uit

69
New cards

Dopo gli scandali delle ultime settimane il ministro si è ritirato dalla politica.

Na de schandalen van vorige week heeft de minister zich teruggetrokken uit de politiek

70
New cards

il candidato/la candidata

de kandidaat/de kandidate

71
New cards

presentare la candidatura

zich kandidaat stellen

72
New cards

candidarsi

zich kandidaat stellen, kandideren

73
New cards

pronunciarsi

zich uitspreken, zijn mening te kennen geven

74
New cards

parlamentare

parlementair, parlements-

75
New cards

il parlamento

het parlement, de volksvertegenwoordiging

76
New cards

la sede

de zetel, het hoofdkantoor

77
New cards

in sede di

tijdens

78
New cards

il dibattito

de openbare discussie, het debat

79
New cards

la Camera dei deputati

de Tweede Kamer

80
New cards

La Camera dei deputati italiana conta attualmente 630 membri.

De Italiaanse Tweede Kamer telt momenteel 630 leden.

81
New cards

la mozione di sfiducia

de motie van wantrouwen

82
New cards

l'interrogazione parlamentare

de vraag in het parlement, de kamervraag

83
New cards

l'opposizione

de oppositie

84
New cards

Il governo ha grosse difficoltà, perché l'opposizione è molto forte.

De regering heeft het heel moeilijk, want de oppositie is erg sterk.

85
New cards

il deputato/la deputata

de afgevaardigde, de gedeputeerde

86
New cards

Il parlamento italiano è composto dalla Camera dei deputati e dal Senato.

Het Italiaanse parlement bestaat uit de Tweede en de Eerste Kamer.

87
New cards

il partito

de (politieke) partij

88
New cards

In questo momento i partiti al governo sono tre.

Momenteel zitten er drie partijen in de regering

89
New cards

i verdi

de groenen

90
New cards

socialista

socialistisch

91
New cards

il/la socialista

de socialist/e

92
New cards

la femminista

de feministe

93
New cards

Non credo che darò il mio voto alle femministe.

Ik denk niet dat ik op de feministen ga stemmen

94
New cards

il femminismo

het feminisme

95
New cards

votare (per/contro)

kiezen, (voor/tegen) stemmen

96
New cards

Votare è un diritto, ma anche un obbligo civile.

Stemmen is een recht, maar ook een burgerplicht.

97
New cards

il voto

de stem, de stemming

98
New cards

il suffragio

het stemrecht, het kiesrecht

99
New cards

le elezioni

de verkiezingen

100
New cards

A chi darai il tuo voto alle prossime elezioni?

Op wie ga jij stemmen bij de volgende verkiezingen?