1/165
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Sensoriek - Waarnemen van prikkels uit het lichaam en de omgeving.
Afferent zenuwstelsel - Voert sensorische informatie naar het centraal zenuwstelsel.
Perifeer ingangsniveau - Niveau waarop receptoren prikkels opvangen.
Centraal verwerkingsniveau - Niveau waarop het CZS prikkels verwerkt.
Bewustwordingsniveau - Niveau waarop een prikkel bewust wordt ervaren.
Sensoren - Structuren die prikkels detecteren.
Receptoren - Gespecialiseerde cellen die prikkels omzetten in zenuwsignalen.
Zintuigen - Organen die prikkels registreren.
Mechanosensoren - Receptoren voor druk, aanraking, trilling of beweging.
Vrije zenuwuiteinden - Receptoren voor pijn, temperatuur en grove aanraking.
Haarreceptoren - Receptoren die beweging van haren registreren.
Lichaampje van Meissner - Receptor voor fijne aanraking.
Trilhaarcellen - Receptoren voor gehoor en evenwicht.
Thermosensoren - Receptoren voor temperatuur.
Chemosensoren - Receptoren voor chemische stoffen zoals geur en smaak.
Nocisensoren - Pijnreceptoren.
Fotosensoren - Receptoren voor licht.
Staafjes - Fotoreceptoren voor licht/donker zien.
Kegeltjes - Fotoreceptoren voor kleurenzien.
Exterosensoren - Receptoren voor prikkels uit de buitenwereld.
Enterosensoren - Receptoren voor prikkels uit de organen.
Propriosensoren - Receptoren voor houding en beweging.
Transductie - Omzetting van een prikkel in een elektrisch signaal.
Receptorpotentiaal - Lokale elektrische verandering in een receptor.
Adequate prikkel - Prikkel waarvoor een receptor het gevoeligst is.
Adaptatie - Afname van gevoeligheid bij voortdurende prikkeling.
Centrale adaptatie - Gewenning in het centraal zenuwstelsel.
Perifere adaptatie - Gewenning ter hoogte van de receptor.
Fasische/dynamische sensoren - Reageren vooral op veranderingen van prikkels.
Tonische/statische sensoren - Blijven reageren zolang de prikkel aanwezig is.
Fasisch-tonische sensoren - Combinatie van snelle en blijvende respons.
Habituatie - Afname van reactie op een herhaalde onbelangrijke prikkel.
Sensitisatie - Toename van gevoeligheid voor een prikkel.
Somatosensoriek - Waarneming van aanraking, pijn, temperatuur en positie.
Exterocepsis - Waarneming van prikkels uit de buitenwereld.
Propriocepsis - Waarneming van houding en beweging van het lichaam.
Statesthesie - Waarneming van lichaamspositie.
Kinesthesie - Waarneming van lichaamsbeweging.
Spierspoel - Receptor die spierlengte registreert.
Peessensor - Receptor die spierspanning registreert.
Receptorveld - Gebied waarop een receptor reageert.
Sensorische eenheid - Eén sensorisch neuron met zijn receptoren.
Discriminerend vermogen - Vermogen om twee prikkels van elkaar te onderscheiden.
Gnosis - Herkennen en interpreteren van sensorische informatie.
Vitale/grove sensibiliteit - Pijn, temperatuur en grove aanraking.
Gnostische/fijne sensibiliteit - Fijne tast, vibratie en positiezin.
Perceptie - Betekenis geven aan waargenomen prikkels.
Cognitie - Mentale processen zoals denken en geheugen.
Somatotopie - Geordende representatie van lichaamsdelen in de hersenen.
Corticale intra- en intersensorische integratie - Samenvoegen van informatie binnen en tussen zintuigen.
Sensorische/afferente/ascenderende baansystemen - Banen die sensorische informatie naar de hersenen voeren.
Tractus spinothalamicus - Geleidt pijn, temperatuur en grove tast.
Tractus spinoreticularis - Geleidt pijninformatie naar de formatio reticularis.
Tractus gracilis/spinobulbaris medialis - Geleidt fijne tast en positiezin van de onderste lichaamshelft.
Tractus cuneatus/spinobulbaris lateralis - Geleidt fijne tast en positiezin van de bovenste lichaamshelft.
Ipsilateraal - Aan dezelfde lichaamszijde.
Contralateraal - Aan de tegenovergestelde lichaamszijde.
Reflexboog - Neuraal circuit dat een reflex mogelijk maakt.
Strekreflex - Reflex waarbij een spier samentrekt na uitrekking.
Buigreflex - Reflex waarbij een lichaamsdeel wordt teruggetrokken van een pijnprikkel.
Gekruiste strekreflex - Reflex waarbij het andere been wordt gestrekt voor evenwicht.
Kiembladen - Drie embryonale lagen waaruit alle weefsels ontstaan.
Ectoderm - Buitenste kiemblad; vormt zenuwstelsel en huid.
Mesoderm - Middelste kiemblad; vormt spieren, botten en bloed.
Endoderm - Binnenste kiemblad; vormt organen en darmstelsel.
Neurulatie - Vorming van de neurale buis.
Neurale groeve - Instulping waaruit de neurale buis ontstaat.
Neurale buis - Voorloper van hersenen en ruggenmerg.
Craniale zijde - Hoofdzijde van het embryo.
Caudale zijde - Staartzijde van het embryo.
Neuroporus anterior - Voorste opening van de neurale buis.
Neuroporus posterior - Achterste opening van de neurale buis.
Neuraalbuisdefecten - Afwijkingen door onvolledige sluiting van de neurale buis.
Spina bifida - Onvolledige sluiting van de wervelkolom.
Anencephalie - Ernstige afwezigheid van grote delen van de hersenen.
Schisis - Spleetvorming door onvolledige versmelting van weefsels.
Hersenblaasjes - Embryonale voorlopers van hersendelen.
Prosencephalon - Voorhersenen.
Telencephalon - Ontwikkelt tot de grote hersenen.
Diëncephalon - Ontwikkelt tot thalamus en hypothalamus.
Mesencephalon - Middenhersenen.
Rhombencephalon - Achterhersenen.
Metencephalon - Ontwikkelt tot pons en cerebellum.
Myelencephalon - Ontwikkelt tot medulla oblongata.
Neurale proliferatie/Neurogenese - Vorming van nieuwe zenuwcellen.
Stamcellen - Ongedifferentieerde cellen die kunnen uitgroeien tot verschillende celtypes.
Neuroblastcellen - Voorlopers van neuronen.
Glioblastcellen - Voorlopers van gliacellen.
Gedifferentieerde cellen - Gespecialiseerde, volgroeide cellen.
Neurale migratie - Verplaatsing van zenuwcellen naar hun eindbestemming.
Radiale gliacellen - Steuncellen die migrerende neuronen begeleiden.
Radiale migratie - Migratie loodrecht vanuit de neurale buis.
Tangentiële migratie - Migratie parallel aan het hersenoppervlak.
Terminale migratie - Laatste verplaatsing naar de definitieve locatie.
Arborisatie - Vorming van dendrieten en axonvertakkingen.
Synaptogenese - Vorming van synapsen.
Pruning - Verwijderen van overtollige synapsen.
Apoptosis - Geprogrammeerde celdood.
Neuroplasticiteit - Vermogen van het zenuwstelsel om zich aan te passen.
Rerouting - Omleiden van zenuwbanen na beschadiging.