1/24
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Kenmerken NV
vereist minimaal € 45.000 gestort aandelenkapitaal (art. 2:64 jo. 2:67 BW).
Aandelen zijn vrij verhandelbaar.
Verder vergelijkbaar met de BV.
kenmerken vereniging
heeft leden en een ALV.
Een formele vereniging wordt opgericht bij notariële akte (art. 2:27 BW) en ingeschreven in het handelsregister.
Een informele vereniging ontstaat zonder notariële akte en heeft beperkte rechtsbevoegdheid (art. 2:30 BW).
Een vereniging mag geen winst uitkeren aan leden tenzij dit statutair is toegestaan.
Coöperatie
is een bijzondere vereniging (art. 2:53 BW) waarbij leden in een bepaalde behoefte voorzien via de coöperatie.
Schakelbepalingen (art. 2:53a BW) maken verenigingsregels van overeenkomstige toepassing, met enkele uitzonderingen.
Stichting
heeft geen leden en geen AVA (art. 2:285 BW).
Winstuitkering aan oprichters of bestuurders is verboden (art. 2:285 lid 3 BW).
Alleen een ideëel of sociaal doel is toegestaan.
BV
is geregeld in art. 2:175 BW.
Geen minimumkapitaaleis (sinds flex-BV 2012).
Aandeelhouders zijn niet persoonlijk aansprakelijk.
Winst mag worden uitgekeerd.
Aandelen zijn niet vrij overdraagbaar (blokkeringsregeling).
rechtspersoon in oprichting
Als iemand handelt namens een rechtspersoon in oprichting is hij persoonlijk aansprakelijk totdat de rechtspersoon de handeling bekrachtigt
(art. 2:203 BW, via HR Diva ook van toepassing op verenigingen via art. 2:93 jo. 2:203 BW).
Bekrachtiging kan uitdrukkelijk of stilzwijgend (art. 3:69 BW). Na bekrachtiging valt de persoonlijke aansprakelijkheid weg.
Uitzondering (art. 2:203 lid 3 BW): als degene die handelde wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de rechtspersoon zijn verplichtingen niet zou kunnen nakomen, blijft hij aansprakelijk ook na bekrachtiging. Dit is een strenge toets.
Niet-ingeschreven BV en hoofdelijke aansprakelijkheid
Art. 2:180 lid 2 BW: zolang een BV niet is ingeschreven in het handelsregister zijn degenen die namens de BV handelen hoofdelijk aansprakelijk naast de BV.
Dit geldt alleen voor rechtshandelingen (art. 3:33 BW), niet voor publiekrechtelijke verplichtingen zoals belastingaanslagen.
Uitzondering HR Staat/Bankiers: als de wederpartij wist van de niet-inschrijving kan dit onder omstandigheden meewegen, maar de lat hiervoor ligt hoog.
Lidmaatschap vereniging
Lidmaatschap eindigt op grond van art. 2:35 BW:
Opzegging door het lid zelf (lid 1 sub a)
Opzegging door de vereniging (lid 2)
Ontzetting/royement (lid 1 sub d)
Ontzetting moet worden uitgesproken door het bestuur (art. 2:35 lid 4 BW), tenzij de statuten anders bepalen. Een gewone barmedewerker is dus niet bevoegd.
Besluitvorming
Stap 1 – Is het orgaan bevoegd?
Stap 2 – Is voldaan aan meerderheids- en quorumeisen?
Stap 3 – Is voldaan aan overige vereisten?
nietig vs vernietigbaar
Nietig (art. 2:14 BW): het besluit is van rechtswege ongeldig vanaf het begin. Geen actie nodig. Gronden:
Inhoud in strijd met wet of openbare orde (lid 1)
Verkeerd orgaan heeft besloten, of vereiste voorafgaande handeling ontbreekt (lid 2)
Vernietigbaar (art. 2:15 BW): het besluit is geldig totdat de rechter het vernietigt. Vernietiging heeft terugwerkende kracht. Moet worden gevorderd binnen één jaar (lid 5). Gronden:
Strijd met totstandkomingsvoorschriften wet of statuten (lid 1 sub a)
Strijd met redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW (lid 1 sub b)
Strijd met een reglement (lid 1 sub c)
Vuistregel: procedurele fout of strijd met reglement → vernietigbaar. Verkeerd orgaan of inhoud strijdig met wet → nietig.
Meerderheidsvormen
Volstrekte meerderheid: helft van de uitgebrachte stemmen plus één. Dit is de wettelijke standaard tenzij anders bepaald.
Gekwalificeerde meerderheid: meer dan de volstrekte meerderheid, bijvoorbeeld twee derde. Moet altijd uitdrukkelijk zijn bepaald in wet of statuten.
Algemene stemmen: unanimiteit — iedereen stemt hetzelfde.
Tegenstrijdig belang
Art. 2:239 lid 6 BW (BV) / art. 2:44 lid 6 BW (vereniging): een bestuurder met een direct of indirect tegenstrijdig belang onthoudt zich van beraadslaging en besluitvorming. De RvC neemt dan het besluit.
Direct tegenstrijdig belang: de bestuurder zelf handelt met de rechtspersoon. Indirect tegenstrijdig belang: iemand in de directe omgeving van de bestuurder handelt met de rechtspersoon.
Toets uit HR Bruil (r.o. 3.4): kan in alle redelijkheid worden betwijfeld of de bestuurder zich uitsluitend heeft laten leiden door het vennootschapsbelang? Nadeligheid is geen vereiste.
Als het bestuur toch besluit terwijl het zich had moeten onthouden → verkeerd orgaan → nietig (art. 2:14 lid 2 BW).
Goedkeuringsbesluiten
Art. 2:239 lid 3 BW: statuten kunnen bepalen dat bestuursbesluiten goedkeuring behoeven van een ander orgaan (zoals de AVA). Dit betreft interne besluitvorming en heeft geen gevolgen voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid naar buiten toe.
Als het goedkeuringsbesluit wordt vernietigd (terugwerkende kracht) → vereiste voorafgaande handeling ontbreekt → onderliggend bestuursbesluit nietig (art. 2:14 lid 2 BW).
HR Lampe/Tonnema (statutenwijziging en redelijkheid en billijkheid)
Een minderheidsaandeelhouder moet er rekening mee houden dat de statuten tegen zijn zin worden gewijzigd (r.o. 3.4). Een vordering tot vernietiging wegens strijd met redelijkheid en billijkheid slaagt alleen als het enige doel van de wijziging was om de rechten van de minderheid te frustreren, en er geen ander gerechtvaardigd belang was (r.o. 3.5).
Ontslag statutair bestuurder en arbeidsrecht
In beginsel leidt ontslag als bestuurder ook tot einde van de arbeidsovereenkomst. Uitzondering: opzegverboden van art. 7:670 BW, waaronder zwangerschap (lid 2). Uit HR Unidek volgt dat dit opzegverbod ook geldt bij statutair bestuurders.
Vertegenwoordiging
Stap 1 - Is de bestuurder individueel bevoegd? (lid 2)
Stap 2 – Is er een wettelijke beperking of voorwaarde? (lid 3)
Stap 3 – Wat is het rechtsgevolg?
Wettelijke vs. niet-wettelijke beperkingen
Niet-wettelijke beperking (puur statutair, geen wettelijke grondslag): kan niet aan derden worden tegengeworpen. Rechtspersoon is gebonden.
Wettelijke beperking (vloeit voort uit de wet, bijv. twee-handtekeningenclausule op grond van lid 2): kan aan derden worden tegengeworpen, maar alleen als die beperking ook ingeschreven is in het handelsregister.
Gevolgen van ongebondenheid: art. 3:70 jo. 3:78 BW
Als de rechtspersoon niet gebonden is, staat de bestuurder die handelde in voor zijn bevoegdheid. Als de derde onkundig was van de onbevoegdheid moet de bestuurder de schade vergoeden.
HR Bibolini (interne beperkingen en goede trouw)
Als een beperking niet uit de wet voortvloeit (interne beperking), kan de rechtspersoon die in beginsel niet aan de derde tegenwerpen — ook niet als de derde wist van de beperking. Uitzondering: de Bibolini-exceptie (art. 6:2 lid 2 BW). Als de derde zich in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou gedragen door de rechtspersoon aan de overeenkomst te houden, kan de rechtspersoon toch een beroep doen op de beperking. Daarvoor is naast wetenschap een bijkomende omstandigheid nodig, zoals dat de derde zelf heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de beperking.
Ga alleen in op Bibolini als de casus aanwijzingen bevat dat de exceptie zou kunnen slagen.
Besluitvorming vs. vertegenwoordiging
Dit is een cruciaal onderscheid. Een intern nietig besluit maakt een bestuurder nog niet onbevoegd naar buiten toe. Art. 2:239 lid 3 BW ziet puur op interne besluitvorming. De geldigheid van een onderliggend besluit is geen wettelijke voorwaarde voor vertegenwoordigingsbevoegdheid (art. 2:240 lid 3 BW).
informele en formele vereniging: bijzondere aansprakelijkheid
Informele vereniging (geen notariële akte, art. 2:30 BW): bestuurders zijn naast de vereniging hoofdelijk aansprakelijk. Eerst de vereniging aanspreken, dan pas de bestuurders (lid 4).
Formele vereniging niet ingeschreven (art. 2:29 lid 2 BW): alle bestuurders zijn naast de vereniging hoofdelijk aansprakelijk zolang de vereniging niet is ingeschreven.
Art. 2:9 BW – Interne aansprakelijkheid
Norm: ernstig verwijtbaar onbehoorlijk bestuur (art. 2:9 lid 2 BW).
Maatstaf uit HR Staleman/Van der Ven (r.o. 3.3.1): het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult, waarbij alle omstandigheden van het geval relevant zijn.
HR Berghuizer Papierfabriek: handelen in strijd met een statutaire bepaling die strekt ter bescherming van de rechtspersoon levert in beginsel ernstig verwijtbaar handelen op.
Collectieve aansprakelijkheid: in beginsel is iedere bestuurder aansprakelijk, ook als hij zelf niet handelde.
Décharge (kwijting): als de AVA décharge verleent kunnen bestuurders niet meer worden aangesproken voor wat de AVA wist of had kunnen weten op basis van de jaarrekening of anderszins verstrekte informatie (HR Staleman r.o. 3.4.1). Wat niet kenbaar was valt niet onder de décharge.
Disculpatie (art. 2:9 lid 2 BW): een bestuurder kan zich bevrijden als hij aantoont dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt én dat hij niet nalatig was in het treffen van maatregelen.
Art. 2:248 BW – Faillissementsaansprakelijkheid (BV)
Norm (lid 1): kennelijk onbehoorlijk bestuur (HR Panmo: geen redelijk denkend bestuurder zou zo hebben gehandeld) én causaal verband met het faillissement. Beide moet de curator bewijzen.
Drie-jaarstermijn (lid 6): alleen onbehoorlijk bestuur in de drie jaar vóór het faillissement telt.
Bijzondere bewijsregel (lid 2): als de boekhoudplicht (art. 2:10 BW) of publicatieplicht jaarrekening (art. 2:394 BW) is geschonden, staat onbehoorlijk bestuur vast (onweerlegbaar) en wordt causaal verband vermoed (weerlegbaar). Bij schending van art. 2:394 lid 3 BW (te late publicatie) is zelfs geen tegenbewijs mogelijk.
Tegenbewijs causaal verband (HR Blue Tomato r.o. 3.4): aannemelijk maken dat andere feiten dan de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak waren. Mag ook ander bestuurshandelen zijn dat geen kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert (HR Mobile Services r.o. 3.2).
Feitelijk bestuurder (lid 7): iemand die feitelijk het beleid bepaalt wordt gelijkgesteld met een formeel bestuurder.
Disculpatie (lid 3): aantonen dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan jou te wijten is én dat je niet nalatig was in het treffen van maatregelen. Inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting.
Via schakelbepalingen ook van toepassing op: NV (art. 2:138 BW), vereniging (art. 2:50a BW), stichting (art. 2:300a BW), coöperatie (art. 2:53a BW).
Art. 6:162 BW – Aansprakelijkheid jegens individuele schuldeisers
Uitgangspunt: bestuurders zijn niet aansprakelijk tegenover schuldeisers van de rechtspersoon. In uitzonderingsgevallen wel, via onrechtmatige daad.
Uit HR Ontvanger/Roelofsen (r.o. 3.5) volgen twee gevalstypen:
Gevalstype 1 – Zinkend schip: de bestuurder ging namens de rechtspersoon een verbintenis aan terwijl hij wist of behoorde te weten dat de rechtspersoon niet zou kunnen betalen en geen verhaal zou bieden.
Gevalstype 2 – Frustratie van verhaal: de bestuurder heeft actief bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet nakomt, en de bestuurder treft daarvan persoonlijk een ernstig verwijt.
Individuele aansprakelijkheid: anders dan bij art. 2:9 en 2:248 BW is dit geen collectieve aansprakelijkheid. Elke bestuurder moet afzonderlijk worden beoordeeld. Er is geen disculpatiemogelijkheid zoals bij art. 2:9 en 2:248 BW.
Toezichthouders: RvC en RvT
Art. 2:9 BW geldt ook voor commissarissen en toezichthouders via de toepasselijke schakelbepalingen (bijv. art. 2:300a lid 3 sub b BW voor stichtingen). De norm is dan niet onbehoorlijk bestuur maar onbehoorlijk toezicht. De maatstaf en het stappenplan zijn verder gelijk aan art. 2:9 BW.