1/108
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
lēgātus
lēgāt-ī, m.
de gezant; de onderbevelhebber
populus
popul-ī, m.
het volk
imperātor
imperātōr-is, m.
de opperbevelhebber
sōl
sōl-is, m.
de zon
legiō
legiōn-is, v.
het legioen
pāx
pāc-is, v.
de vrede
iūs
iūr-is, o.
het recht
mūnus
mūner-is, o.
de taak; het geschenk
imperāre
imper-ō
bevelen; opeisen
mandāre
mand-ō
toevertrouwen; opdragen
solēre
sole-ō
gewoon zijn
ferē
bijwoord
bijna; meestal
ubi
voegwoord
toen; wanneer
puer
puer-ī, m.
de jongen
līberī
līber-ōrum, m.
de kinderen
vir
vir-ī, m.
de man
ager
agr-ī, m.
het veld
miser
miser-a, miser-um
ongelukkig
pulcher
pulchr-a, pulchr-um
mooi
sacer
sacr-a, sacr-um
heilig; gewijd
noster
nostr-a, nostr-um
ons; onze
vester
vestr-a, vestr-um
jullie
glōria
glōri-ae, v.
de roem
pugna
pugn-ae, v.
het gevecht
victōria
victōri-ae, v.
de overwinning
beneficium
benefici-ī, o.
de weldaad
praemium
praemi-ī, o.
de beloning
laudāre
laud-ō
prijzen
nūntiāre
nūnti-ō
melden
praebēre
praebe-ō
aanbieden
quis?
vragend vnw.
wie?
quid?
vragend vnw.
wat?
puella
puell-ae, v.
het meisje
nōtus
-a, -um
bekend
vērus
-a, -um
waar; echt
temptāre
tempt-ō
proberen; op de proef stellen
iacēre
iace-ō
liggen
placēre
place-ō
bevallen; aanstaan
quō?
bijwoord
waarheen?
ergō
voegwoord
dus
oculus
ocul-ī, m.
het oog
auxilium
auxili-ī, o.
de hulp
verbum
verb-ī, o.
het woord
auris
aur-is, v.
het oor
dūrus
-a, -um
hard
ōrāre
ōr-ō
bidden; smeken
locus
loc-ī, m.
de plaats
causa
caus-ae, v.
de oorzaak; de reden; het proces
hōra
hōr-ae, v.
het uur
vīlla
vīll-ae, v.
de villa; het landgoed
cōnsilium
cōnsili-ī, o.
het overleg; de raad; het plan
pretium
preti-ī, o.
de prijs
arbor
arbor-is, v.
de boom
plēnus
-a, -um
vol
nāvis
nāv-is, v.
het schip
nūllus
-a, -um
geen
paucī
-ae, -a
weinig; enkele
agere
ag-ō
(voort)drijven; doen
cognōscere
cognōsc-ō
leren kennen; vernemen
dīcere
dīc-ō
zeggen; spreken; noemen
intellegere
intelleg-ō
begrijpen
legere
leg-ō
lezen; kiezen; verzamelen
ostendere
ostend-ō
tonen
quaerere
quaer-ō
zoeken; vragen
sūmere
sūm-ō
nemen
vīvere
vīv-ō
leven
pōns
pont-is, m.
de brug
audēre
aude-ō
durven
tegere
teg-ō
bedekken; beschermen
metuere
metu-ō
vrezen
cōnsīdere
cōnsīd-ō
gaan zitten
dūcere
dūc-ō
leiden
mittere
mitt-ō
zenden; laten gaan
pōnere
pōn-ō
plaatsen; neerleggen
relinquere
relinqu-ō
achterlaten; verlaten
vertere
vert-ō
omkeren; veranderen in
recipere
recipi-ō
ontvangen
hīc
bijwoord
hier
īra
īr-ae, v.
de woede
poena
poen-ae, v.
de boete; de straf
studium
studi-ī, o.
de studie; de sympathie; de ijver
iubēre
iube-ō
bevelen
sentīre
senti-ō
voelen; merken; menen
silentium
silenti-ī, o.
de stilte
hiems
hiem-is, v.
de winter
virtūs
virtūt-is, v.
de kwaliteit; de dapperheid
tūtus
-a, -um
veilig
cadere
cad-ō
vallen
petere
pet-ō
gaan naar; vragen
poscere
posc-ō
eisen
canere
can-ō
zingen; bezingen
ubi?
bijwoord
waar?
ad
+ acc.
naar; (tot) bij
ante
+ acc.
vóór
apud
+ acc.
bij
inter
+ acc.
tussen; tijdens
per
+ acc.
door; gedurende
post
+ acc.
achter; na
praeter
+ acc.
voorbij; behalve
cum
+ abl.
met