Sociale psychologie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/104

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:06 PM on 8/28/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

105 Terms

1
New cards

Beeldvorming

Start van meeste sociale interacties, bewust en onbewust. Eerste invloed beïnvloedt verdere interacties tussen mensen

2
New cards

Eerste indruk

Spontane reactie gebaseerd op aantal kenmerken van totaalbeeld van een persoon

3
New cards

Waarneming

Grote hoeveelheid prikkels wordt door brein gefilterd tot aantal patronen waar we een betekenis aan toekennen

4
New cards

Precept

Zintuiglijke waarneming

5
New cards

Concept

Uitwerking van precept

6
New cards

Sociale waarneming

Je vormt een precept en werkt dit vervolgens uit als concept

7
New cards

Visueel aspect van eerste indruk

3 grote blokken: uiterlijk, lichaamstaal en gedrag

8
New cards

Uiterlijk

Eerste dat wordt waargenomen, spontaan letten op geslacht, leeftijd en huidskleur

9
New cards

Theorie van Mehrabian

Boodschap en de manier waarop hij van de ene naar de andere wordt overgebracht, als onderdeel van waarneming, door 7 - 38 - 55 regel, enkel als boodschap ambigu is (intonatie en inhoud tegensprekend)

10
New cards

7 - 38 - 55 regel

Boodschap wordt 7% bepaald door woorden/inhoud, 38% door toon/intonatie en 55% door lichaamstaal

11
New cards

Waarneming is cultuurgebonden

Verschil door cultuur of etnische achtergrond (bv. Europeanen en Aziaten kijken verschillend naar gezichten)

12
New cards

Cognitieve schema’s

Menselijke, innerlijke structuren over de wijze waarop bepaalde zaken of gebeurtenissen samenhangen. Op basis van ervaring ordenen we wat we waarnemen in opvatting (bv. lint = studentenclub = fuiven,…)

Voordelen = snel reageren op prikkels, makkelijk omgaan met veel prikkels

Nadelen = Verlies accuraatheid, stereotypering

13
New cards

3 functies van cognitieve schema’s (Roos Vock)

Schijnwerper (zorgen voor aandacht naar juiste zaken/relevante richting)

Gatenvuller (invullen van ontbrekende informatie)

Gedragswijzer (door informatie die we zien en invullen te activeren, weten we hoe we ons moeten gedragen)

14
New cards

Shooter bias (cognitieve schema’s)

Fenomeen waarbij mensen sneller geneigd zijn om op ongewapende individuen van kleur te schieten dan op ongewapende blanke individuen, bij getrainde en geschoolde politieagenten geen verschil

15
New cards

Experiment Correll (USA)

Shooter bias voorbeeld, gesimuleerde situatie waarbij ze moesten schieten als persoon een wapen had, schutters maakte meer fouten bij ongewapende POC dan bij blanke ongewapende mensen

16
New cards

Negatieve stimuli (Kanouse en Hanson) (cognitieve schema’s)

Krijgen voorrang omdat ze snelle evaluatie en reactie vereisen, adaptieve waarde = bedreigingen vragen directe actie door automatische waakzaamheid

17
New cards

Cultuur (cognitieve schema’s)

Culturele verschillen beïnvloeden interpretatie van gedrag, wat in ene cultuur normaal is is in andere misschien ongepast

18
New cards

School (cognitieve schema’s)

Beïnvloedt onze denkpatronen door eenzijdig perspectief, BE = eurocentrisch en mannelijke focus

19
New cards

Particuliere ervaringen (cognitieve schema’s)

Persoonlijke ervaringen beïnvloeden schema’s en hoe we situaties waarnemen

20
New cards

Priming (cognitieve schema’s)

Verhoogt tijdelijk toegankelijkheid van bepaalde schema’s na recente gebeurtenis, beïnvloedt hoe mensen situaties en personen interpreteren

(Experiment: Groep A leerde woorden over avontuurlijkheid terwijl groep B leerde over roekeloosheid, lazen allebei een verhaal over risiconemende man. Groep A vond hem moedig en dapper, groep B vond hem onverantwoord en roekeloos)

21
New cards

Chronische priming (cognitieve schema’s)

Bepaalde mentale concepten, attitudes of stereotypen blijven constant geactiveerd, zelfs zonder directe externe prikkels, beïnvloedt blijvend de verwerking en reactie van informatie van persoon

22
New cards

Actuele gemoedstoestand (cognitieve schema’s)

Beïnvloedt hoe we informatie interpreteren en reageren, vergelijkbaar met interne priming (bvb. verliefdheid)

23
New cards

Persoonlijke eigenschappen (cognitieve schema’s)

Beïnvloeden welke schema’s actief worden en hoe iemand situaties waarneemt (bv. pessimisme en optimisme), aandacht verschilt

24
New cards

Situatie (cognitieve schema’s)

Bepaalt welke schema’s geactiveerd worden (bv. man in berenpak tijdens carnaval of begrafenis

25
New cards

Attributie

Toeschrijven van oorzaken aan gebeurtenissen, in sociale psychologie helpt het begrijpen hoe mensen wereld waarnemen, verklaren en reageren op anderen. Afhankelijk van verklaring van iemands gedrag ga je zelf ander gedrag vertonen

26
New cards

Attributietheorie

Hoe we gedrag van andere verklaren door logica van oorzaak-gevolg, veel nadruk op attributie binnen sociale perceptie (conclusie trekken zonder alle feiten te kennen)

27
New cards

Attributie in persoonlijke relaties

Verklaring voor gedrag beïnvloedt hoe we anderen en eigen gedrag zien

28
New cards

Interne attributie (attributieproces)

Gedrag toegeschreven aan persoon zelf

29
New cards

Externe attributie (attributieproces)

Gedrag toegeschreven aan externe factoren, Weiner = locus of control

30
New cards

Stabiliteit van attitude

Stabiele factoren = vaststaande oorzaken die niet veranderen

Variabele factoren = oorzaken die kunnen veranderen

31
New cards

4 attributiemogelijkheden van Weiner

Stabiel Intern = Persoonlijkheidstrekken, talenten, gebreken,…

Variabel Intern = Fysieke en mentale toestand, gedrag, inspanning,…

Stabiel Extern = Systemen, structuren, persoonlijkheid van anderen, gradaties

Variabel Extern = Geluk, toeval, gedrag en toestand van anderen,…

32
New cards

Spontane attributie

Automatisch, ongericht aannames over iemands eigenschappen (bvb. gul of slim) op basis van gedrag, beiïnvloed door onze cognitieve schema’s

33
New cards

Intentionele attributie

Bij doelgerichte situaties (bvb. sollicitatie) bewust oorzaken van iemands gedrag onderzoeken (bvb. persoonlijke eigenschappen/omgevingsfactoren)

34
New cards

Corresponderende inferentietheorie van Jones en Davis

3 variabelen voor verklaring gedrag:

  1. Keuze = hoe meer iemands gedrag een persoonlijke keuze is, hoe sneller we intern attribueren

  2. Situatie = hoe beter gedrag past bij situatie, hoe minder we intern attribueren

  3. Gevolgen = hoe positiever de gevolgen, hoe minder we gedrag intern attribueren


35
New cards

Covariatiemodel van Kelley

Covariatiemodel met 3 variabelen, bepalen intern of extern attribueren

  1. Consensus = hoe lager consensus (gedrag van anderen), hoe meer intern attribueren

  2. Distinctiviteit = hoe lager distinctiviteit (gedrag in verschillende situaties), hoe meer intern attribueren

  3. Consistentie = hoe hoger consistentie (gedrag over tijd), hoe meer intern attribueren

Voldoende info nodig over de 3, mits ontbrekende informatie is model van Jones en Davis een minder nauwkeurige maar bruikbare optie

36
New cards

Persoonsattributie volgens covariatiemodel

Consensus laag, distinctiviteit laag, consistentie hoog

37
New cards

Situationele attributie volgens covariatiemodel

Consensus hoog, distinctiviteit hoog, consistentie hoog

38
New cards

Combinatie van persoon en situatie attributie volgens covariatiemodel

Consensus laag, distinctiviteit hoog, consistentie hoog

39
New cards

Omstandigheden of toeval attributie volgens covariatiemodel

Consensus laag, distinctiviteit hoog, consistentie laag

40
New cards

Fundamentele attributiefout

Neiging om iemands gedrag toe te schrijven aan diens persoonlijkheid (bvb. iemand met vreemde kleren is “raar”), gebeurt vaak automatisch en kan gecorrigeerd worden door objectief nadenken

41
New cards

Actor-observator-attributiefout

Eigen gedrag extern attribueren (door externe factoren zoals vermoeidheid) om ons zelfbeeld te beschermen, terwijl we gedrag van anderen intern attribueren (bvb. iemand die snel zijn geduld verliest) zonder veel info over situatie

42
New cards

Situationele correctie

Als we iemands gedrag toeschrijven aan externe factoren zoals situatie

Experiment: studenten beoordelen zenuwachtigheid van vrouw anders afhankelijk van onderwerp van het interview, toont hoe situatie gedrag beïnvloedt

Oefening fundamentele attributiefout vermijden = jezelf afvragen wat jij in zelfde situatie zou gedaan hebben

43
New cards

Impliciete persoonlijkheidstheorieën

Mechanisme dat ons toelaat snel een indruk te vormen over een persoon op basis van beperkte informatie dat we hebben over zijn persoon of gedrag, in denken over personen denken we in clusters van persoonseigenschappen, vaak onjuist en kunnen objectieve waarneming belemmeren

44
New cards

Halo-effect

Positieve eigenschappen van persoon leiden tot totaal positieve indruk waarbij positieve kenmerken naar andere eigenschappen worden doorgetrokken

45
New cards

Horn-effect

Negatieve eigenschap leidt tot negatieve beoordeling van de persoon

46
New cards

Experiment Harold Kelley

Over Halo en Horn effecten, studenten gaven totaal andere indruk van gastdocent afhankelijk van of hij als warm of koud werd beschreven. Warm leidt tot positieve indruk, koud als negatief

47
New cards

Centrale eigenschappen

Komen vooral voor op sociale dimensie en bekwaamheidsdimensie

Sociale dimensie = eigenschappen zoals warm of eerlijk bepaalt hoe sociaal en betrouwbaar iemand gezien wordt, negatieve eigenschappen hebben een sterker effect dan positieve = negativiteitseffect

Bekwaamheidsdimensie = eigenschappen zoals slim beïnvloeden hoe capabel iemand wordt geacht, het omgekeerde van sociale, positieve eigenschap heeft meer invloed dan negatieve = positiviteitseffect

48
New cards

Primacy-effect

Bevinding dat informatie die het eerst in een reeks voorkomt, een grotere impact heeft op onze indruk dan later gepresenteerde informatie

Oorzaak: komt voor bij trage informatiestroom of lange perioden tussen informatie en beoordeling (Bvb. Studenten die op eind van cursus actief participeren laten positievere indruk achter bij docent)

Toepassing: belangrijk bij examens, slotpleidooien in strafzaken en situaties waarin oordeel later gevormd wordt

49
New cards

Gelijk-aan-mij-effect

We vinden mensen die op ons lijken positiever dan mensen die verschillen, gevolg is dat we in groep onbewust zoeken naar gelijkgestemden, gebaseerd op 1 gedeelde eigenschap

50
New cards

Similarity-attraction effect

Mensen voelen zich aangetrokken tot anderen die fysiek op hen lijken

51
New cards

Projectie

Psychologisch mechanisme waarbij iemand eigen emoties of eigenschappen ontkent en toeschrijft aan anderen

Schaduw (Carl Jung) = onbewust vaak negatieve aspecten van onszelf die we op anderen projecteren om innerlijke conflicten te vermijden

Sociale psychologie: we herkennen eigen eigenschappen of emoties in anderen, wat kan leiden tot verkeerde interpretaties

Verschil met empathie: empathie is inleving in gevoelens van anderen vanuit hun perspectief, projectie is anderen zien door eigen emoties en gedachten

52
New cards

Selffulfilling prophecy

Verwachtingen die gedrag beïnvloeden waardoor ze werkelijkheid worden

Driestappenproces: Eerst verwachting over persoon, dan gedrag in lijn met verwachting, dan uitkomst van verwachting door gedrag

Bewustzijn helpt, mensen met kennis over oordeelsvorming en statistiek oordelen objectiever

53
New cards

Experiment Rosenthal en Jacobson (Selfulfilling prophecy)

Leerkrachten beïnvloeden studenten op basis van verwachtingen, wat leidt tot betere/slechtere resultaten

54
New cards

Pygmalion-effect (Selffulfilling prophecy)

Hoge verwachtingen leiden tot betere prestaties

55
New cards

Golem-effect (Selfulfilling prophecy)

Lagere verwachtingen leiden tot slechtere prestaties

56
New cards

Quick & Dirty-methode (Selfulfilling prophecy)

Bij oppervlakkige contacten vormen we snelle, intuïtieve oordelen, bij belangrijke relaties doen we meer moeite

57
New cards

Sociale categorisering

Mensen categoriseren informatie om complexe omgeving overzichtelijk te maken, gebeurt van kinds af aan en komt voort uit menselijke behoefte om orde te scheppen. Dit plaatst mensen in groepen zoals geslacht, nationaliteit,…

58
New cards

Problemen en effecten van sociale categorisering

Vaak binair en kan machtsverschillen versterken, assimilatie-effect en contrast-effect komen voor. Ook chronische priming (voortdurende blootstelling aan bepaalde sociale categorieën beïnvloedt onbewust toekomstige oordelen en gedragingen, leidt tot automatische activering van stereotypen en bevooroordeelde beslissingen)

59
New cards

Assimilatie-effect

Verschillen binnen een categorie worden kleiner, terwijl verschillen tussen categorieën toenemen. Bij experiment van Nelson duidelijk, deelnemers schatten lengte van mannen groter dan die van vrouwen ookal zijn ze even groot. Krueger en Clement onderzoek is hetzelfde maar qua temperatuurverschillen. Definitie van Vonk en Hoorens = assimilatie = oordelen verschuiving richting een bestaand concept

60
New cards

Contrast-effect

Verschillen tussen categorieën worden uitvergroot. Definitie Vonk en Hoorens: Contrast = oordelen verschuiven in tegenovergestelde richting

61
New cards

Zelfcategorisering

Zelf deel uitmaken van categorieën

62
New cards

Multicollectiviteit

Iedereen behoort tot meerdere groepen met eigen cultuur, bij sociale categorisering plaatsen we onszelf ook in groepen (bvb. man, vrouw, jong,…)

63
New cards

In-groups

Groepen waartoe we behoren = positieve gevoelens, gedeelde waarden en normen

64
New cards

Out-groups

Groepen waar we niet toe behoren = minder positieve gevoelens, soms vooroordelen of discriminatie

65
New cards

Niveaus van zelfcategorisering

Individueel niveau = unieke kenmerken van een persoon

Sociaal niveau = gedeelde kenmerken binnen een groep

Sociale identiteit beïnvloedt gedrag t.o.v. in-group en out-group

66
New cards

In- en out-group principes

Mensen willen deel uitmaken van positieve groep voor versterking zelfbeeld, leidt soms tot bevoordeling van eigen groep en negatieve beoordelingen naar out-groups

67
New cards

Ford en Tonader experiment over groepsdynamiek

Studenten kregen beschrijving van 2 groepen (X = slim, Y = vriendelijk), studenten benadrukten vooral positieve kenmerken van eigen groep en minimaliseerden de kwaliteiten van de andere

68
New cards

Tajfel - minimale groepssituatie, experiment over groepsdynamiek

Willekeurige groepsindeling, mensen gaven liever minder geld aan eigen groep zolang verschil met andere groep groter bleef. Conclusie: mensen willen niet alleen winnen maar vooral beter zijn dan de out-group = in-group bias

69
New cards

Gevolgen/kenmerken van in-group bias

Positieve beoordeling (eigen groepsleden als beter gezien), bevoordeling (meer hulp enzo voor eigen groep), sterkere groepscohesie (meer samenwerking en solidariteit binnen groep), vooroordelen en discriminatie (negatieve ideeën over out-groups kunnen leiden tot onrechtvaardige behandeling)

70
New cards

Houding tegenover in-group

Mensen profiteren van positief imago van groep en geven ook terug, bevoordelen leden van eigen groep in woord en daad, vooral bij sterke verbondenheid. Evolutionaire verklaring = bevoordeling van eigen groep vergroot overlevingskansen

71
New cards

Attributie in houding tegenover in-group

Positief gedrag van in-group = interne attributie (talent)

Negatief gedrag van in-group = externe attributie (pech of fout van anderen)

72
New cards

Houding tegenover out-group

Bevoordelen eigen groep is niet automatisch benadelen out-group, bij minimale groepsvorming bevoordelen mensen de in-group, maar benadelen de out-group niet actief. Bij sterke groepsidentificatie of bedreiging (sociale identiteit,…) treedt afwijzing van out-group op

73
New cards

Out-group homogeniteitseffect

Mensen zien leden van out-group als meer op elkaar lijkend dan leden van de in-group (bvb. mensen van andere etniciteit lijken fysiek homogener dan eigen groep)

74
New cards

Experiment Plats & Hosh

Winkeliers herkenden klanten met zelfde etniciteit beter dan klanten met andere etniciteit, toont aan dat mensen out-group in uniforme categorie plaatsen, zonder nuances

75
New cards

Wij-Zij denken

Ook binnen eigen gemeenschap, negeert diversiteit binnen groep

76
New cards

Stereotypering

Toeschrijven van simplistische, overgeneraliserende kenmerken aan een groep die vaak gebaseerd zijn op een kern van waarheid maar uitvergroot en vertekend, kan zowel negatief als schijnbaar positief aangenomen worden. Wordt versterkt door media, politiek en geschiedenis

77
New cards

Discriminatie

Wanneer een kenmerk tegen iemand gebruikt wordt in een situatie waarin het niet relevant zou moeten zijn (privilege = omgekeerde), uit zich ook in stereotype-threat: de angst om negatief stereotype te bevestigen kan prestaties negatief beïnvloeden

78
New cards

Onderzoek Steele & Aronson (Discriminatie)

Afro-Amerikaanse studenten presteerden slechter als hen werd verteld dat de test intelligentie meet

79
New cards

5 stappen van tegengif op discriminatie

  1. Gedrag sturen (Experiment Macrea & Wagner)

  2. Bewustwording (vooroordelen herkennen en kritisch bekijken)

  3. Intens contact (interactie met diverse groepen kan helpen maar moet roldoorbrekend zijn en voldoende mensen hebben)

  4. Vriendschap en samenwerking (hechte relaties verminderen stereotypen)

  5. Alternatieve verhalen (bewust zoeken naar diverse perspectieven helpt dominante denkbeelden)


80
New cards

Experiment Macrea & Wegner

Proefpersonen schreven over een skinhead, sommigen mochten hun vooroordelen niet uiten, groep die zich moest inhouden ging later fysiek verder van de skinhead zitten. Boemerangeffect: onderdrukte gedachten komen later sterker terug

81
New cards

Individuatie

Wanneer we iemand als individu bekijken, verliezen stereotypen hun invloed maar vraagt bewust aandacht en inspanning, beïnvloedende factoren zijn onze positie en belangen die bepalen hoeveel tijd en moeite we investeren in accuraat beeld van iemand

82
New cards

Voorwaarden voor individuatie

Kunnen (voldoende cognitieve ruimte en tijd zijn om bewust te denken over iemand) en willen (motivatie is essentieel, doen het vooral als iemand belangrijk is voor ons)

83
New cards

Sociale facilitatie

Fenomeen waarbij aanwezigheid van anderen invloed heeft op individuele prestaties, zowel positief (verbeterde prestaties bij eenvoudige of goed geoefende taken) als negatief (sociale inhibitie, verslechterde prestaties bij moeilijke of nieuwe taken)

84
New cards

Triplett (1898) over Sociale facilitatie

Wielrenners en hengelspoel-experimenten tonen aan dat mensen beter presteren in aanwezigheid van andere

85
New cards

Competitiedrang-hypothese (sociale facilitatie)

In eerste instantie dacht men dat het werd veroorzaakt door competitie, maar experimenten toonden aan dat aanwezigheid van passief publiek ook prestaties kon verbeteren

86
New cards

Ader en Tatum schokexperiment en het sociaal belemmeringseffect

Proefpersonen kregen elektroe aan de kuit en zaten in een lokaal met rode knop op tafel, om de 10 seconden werd elektrische schok toegediend, maar kon uitgesteld worden door knop in te drukken (moesten ze zelf ontdekken), beide alleen en met 2 in 1 ruimte gedaan.

Resultaat: Proefpersoon in alleenconditie leerden sneller om de schokken te vermijden dan in samenconditie, aanwezigheid van anderen vertraagde het leerproces

87
New cards

Pessin (1933) woordenlijst-experiment

Proefpersonen moesten betekenisloze woorden uit het hoofd leren, zowel alleen als onder observatie

Resultaat: mensen hadden meer herhalingen nodig om lijst te memoriseren wanneer ze werden geobserveerd, wat het belemmeringseffect toont

88
New cards

Dieronderzoek Zajonc (1969) - kakkerlakexperiment

Kakkerlakken moesten een uitweg vinden uit een doolhof in 2 condities

Bij Eenvoudige taak (recht vooruit): betere prestatie met aanwezigheid soortgenoten

Moeilijke taak (kruislabyrint met meerdere keuzes): slechtere prestatie bij observatie

Conclusie: Aanwezigheid van anderen verhoogt opwinding wat nuttig is bij eenvoudige taken maar hinderlijk bij moeilijke taken

89
New cards

De Zajonc-oplossing

3 stappen van sociale facilitatie:

  1. Arousal door aanwezigheid van anderen


90
New cards
91
New cards
92
New cards
93
New cards
94
New cards
95
New cards
96
New cards
97
New cards
98
New cards
99
New cards
100
New cards