1/104
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Beeldvorming
Start van meeste sociale interacties, bewust en onbewust. Eerste invloed beïnvloedt verdere interacties tussen mensen
Eerste indruk
Spontane reactie gebaseerd op aantal kenmerken van totaalbeeld van een persoon
Waarneming
Grote hoeveelheid prikkels wordt door brein gefilterd tot aantal patronen waar we een betekenis aan toekennen
Precept
Zintuiglijke waarneming
Concept
Uitwerking van precept
Sociale waarneming
Je vormt een precept en werkt dit vervolgens uit als concept
Visueel aspect van eerste indruk
3 grote blokken: uiterlijk, lichaamstaal en gedrag
Uiterlijk
Eerste dat wordt waargenomen, spontaan letten op geslacht, leeftijd en huidskleur
Theorie van Mehrabian
Boodschap en de manier waarop hij van de ene naar de andere wordt overgebracht, als onderdeel van waarneming, door 7 - 38 - 55 regel, enkel als boodschap ambigu is (intonatie en inhoud tegensprekend)
7 - 38 - 55 regel
Boodschap wordt 7% bepaald door woorden/inhoud, 38% door toon/intonatie en 55% door lichaamstaal
Waarneming is cultuurgebonden
Verschil door cultuur of etnische achtergrond (bv. Europeanen en Aziaten kijken verschillend naar gezichten)
Cognitieve schema’s
Menselijke, innerlijke structuren over de wijze waarop bepaalde zaken of gebeurtenissen samenhangen. Op basis van ervaring ordenen we wat we waarnemen in opvatting (bv. lint = studentenclub = fuiven,…)
Voordelen = snel reageren op prikkels, makkelijk omgaan met veel prikkels
Nadelen = Verlies accuraatheid, stereotypering
3 functies van cognitieve schema’s (Roos Vock)
Schijnwerper (zorgen voor aandacht naar juiste zaken/relevante richting)
Gatenvuller (invullen van ontbrekende informatie)
Gedragswijzer (door informatie die we zien en invullen te activeren, weten we hoe we ons moeten gedragen)
Shooter bias (cognitieve schema’s)
Fenomeen waarbij mensen sneller geneigd zijn om op ongewapende individuen van kleur te schieten dan op ongewapende blanke individuen, bij getrainde en geschoolde politieagenten geen verschil
Experiment Correll (USA)
Shooter bias voorbeeld, gesimuleerde situatie waarbij ze moesten schieten als persoon een wapen had, schutters maakte meer fouten bij ongewapende POC dan bij blanke ongewapende mensen
Negatieve stimuli (Kanouse en Hanson) (cognitieve schema’s)
Krijgen voorrang omdat ze snelle evaluatie en reactie vereisen, adaptieve waarde = bedreigingen vragen directe actie door automatische waakzaamheid
Cultuur (cognitieve schema’s)
Culturele verschillen beïnvloeden interpretatie van gedrag, wat in ene cultuur normaal is is in andere misschien ongepast
School (cognitieve schema’s)
Beïnvloedt onze denkpatronen door eenzijdig perspectief, BE = eurocentrisch en mannelijke focus
Particuliere ervaringen (cognitieve schema’s)
Persoonlijke ervaringen beïnvloeden schema’s en hoe we situaties waarnemen
Priming (cognitieve schema’s)
Verhoogt tijdelijk toegankelijkheid van bepaalde schema’s na recente gebeurtenis, beïnvloedt hoe mensen situaties en personen interpreteren
(Experiment: Groep A leerde woorden over avontuurlijkheid terwijl groep B leerde over roekeloosheid, lazen allebei een verhaal over risiconemende man. Groep A vond hem moedig en dapper, groep B vond hem onverantwoord en roekeloos)
Chronische priming (cognitieve schema’s)
Bepaalde mentale concepten, attitudes of stereotypen blijven constant geactiveerd, zelfs zonder directe externe prikkels, beïnvloedt blijvend de verwerking en reactie van informatie van persoon
Actuele gemoedstoestand (cognitieve schema’s)
Beïnvloedt hoe we informatie interpreteren en reageren, vergelijkbaar met interne priming (bvb. verliefdheid)
Persoonlijke eigenschappen (cognitieve schema’s)
Beïnvloeden welke schema’s actief worden en hoe iemand situaties waarneemt (bv. pessimisme en optimisme), aandacht verschilt
Situatie (cognitieve schema’s)
Bepaalt welke schema’s geactiveerd worden (bv. man in berenpak tijdens carnaval of begrafenis
Attributie
Toeschrijven van oorzaken aan gebeurtenissen, in sociale psychologie helpt het begrijpen hoe mensen wereld waarnemen, verklaren en reageren op anderen. Afhankelijk van verklaring van iemands gedrag ga je zelf ander gedrag vertonen
Attributietheorie
Hoe we gedrag van andere verklaren door logica van oorzaak-gevolg, veel nadruk op attributie binnen sociale perceptie (conclusie trekken zonder alle feiten te kennen)
Attributie in persoonlijke relaties
Verklaring voor gedrag beïnvloedt hoe we anderen en eigen gedrag zien
Interne attributie (attributieproces)
Gedrag toegeschreven aan persoon zelf
Externe attributie (attributieproces)
Gedrag toegeschreven aan externe factoren, Weiner = locus of control
Stabiliteit van attitude
Stabiele factoren = vaststaande oorzaken die niet veranderen
Variabele factoren = oorzaken die kunnen veranderen
4 attributiemogelijkheden van Weiner
Stabiel Intern = Persoonlijkheidstrekken, talenten, gebreken,…
Variabel Intern = Fysieke en mentale toestand, gedrag, inspanning,…
Stabiel Extern = Systemen, structuren, persoonlijkheid van anderen, gradaties
Variabel Extern = Geluk, toeval, gedrag en toestand van anderen,…
Spontane attributie
Automatisch, ongericht aannames over iemands eigenschappen (bvb. gul of slim) op basis van gedrag, beiïnvloed door onze cognitieve schema’s
Intentionele attributie
Bij doelgerichte situaties (bvb. sollicitatie) bewust oorzaken van iemands gedrag onderzoeken (bvb. persoonlijke eigenschappen/omgevingsfactoren)
Corresponderende inferentietheorie van Jones en Davis
3 variabelen voor verklaring gedrag:
Keuze = hoe meer iemands gedrag een persoonlijke keuze is, hoe sneller we intern attribueren
Situatie = hoe beter gedrag past bij situatie, hoe minder we intern attribueren
Gevolgen = hoe positiever de gevolgen, hoe minder we gedrag intern attribueren
Covariatiemodel van Kelley
Covariatiemodel met 3 variabelen, bepalen intern of extern attribueren
Consensus = hoe lager consensus (gedrag van anderen), hoe meer intern attribueren
Distinctiviteit = hoe lager distinctiviteit (gedrag in verschillende situaties), hoe meer intern attribueren
Consistentie = hoe hoger consistentie (gedrag over tijd), hoe meer intern attribueren
Voldoende info nodig over de 3, mits ontbrekende informatie is model van Jones en Davis een minder nauwkeurige maar bruikbare optie
Persoonsattributie volgens covariatiemodel
Consensus laag, distinctiviteit laag, consistentie hoog
Situationele attributie volgens covariatiemodel
Consensus hoog, distinctiviteit hoog, consistentie hoog
Combinatie van persoon en situatie attributie volgens covariatiemodel
Consensus laag, distinctiviteit hoog, consistentie hoog
Omstandigheden of toeval attributie volgens covariatiemodel
Consensus laag, distinctiviteit hoog, consistentie laag
Fundamentele attributiefout
Neiging om iemands gedrag toe te schrijven aan diens persoonlijkheid (bvb. iemand met vreemde kleren is “raar”), gebeurt vaak automatisch en kan gecorrigeerd worden door objectief nadenken
Actor-observator-attributiefout
Eigen gedrag extern attribueren (door externe factoren zoals vermoeidheid) om ons zelfbeeld te beschermen, terwijl we gedrag van anderen intern attribueren (bvb. iemand die snel zijn geduld verliest) zonder veel info over situatie
Situationele correctie
Als we iemands gedrag toeschrijven aan externe factoren zoals situatie
Experiment: studenten beoordelen zenuwachtigheid van vrouw anders afhankelijk van onderwerp van het interview, toont hoe situatie gedrag beïnvloedt
Oefening fundamentele attributiefout vermijden = jezelf afvragen wat jij in zelfde situatie zou gedaan hebben
Impliciete persoonlijkheidstheorieën
Mechanisme dat ons toelaat snel een indruk te vormen over een persoon op basis van beperkte informatie dat we hebben over zijn persoon of gedrag, in denken over personen denken we in clusters van persoonseigenschappen, vaak onjuist en kunnen objectieve waarneming belemmeren
Halo-effect
Positieve eigenschappen van persoon leiden tot totaal positieve indruk waarbij positieve kenmerken naar andere eigenschappen worden doorgetrokken
Horn-effect
Negatieve eigenschap leidt tot negatieve beoordeling van de persoon
Experiment Harold Kelley
Over Halo en Horn effecten, studenten gaven totaal andere indruk van gastdocent afhankelijk van of hij als warm of koud werd beschreven. Warm leidt tot positieve indruk, koud als negatief
Centrale eigenschappen
Komen vooral voor op sociale dimensie en bekwaamheidsdimensie
Sociale dimensie = eigenschappen zoals warm of eerlijk bepaalt hoe sociaal en betrouwbaar iemand gezien wordt, negatieve eigenschappen hebben een sterker effect dan positieve = negativiteitseffect
Bekwaamheidsdimensie = eigenschappen zoals slim beïnvloeden hoe capabel iemand wordt geacht, het omgekeerde van sociale, positieve eigenschap heeft meer invloed dan negatieve = positiviteitseffect
Primacy-effect
Bevinding dat informatie die het eerst in een reeks voorkomt, een grotere impact heeft op onze indruk dan later gepresenteerde informatie
Oorzaak: komt voor bij trage informatiestroom of lange perioden tussen informatie en beoordeling (Bvb. Studenten die op eind van cursus actief participeren laten positievere indruk achter bij docent)
Toepassing: belangrijk bij examens, slotpleidooien in strafzaken en situaties waarin oordeel later gevormd wordt
Gelijk-aan-mij-effect
We vinden mensen die op ons lijken positiever dan mensen die verschillen, gevolg is dat we in groep onbewust zoeken naar gelijkgestemden, gebaseerd op 1 gedeelde eigenschap
Similarity-attraction effect
Mensen voelen zich aangetrokken tot anderen die fysiek op hen lijken
Projectie
Psychologisch mechanisme waarbij iemand eigen emoties of eigenschappen ontkent en toeschrijft aan anderen
Schaduw (Carl Jung) = onbewust vaak negatieve aspecten van onszelf die we op anderen projecteren om innerlijke conflicten te vermijden
Sociale psychologie: we herkennen eigen eigenschappen of emoties in anderen, wat kan leiden tot verkeerde interpretaties
Verschil met empathie: empathie is inleving in gevoelens van anderen vanuit hun perspectief, projectie is anderen zien door eigen emoties en gedachten
Selffulfilling prophecy
Verwachtingen die gedrag beïnvloeden waardoor ze werkelijkheid worden
Driestappenproces: Eerst verwachting over persoon, dan gedrag in lijn met verwachting, dan uitkomst van verwachting door gedrag
Bewustzijn helpt, mensen met kennis over oordeelsvorming en statistiek oordelen objectiever
Experiment Rosenthal en Jacobson (Selfulfilling prophecy)
Leerkrachten beïnvloeden studenten op basis van verwachtingen, wat leidt tot betere/slechtere resultaten
Pygmalion-effect (Selffulfilling prophecy)
Hoge verwachtingen leiden tot betere prestaties
Golem-effect (Selfulfilling prophecy)
Lagere verwachtingen leiden tot slechtere prestaties
Quick & Dirty-methode (Selfulfilling prophecy)
Bij oppervlakkige contacten vormen we snelle, intuïtieve oordelen, bij belangrijke relaties doen we meer moeite
Sociale categorisering
Mensen categoriseren informatie om complexe omgeving overzichtelijk te maken, gebeurt van kinds af aan en komt voort uit menselijke behoefte om orde te scheppen. Dit plaatst mensen in groepen zoals geslacht, nationaliteit,…
Problemen en effecten van sociale categorisering
Vaak binair en kan machtsverschillen versterken, assimilatie-effect en contrast-effect komen voor. Ook chronische priming (voortdurende blootstelling aan bepaalde sociale categorieën beïnvloedt onbewust toekomstige oordelen en gedragingen, leidt tot automatische activering van stereotypen en bevooroordeelde beslissingen)
Assimilatie-effect
Verschillen binnen een categorie worden kleiner, terwijl verschillen tussen categorieën toenemen. Bij experiment van Nelson duidelijk, deelnemers schatten lengte van mannen groter dan die van vrouwen ookal zijn ze even groot. Krueger en Clement onderzoek is hetzelfde maar qua temperatuurverschillen. Definitie van Vonk en Hoorens = assimilatie = oordelen verschuiving richting een bestaand concept
Contrast-effect
Verschillen tussen categorieën worden uitvergroot. Definitie Vonk en Hoorens: Contrast = oordelen verschuiven in tegenovergestelde richting
Zelfcategorisering
Zelf deel uitmaken van categorieën
Multicollectiviteit
Iedereen behoort tot meerdere groepen met eigen cultuur, bij sociale categorisering plaatsen we onszelf ook in groepen (bvb. man, vrouw, jong,…)
In-groups
Groepen waartoe we behoren = positieve gevoelens, gedeelde waarden en normen
Out-groups
Groepen waar we niet toe behoren = minder positieve gevoelens, soms vooroordelen of discriminatie
Niveaus van zelfcategorisering
Individueel niveau = unieke kenmerken van een persoon
Sociaal niveau = gedeelde kenmerken binnen een groep
Sociale identiteit beïnvloedt gedrag t.o.v. in-group en out-group
In- en out-group principes
Mensen willen deel uitmaken van positieve groep voor versterking zelfbeeld, leidt soms tot bevoordeling van eigen groep en negatieve beoordelingen naar out-groups
Ford en Tonader experiment over groepsdynamiek
Studenten kregen beschrijving van 2 groepen (X = slim, Y = vriendelijk), studenten benadrukten vooral positieve kenmerken van eigen groep en minimaliseerden de kwaliteiten van de andere
Tajfel - minimale groepssituatie, experiment over groepsdynamiek
Willekeurige groepsindeling, mensen gaven liever minder geld aan eigen groep zolang verschil met andere groep groter bleef. Conclusie: mensen willen niet alleen winnen maar vooral beter zijn dan de out-group = in-group bias
Gevolgen/kenmerken van in-group bias
Positieve beoordeling (eigen groepsleden als beter gezien), bevoordeling (meer hulp enzo voor eigen groep), sterkere groepscohesie (meer samenwerking en solidariteit binnen groep), vooroordelen en discriminatie (negatieve ideeën over out-groups kunnen leiden tot onrechtvaardige behandeling)
Houding tegenover in-group
Mensen profiteren van positief imago van groep en geven ook terug, bevoordelen leden van eigen groep in woord en daad, vooral bij sterke verbondenheid. Evolutionaire verklaring = bevoordeling van eigen groep vergroot overlevingskansen
Attributie in houding tegenover in-group
Positief gedrag van in-group = interne attributie (talent)
Negatief gedrag van in-group = externe attributie (pech of fout van anderen)
Houding tegenover out-group
Bevoordelen eigen groep is niet automatisch benadelen out-group, bij minimale groepsvorming bevoordelen mensen de in-group, maar benadelen de out-group niet actief. Bij sterke groepsidentificatie of bedreiging (sociale identiteit,…) treedt afwijzing van out-group op
Out-group homogeniteitseffect
Mensen zien leden van out-group als meer op elkaar lijkend dan leden van de in-group (bvb. mensen van andere etniciteit lijken fysiek homogener dan eigen groep)
Experiment Plats & Hosh
Winkeliers herkenden klanten met zelfde etniciteit beter dan klanten met andere etniciteit, toont aan dat mensen out-group in uniforme categorie plaatsen, zonder nuances
Wij-Zij denken
Ook binnen eigen gemeenschap, negeert diversiteit binnen groep
Stereotypering
Toeschrijven van simplistische, overgeneraliserende kenmerken aan een groep die vaak gebaseerd zijn op een kern van waarheid maar uitvergroot en vertekend, kan zowel negatief als schijnbaar positief aangenomen worden. Wordt versterkt door media, politiek en geschiedenis
Discriminatie
Wanneer een kenmerk tegen iemand gebruikt wordt in een situatie waarin het niet relevant zou moeten zijn (privilege = omgekeerde), uit zich ook in stereotype-threat: de angst om negatief stereotype te bevestigen kan prestaties negatief beïnvloeden
Onderzoek Steele & Aronson (Discriminatie)
Afro-Amerikaanse studenten presteerden slechter als hen werd verteld dat de test intelligentie meet
5 stappen van tegengif op discriminatie
Gedrag sturen (Experiment Macrea & Wagner)
Bewustwording (vooroordelen herkennen en kritisch bekijken)
Intens contact (interactie met diverse groepen kan helpen maar moet roldoorbrekend zijn en voldoende mensen hebben)
Vriendschap en samenwerking (hechte relaties verminderen stereotypen)
Alternatieve verhalen (bewust zoeken naar diverse perspectieven helpt dominante denkbeelden)
Experiment Macrea & Wegner
Proefpersonen schreven over een skinhead, sommigen mochten hun vooroordelen niet uiten, groep die zich moest inhouden ging later fysiek verder van de skinhead zitten. Boemerangeffect: onderdrukte gedachten komen later sterker terug
Individuatie
Wanneer we iemand als individu bekijken, verliezen stereotypen hun invloed maar vraagt bewust aandacht en inspanning, beïnvloedende factoren zijn onze positie en belangen die bepalen hoeveel tijd en moeite we investeren in accuraat beeld van iemand
Voorwaarden voor individuatie
Kunnen (voldoende cognitieve ruimte en tijd zijn om bewust te denken over iemand) en willen (motivatie is essentieel, doen het vooral als iemand belangrijk is voor ons)
Sociale facilitatie
Fenomeen waarbij aanwezigheid van anderen invloed heeft op individuele prestaties, zowel positief (verbeterde prestaties bij eenvoudige of goed geoefende taken) als negatief (sociale inhibitie, verslechterde prestaties bij moeilijke of nieuwe taken)
Triplett (1898) over Sociale facilitatie
Wielrenners en hengelspoel-experimenten tonen aan dat mensen beter presteren in aanwezigheid van andere
Competitiedrang-hypothese (sociale facilitatie)
In eerste instantie dacht men dat het werd veroorzaakt door competitie, maar experimenten toonden aan dat aanwezigheid van passief publiek ook prestaties kon verbeteren
Ader en Tatum schokexperiment en het sociaal belemmeringseffect
Proefpersonen kregen elektroe aan de kuit en zaten in een lokaal met rode knop op tafel, om de 10 seconden werd elektrische schok toegediend, maar kon uitgesteld worden door knop in te drukken (moesten ze zelf ontdekken), beide alleen en met 2 in 1 ruimte gedaan.
Resultaat: Proefpersoon in alleenconditie leerden sneller om de schokken te vermijden dan in samenconditie, aanwezigheid van anderen vertraagde het leerproces
Pessin (1933) woordenlijst-experiment
Proefpersonen moesten betekenisloze woorden uit het hoofd leren, zowel alleen als onder observatie
Resultaat: mensen hadden meer herhalingen nodig om lijst te memoriseren wanneer ze werden geobserveerd, wat het belemmeringseffect toont
Dieronderzoek Zajonc (1969) - kakkerlakexperiment
Kakkerlakken moesten een uitweg vinden uit een doolhof in 2 condities
Bij Eenvoudige taak (recht vooruit): betere prestatie met aanwezigheid soortgenoten
Moeilijke taak (kruislabyrint met meerdere keuzes): slechtere prestatie bij observatie
Conclusie: Aanwezigheid van anderen verhoogt opwinding wat nuttig is bij eenvoudige taken maar hinderlijk bij moeilijke taken
De Zajonc-oplossing
3 stappen van sociale facilitatie:
Arousal door aanwezigheid van anderen