Hoofdstuk 4. Cognitieve benadering van psychopathologie - Ankikaartjes
0.0(0)
Studied by 0 people
Call Kai
Learn
Practice Test
Spaced Repetition
Match
Flashcards
Knowt Play
Card Sorting
1/81
There's no tags or description
Looks like no tags are added yet.
Last updated 10:05 AM on 8/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
82 Terms
1
New cards
Wat is cognitieve psychologie?
Een stroming die psychische verschijnselen bestudeert met modellen waarin informatieverwerking centraal staat. Zij onderzoekt mentale processen zoals waarneming, interpretatie, geheugen, denken, emoties, motieven, gedrag en lichamelijke gewaarwordingen.
2
New cards
Wat is informatieverwerking?
De processen die betrokken zijn bij verwerving, opslag en reproductie van kennis. De tekst onderscheidt drie aspecten: waarneming, verwerking en geheugen.
3
New cards
Wat is een schema?
Een georganiseerde structuur van samenhangende kenniselementen over de wereld, de persoon zelf en de interactie tussen persoon en buitenwereld. Schema’s sturen selectie, interpretatie, transformatie en herinnering.
4
New cards
Wat is bias?
Een vertekening in informatieverwerking waarbij bepaalde informatie eenzijdig aandacht, interpretatie of herinnering krijgt. Bias kan bijdragen aan psychopathologie.
5
New cards
Wat is impliciete kennis?
Kennis die wel aanwezig is en wordt gebruikt in vaardigheden of dagelijks functioneren, maar die iemand meestal niet goed in woorden kan benoemen.
6
New cards
Wat is expliciete kennis?
Kennis die iemand bewust kan benoemen en in woorden kan beschrijven.
7
New cards
Wat is automatische informatieverwerking?
Snelle, parallelle en grotendeels onbewuste verwerking van voorspelbare informatie met grote capaciteit.
8
New cards
Wat is gecontroleerde informatieverwerking?
Bewuste, aandachtvragende en seriële verwerking van onverwachte of onbekende informatie, beperkt door de capaciteit van het werkgeheugen.
9
New cards
Wat is aandachtsbias?
Een vertekening waarbij de aandacht zich selectief richt op bepaalde aspecten van informatie. Bij angststoornissen betreft dit vaak bedreigende of stoornisspecifieke stimuli.
10
New cards
Wat is selectieve interpretatie?
Het interpreteren van informatie op een manier die bestaande schema’s bevestigt, waardoor ambigue informatie negatief of bedreigend kan worden uitgelegd.
11
New cards
Wat is geheugenbias?
Een vertekening waarbij vooral herinneringen toegankelijk zijn die passen bij geactiveerde schema’s. Dit is vooral kenmerkend voor depressie.
12
New cards
Wat is de gecombineerde-cognitieve-biashypothese?
De aanname dat de combinatie van meerdere vertekeningen, zoals aandacht, interpretatie en geheugen, meer invloed heeft op psychopathologie dan elke bias afzonderlijk.
13
New cards
Een patiënt met paniekstoornis ziet hartkloppingen direct als teken van een hartaanval. Welk cognitief proces herken je?
Selectieve interpretatie van stoornisspecifieke lichamelijke sensaties, passend bij een gevaarschema.
14
New cards
Een sociaal angstige patiënt ziet een frons vooral als afkeuring. Welk schema is actief?
Een schema rond negatieve sociale evaluatie. Ambigue sociale signalen worden negatief geïnterpreteerd.
15
New cards
Iemand met depressie komt bij het woord ‘reis’ niet met een concrete herinnering, maar met een algemene negatieve uitspraak. Welk fenomeen is dit?
Geheugenbias met globaal-evaluatieve herinneringen, kenmerkend voor depressie.
16
New cards
Een angstpatiënt merkt bedreigende woorden op, ook als die heel kort worden aangeboden en gemaskeerd. Welk proces is dit?
Initiële aandachtsbias voor bedreigende stimuli.
17
New cards
Een depressieve patiënt blijft hangen bij negatieve informatie zodra de aandacht daarop is gericht. Wat herken je?
Moeite om zich los te maken van negatieve informatie; bij depressie is dit belangrijker dan een initiële aandachtsbias.
18
New cards
Een persoon ziet alleen voorbeelden die zijn vooroordeel bevestigen en mist tegenvoorbeelden. Welk mechanisme houdt het schema in stand?
Selectiebias in de waarneming.
19
New cards
Iemand redeneert: ‘Dat is de uitzondering die de regel bevestigt.’ Welk instandhoudingsmechanisme herken je?
Selectieve interpretatie: tegenstrijdige informatie wordt zo uitgelegd dat het bestaande schema behouden blijft.
20
New cards
Een kind ziet zichzelf als oorzaak van het overlijden van een ouder. Welk ontwikkelingsaspect speelt mee?
Egocentrisch perspectief bij het ontstaan van schema’s.
21
New cards
Vergelijk impliciete kennis en expliciete kennis.
Impliciete kennis is aanwezig en bruikbaar, maar moeilijk te verwoorden. Expliciete kennis kan bewust worden benoemd en beschreven. Het verschil gaat over de verwoordbaarheid van kennis.
22
New cards
Vergelijk impliciete/expliciete kennis met automatische/gecontroleerde informatieverwerking.
Impliciete en expliciete kennis gaan over de statische aanwezigheid van kennis. Automatische en gecontroleerde verwerking gaan over processen waarin informatie wordt verwerkt.
23
New cards
Vergelijk automatische en gecontroleerde informatieverwerking.
Automatische verwerking is snel, parallel, grotendeels onbewust en geschikt voor voorspelbare informatie. Gecontroleerde verwerking is bewust, serieel, aandachtvragend en beperkt door het werkgeheugen.
24
New cards
Vergelijk assimilatie en accommodatie.
Bij assimilatie wordt nieuwe informatie vervormd zodat zij in het bestaande schema past. Bij accommodatie wordt het schema zelf aangepast aan nieuwe informatie.
25
New cards
Vergelijk aandachtsbias bij angst en geheugenbias bij depressie.
Angst is toekomstgericht en wordt gekenmerkt door snelle detectie van gevaar via aandachtsbias. Depressie is gericht op verlies en verleden en wordt gekenmerkt door geheugenbias voor negatieve, globaal-evaluatieve herinneringen.
26
New cards
Vergelijk Beck en Ellis.
Beiden zagen irrationele of onlogische ideeën als belangrijk bij neurotische psychopathologie. Ellis benadrukte universele irrationele opvattingen; Beck koppelde specifieke stoornissen aan specifieke cognitieve schema’s en had meer invloed op empirisch onderzoek.
27
New cards
Vergelijk beschikbaarheidsheuristiek en representativiteitsheuristiek.
Bij beschikbaarheid baseert iemand zich op voorbeelden die gemakkelijk beschikbaar zijn in herinnering of fantasie. Bij representativiteit kiest iemand een oorzaak omdat het verschijnsel typisch lijkt voor die oorzaak.
28
New cards
Vergelijk cognitieve therapie en cognitieve gedragstherapie.
Cognitieve therapie richt zich op disfunctionele informatieverwerking en schema’s. Cognitieve gedragstherapie integreert dit met gedragsverandering, bijvoorbeeld via gedragsexperimenten en vermindering van vermijding of veiligheidsgedrag.
29
New cards
Casus: iemand hoort ’s nachts een geluid, merkt daarna dat het stil is, en denkt vooral aan een inbreker. Welke bias speelt waarschijnlijk?
Selectieve interpretatie: ambigue informatie wordt bedreigend geïnterpreteerd.
30
New cards
Casus: een angstpatiënt beëindigt sneller de presentatie van bedreigende woorden dan neutrale woorden. Wat laat dit zien?
Snellere ontsnapping aan bedreigende stimuli na initiële aandachtsbias; dit kan vermijding en instandhouding van angst verklaren.
31
New cards
Casus: iemand met sociale angst laat een stilte vallen en denkt dat de ander hem zwak, dom, raar of onaardig vindt. Wat is de kern?
Negatieve sociale evaluatie binnen het schema van sociale angst. De ernst van het negatieve oordeel is belangrijk voor behandelsucces.
32
New cards
Casus: iemand met paniekklachten voelt derealisatie en denkt dat hij ‘gek wordt’. Wat is de cognitieve verklaring?
Een overactief paniekschema waarin lichamelijke en perceptuele sensaties catastrofaal worden geïnterpreteerd als signalen van een onmiddellijke persoonlijke ramp.
33
New cards
Casus: iemand met een vooroordeel zoekt bepaalde mensen niet op en leert daardoor niet dat ze vriendelijk kunnen zijn. Welk mechanisme is dit?
Gedrag naar verwachting waardoor schema-tegensprekende ervaringen niet ontstaan.
34
New cards
Casus: een depressieve patiënt verwacht afgewezen te worden, let vooral op mensen die wegkijken, interpreteert ambigue situaties negatief en onthoudt vooral negatieve interacties. Welk concept past hierbij?
De gecombineerde-cognitieve-biashypothese: aandacht, interpretatie en geheugen werken samen en verdiepen of onderhouden depressie.
35
New cards
Casus: een therapeut laat een cliënt met angst veiligheidsgedrag achterwege laten om te toetsen of de gevreesde ramp uitblijft. Welke interventie is dit?
Een gedragsexperiment binnen cognitieve gedragstherapie, gericht op toetsing en verandering van disfunctionele cognities.
36
New cards
Casus: een patiënt met paniek denkt eerst aan hartaanval en niet aan vermoeidheid of verliefdheid als verklaring voor hartkloppingen. Welke heuristiek speelt mee?
Beschikbaarheidsheuristiek: bedreigende verklaringen zijn het meest beschikbaar in herinnering of fantasie.
37
New cards
Valkuil: impliciete kennis gelijkstellen aan psychoanalytisch onbewuste driften. Wat is correct?
In de cognitieve psychologie gaat impliciete kennis over kennis die moeilijk te verwoorden is. Het gaat niet om verdrongen driften of emoties en er wordt geen motivationele reden verondersteld.
38
New cards
Valkuil: denken dat angst vooral door geheugenbias wordt gekenmerkt. Wat is correct?
Angststoornissen worden vooral gekenmerkt door aandachtsbias voor bedreiging en interpretatie van gevaar. Geheugenbias kan optreden wanneer angst voldoende is geactiveerd.
39
New cards
Valkuil: denken dat depressie vooral een initiële aandachtsbias heeft. Wat is correct?
Bij depressie lijkt minder sprake van initiële aandachtsbias; depressieve patiënten hebben vooral moeite zich los te maken van negatieve informatie en vertonen geheugenbias voor negatieve herinneringen.
40
New cards
Valkuil: selectieve interpretatie verwarren met aandachtsbias. Wat is het verschil?
Aandachtsbias gaat over waar de aandacht naartoe gaat. Selectieve interpretatie gaat over welke betekenis aan informatie wordt gegeven.
41
New cards
Valkuil: assimilatie en accommodatie omdraaien. Hoe onthoud je het?
Assimilatie: informatie wordt aangepast aan het schema. Accommodatie: het schema wordt aangepast aan de informatie.
42
New cards
Valkuil: cognitieve therapie zien als alleen positief denken. Wat is correct?
Cognitieve therapie maakt automatische selectie en interpretatie bewust en toetst cognities kritisch aan de empirische werkelijkheid, met vaak schema verandering als doel.
43
New cards
Valkuil: denken dat schema’s alleen talig zijn. Wat is correct?
Schema’s bevatten talige kennis, maar ook visuele informatie, handelingen en lichamelijke sensaties.
44
New cards
Valkuil: denken dat computertrainingen voor bias al duidelijk bewezen sterk effectief zijn. Wat zegt de tekst?
De effecten zijn onderwerp van debat; effecten lijken vaak zwak en minder sterk dan gehoopt. Vooralsnog heeft focus op onderliggende schema’s de grootste meerwaarde.
45
New cards
Welke twee grondleggers publiceerden in de jaren zestig cognitieve boeken over neurotische problematiek?
Albert Ellis en Aaron Beck.
46
New cards
Waarin verschilde Beck van Ellis?
Ellis benadrukte universele irrationele opvattingen voor neurotische psychopathologie; Beck veronderstelde specifieke cognitieve kenmerken per stoornis.
47
New cards
Welke stoornissen of problemen noemt de tekst als gebieden waarvoor Beck en medewerkers cognitieve therapieën ontwierpen?
Depressie, angststoornissen, relatieproblemen, verslaving en persoonlijkheidsstoornissen.
48
New cards
Wat droeg Meichenbaum bij?
Hij benadrukte zelfspraak: gedrag wordt gestuurd door interne spraak. Negatieve zelfspraak kan worden vervangen door adequate positieve zelfspraak en zelfinstructies.
49
New cards
Wat droeg Seligman bij?
Hij formuleerde een theorie waarin attributies, dus oorzakelijke verklaringen voor belangrijke gebeurtenissen, een rol spelen bij het ontstaan van depressie.
50
New cards
Wat droeg Lazarus bij?
Hij introduceerde de stress-copingtheorie met primary appraisal en secondary appraisal.
51
New cards
Wat is primary appraisal?
De eerste inschatting van de mate waarin een potentiële stressfactor bedreigend is.
52
New cards
Wat is secondary appraisal?
De beoordeling van de mogelijkheden om de bedreiging succesvol het hoofd te bieden.
53
New cards
Welke drie aspecten van informatieverwerking onderscheidt de tekst?
Waarneming, verwerking en geheugen.
54
New cards
Welke geheugen-capaciteit noemt de tekst voor het werkgeheugen?
Waarschijnlijk vijf tot zeven kenniselementen of chunks tegelijk.
55
New cards
Waarom zijn schema’s functioneel?
Ze organiseren informatie, maken selectie mogelijk, comprimeren informatie en helpen bij interpretatie en betekenisverlening.
56
New cards
Waarom kunnen schema’s problematisch worden?
Omdat vertekeningen in selectie, interpretatie en herinnering zich kunnen versterken en kunnen bijdragen aan psychische stoornissen.
57
New cards
Welke vier mechanismen houden schema’s of vooroordelen in stand?
Selectiebias, interpretatiebias, gedrag naar verwachting waardoor tegenbewijs niet ontstaat, en geheugenbias voor schema-bevestigende informatie.
58
New cards
Welke factoren vergemakkelijken verandering van schema’s?
Beschikbaarheid van een alternatief schema en persoonlijke, emotionele disconfirmerende ervaringen.
59
New cards
Welke nuance geeft de tekst over verandering van schema’s?
Het is niet altijd duidelijk of het oude schema wordt vervangen of naast een nieuw schema blijft bestaan; sommige cognitief psychologen denken dat het oorspronkelijke schema aanwezig blijft.
60
New cards
Wat is de cognitieve triade volgens Beck?
Negatieve gedachten over zichzelf, anderen of de wereld, en de toekomst: eigen waardeloosheid en schuld, een liefdeloze of onrechtvaardige wereld en hopeloosheid over de toekomst.
61
New cards
Welke schema-inhoud staat volgens Beck centraal bij manische stoornissen?
Overoptimistische ideeën over eigenwaarde en voortdurende winstmogelijkheden.
62
New cards
Welke schema-inhoud staat volgens Beck centraal bij agressieproblematiek?
Ideeën over schending van regels.
63
New cards
Wat zijn gevaarschema’s?
Schema’s met een hoge verwachting van gevaar en een lage verwachting van eigen mogelijkheden om het gevaar het hoofd te bieden.
64
New cards
Waarom past aandachtsbias vooral bij angst?
Angst is toekomstgericht en draait om gevaar; snelle detectie van bedreiging maakt ontsnappen en vermijden mogelijk.
65
New cards
Waarom past geheugenbias vooral bij depressie?
Depressie draait om verlies en verleden; negatieve, sombere en globaal-evaluatieve herinneringen worden gemakkelijker opgehaald.
66
New cards
Wat zegt de tekst over betrouwbaarheid van computertaken voor aandachtsbias?
De betrouwbaarheid is discutabel, omdat de gemeten mate van aandachtsbias bij dezelfde patiënten fluctueert en niet stabiel is over tijd.
67
New cards
Wat concludeerden MacLeod en collega’s over aandachtsbias?
Op basis van experimenteel onderzoek dat aandachtsbias tot negatieve stemming en angst kan leiden.
68
New cards
Wat zegt de tekst over computertrainingen voor aandachtsbias?
Eerste studies lieten effecten zien die vergelijkbaar konden zijn met reguliere cognitieve behandeling, maar de effecten zijn onderwerp van debat en lijken minder sterk dan gehoopt.
69
New cards
Wat zegt de tekst over interpretatiebiastrainingen?
De effecten worden niet altijd bevestigd, maar lijken sterker dan bij aandachtsbiastrainingen.
70
New cards
Welke factoren bepalen hoeveel gewicht iemand aan een interpretatie geeft volgens Nisbett en Ross?
Beschikbaarheid van voorbeelden, levendigheid, saillantie en compleetheid van de interpretatie.
71
New cards
Welke rol speelt emotionele toestand in informatieverwerking?
Emotionele toestand beïnvloedt informatieverwerking, schema-activering en daarmee de beschikbaarheid van informatie in herinnering en fantasie.
72
New cards
Waarom proberen angstpatiënten negatieve herinneringen mogelijk te vermijden?
Omdat zij niet alleen gedragsmatig gevreesde stimuli vermijden, maar ook proberen er niet aan te denken, waardoor angstschema’s niet volledig worden geactiveerd.
73
New cards
Wat is het uiteindelijke doel van cognitieve therapie volgens de tekst?
Meestal verandering op het niveau van schema’s door automatische selectie en interpretatie bewust te maken en kritisch aan de werkelijkheid te toetsen.
74
New cards
Welke drie factoren droegen volgens Korrelboom en Ten Broeke bij aan integratie van cognitieve therapie en gedragstherapie?
Klinische praktijk, theoretische ontwikkelingen over cognities en gedrag, en effectonderzoek.
75
New cards
Waarom zijn gedragsexperimenten cognitief relevant?
Ze gebruiken gedragsverandering om disfunctionele cognities te toetsen en te veranderen, bijvoorbeeld door minder vermijding en veiligheidsgedrag.
76
New cards
Wat betekent dat schema’s functioneren als een zeef en interpretatieraamwerk?
Schema’s selecteren welke informatie aandacht krijgt en geven betekenis aan informatie door deze aan te vullen vanuit bestaande kennis. Daardoor maken schema’s informatieverwerking efficiënt, maar kunnen ze ook vertekeningen veroorzaken.
77
New cards
Waarom zijn voorbeelden van angst en depressie dominant in dit hoofdstuk?
Omdat angststoornissen en depressie het vaakst onderwerp zijn geweest van cognitief-psychologisch onderzoek en tot de meest voorkomende vormen van psychopathologie behoren.
78
New cards
Welke specifieke sensaties kunnen bij paniekstoornis catastrofaal worden geïnterpreteerd?
Hartkloppingen en pijn op de borst kunnen worden gezien als aanwijzing voor een hartaanval; duizeligheid en kortademigheid als teken van flauwvallen; concentratieproblemen, derealisatie en depersonalisatie als teken van ‘gek worden’ of een naderende catastrofe.
79
New cards
Welke twee extra kenmerken noemt de tekst bij sociale angst naast negatieve interpretatie van sociale signalen?
Mensen met sociale angst overschatten hoe ernstig negatieve sociale oordelen zouden zijn en onderschatten hun sociale prestaties of hun vermogen om aan sociale standaarden te voldoen.
80
New cards
Waarom kan vermijding bij angst een instandhoudende factor zijn?
Door bedreigende stimuli of gedachten te vermijden, kan iemand niet toetsen of de dreiging werkelijk terecht is. Daardoor blijft het gevaarschema intact.
81
New cards
Wat is de kernnuance over cognitieve biastrainingen?
Computertrainingen om cognitieve vertekeningen te verminderen laten wel effecten zien, maar die zijn vaak zwak en onderwerp van debat. Volgens de tekst lijkt verandering van onderliggende schema’s vooralsnog meerwaarde te hebben boven uitsluitend trainen van afzonderlijke biases.
82
New cards
Wat is de 9+-kern van dit hoofdstuk?
Psychopathologie wordt cognitief verklaard vanuit stoornisspecifieke schema-inhoud en vertekeningen in informatieverwerking, vooral aandacht, interpretatie en geheugen. Behandeling richt zich op bewustwording, toetsing en verandering van schema’s.