1/22
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
verouderde indeling
animalia; heterotroof
plantae; autotroof
later ook; protista = Ă©Ă©ncelligen
pro- vs eukaryoot
prokaryoot
geen afgelijnde kern
eukaryoot
afgelijnde kern
5 rijken v. Whittaker; verouderd
Monera (prokaryote Ă©Ă©ncelligen)
Protista (eukaryote Ă©Ă©ncelligen muv gisten)
Fungi (die ook de gisten omvatten)
Plantae
Animalia
3 domeinen
Bacteria
Eubacteria
Archaea
Archaebacteria
Eukarya
Protista, Fungi, Plantae en Animalia
‎
geen officieel aanvaard systematisch niveau; rijken wel
samenvatting — 3 domeinen
merk op; Archaea hebben histonen = kerneiwitten
systematiek
studie verscheidenheid v. organismen, verwantschappen tss organismen en reconstructie v/h ontstaan van deze verscheidenheid
omvat taxonomie en fylogenie
taxonomie
beschrijven, benoemen en classificeren v. organismen
fylogenie
bestuderen v. evolutieve verwantschappen tussen organismen
cladistiek
indelen van organismen in clades
clade = groep van organismen die afstammen van een gemeenschappelijke voorouder
monofyletische clade
eenzelfde gemeenschappelijke voorouder
bevat alle taxa die uit die gemeenschappelijke voorouder zijn ontstaan, met die voorouder inbegrepen
parafyletische clade
eenzelfde gemeenschappelijke voorouder
niet alle taxa die uit die voorouder zijn ontstaan maken deel uit v/d clade
polyfyletische clade
taxa samen zonder dat hun laatste gemeenschappelijke voorouder deel uitmaakt v/d clade
naamgeving
binominale nomenclatuur
Genus + soortepitheton
genus ≠geslacht !!
vb. Asterias rubens Linnaeus, 1758
basioniem
oorspronkelijke soortnaam
clades kunnen we definiëren adhv
2 soorten kenmerken
plesiomorf
apomorf
plesiomorf kenmerk
kenmerk die niet nieuw is voor een bepaalde soort of een bepaald taxon; voorouderlijk kenmerk
apomorf kenmerk
kenmerk die nieuw is voor een bepaalde soort of een bepaald taxon
autapomorfe = kenmerk komt slechts bij Ă©Ă©n evolutieve lijn voor
synapomorfe = kenmerk komt voor in groep van taxa Ă©n hun laatste gemeenschappelijke voorouder; bij monofyletische clade (hoeft niet in elke taxa voor te komen)
homoloog kenmerk
gelijkaardige structuren uit een gezamenlijke verwantschap voortvloeien
vb. voorste extremiteiten van vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren
analoog kenmerk
gelijkaardige kenmerken/structuren niet het gevolg zijn van een gemeenschappelijke oorsprong maar van convergente evolutie
convergente evolutie = homoplasie
‎
vb. beenderstructuur vleugels van vogels en vleermuizen = homoloog kenmerk; vleugels als structuren die vogels en vleermuizen in staat stellen te vliegen hebben geen gemeenschappelijke oorsprong = analoog kenmerk
fylogenetische boom
geeft vermoedelijke verwantschappen / evolutieve verbanden tussen taxa weer
dichotomieën = evolutieve lijn splitst op + geeft aanleiding tot twee afzonderlijk evoluerende lijnen
zustertaxa = twee evolutieve lijnen die uit eenzelfde voorouder ontstaan
polytomie
in tegenstelling tot dichotomie; er zijn meerdere afzonderlijke evoluerende lijnen ontstaan
oorzaak; we kennen precieze volgorde v/h ontstaan v/d evolutieve lijnen niet en dus ook niet v. hun precieze verwantschappen
cladogram
geeft structuur van de evolutieve verwantschappen weer
fylogram
geeft structuur van de evolutieve verwantschappen weer + mate waarin taxa van elkaar gedifferentieerd zijn (adhv verschillende taklengtes)