Thematische woordenschat Italiaans, 14.2 (Openbaar bestuur)

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/83

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

84 Terms

1
New cards

l'amministrazione

het (dagelijks) beheer, het bestuur

2
New cards

amministrativo, amministrativa

overheids-, bestuurlijk, ambtelijk

3
New cards

l'amministratore, l'amministratrice

de bestuurder, de beheerder

4
New cards

amministrare

besturen, beheren

5
New cards

l'organizzazione

de organisatie

6
New cards

l'istituzione

de instelling, de oprichting

7
New cards

l'ente

de instelling

8
New cards

gli enti pubblici

de openbare instellingen

9
New cards

l'associazione

de vereniging, het genootschap

10
New cards

il membro

het lid

11
New cards

i servizi

de diensten, de dienstverlening

12
New cards

l'assistenza sociale

het maatschappelijk werk, de sociale dienst

13
New cards

I servizi dell'assistenza sociale sono organizzati molto bene.

De dienstverlening van de sociale dienst is heel goed georganiseerd.

14
New cards

la burocrazia

de bureaucratie

15
New cards

il municipio

het gemeentehuis, het stadhuis

16
New cards

l'ufficio

het kantoor, het bureau, de taak, het ambt

17
New cards

l'autorità pubblica

het openbaar gezag

18
New cards

la pubblica amministrazione

de overheid

19
New cards

il sindaco

de burgemeester

20
New cards

la carica

de functie, het ambt

21
New cards

in carica

in functie, dienstdoend

22
New cards

l'incarico

de taak, de opdracht

23
New cards

L'ispettore ha ricevuto l'incarico di controllare le operazioni.

De inspecteur heeft de opdracht gekregen om de werkzaamheden te controleren.

24
New cards

incaricare qualcuno di qualcosa

iemand iets opdragen

25
New cards

la nomina

de benoeming

26
New cards

nominare (a)

benoemen (tot)

27
New cards

svolgere

verrichten, uitvoeren

28
New cards

lo svolgimento

de uitvoering, het verloop

29
New cards

l'inchiesta

de enquête, het onderzoek

30
New cards

Chi è stato incaricato di svolgere l'inchiesta?

Aan wie is het opgelegd om de enquête uit te voeren?

31
New cards

la commissione d'inchiesta

de onderzoekscommissie

32
New cards

il compito

de taak, de opdracht

33
New cards

principale

voornaamste, hoofd-

34
New cards

la potenza

de macht, de invloed

35
New cards

la funzione

de functie, de betrekking

36
New cards

il comune

de gemeente

37
New cards

Ogni provincia è divisa in comuni.

Elke provincie is verdeeld in gemeenten.

38
New cards

comunale

gemeentelijk, gemeente-

39
New cards

la giunta

de raad

40
New cards

l'anagrafe

het bevolkingsregister

41
New cards

l'ufficio dello stato civile

de burgerlijke stand

42
New cards

federale

federaal, bonds-

43
New cards

La Germania è una repubblica federale.

Duitsland is een federale republiek.

44
New cards

la regione

de regio, het gewest, de streek

45
New cards

l'Italia è divisa in 20 regioni.

Italië is verdeeld in 20 regio's.

46
New cards

regionale

regionaal, gewestelijk, provinciaal

47
New cards

l'amministrazione regionale

de regionale overheid

48
New cards

il certificato

het bewijs, de akte, de verklaring

49
New cards

il certificato di nascita

de geboorteakte

50
New cards

il certificato di residenza

het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie

51
New cards

il certificato di nullaosta

de verklaring van geen bezwaar

52
New cards

il certificato di buona condotta

de verklaring van goed gedrag

53
New cards

la dichiarazione

de verklaring, de aangifte

54
New cards

la misura

de maatregel

55
New cards

Queste misure sono prese dall'amministrazione regionale.

Deze maatregelen zijn genomen door de regionale overheid.

56
New cards

la provincia (le province)

de provincie

57
New cards

Quante province ha la vostra regione?

Hoeveel provincies heeft jullie regio?

58
New cards

il capoluogo

de hoofdstad (van een regio)

59
New cards

il campanilismo

het chauvinisme, overdreven waardering voor de plaats waar men geboren is

60
New cards

residente (m./f.) (Adj.)

woonachtig, wonend

61
New cards

Io sono un'italiana residente all'estero.

Ik ben een Italiaanse die woonachtig is in het buitenland.

62
New cards

l'abitante

de inwoner, de inwoonster

63
New cards

Quanti abitanti ha questa città?

Hoeveel inwoners heeft deze stad?

64
New cards

il cittadino/la cittadina

de (staats)burger, de inwoner

65
New cards

È ora che diventiamo tutti cittadini d'Europa.

Het is tijd om allemaal burgers van Europa te worden.

66
New cards

libero, libera

vrij

67
New cards

la residenza

de woonplaats, het wettige adres

68
New cards

fisso, fissa

vast, permanent

69
New cards

Renzo non ha mai avuto una residenza fissa.

Renzo heeft nooit een vaste woonplaats gehad.

70
New cards

la polizia

de politie

71
New cards

il poliziotto/la poliziotta

de politieagent/e

72
New cards

la polizia stradale

de verkeerspolitie

73
New cards

la multa

de boete

74
New cards

Perché la polizia stradale vi ha fatto la multa?

Waarom heeft de verkeerspolitie jullie een boete gegeven?

75
New cards

la manifestazione

de betoging, de manifestatie, het evenement

76
New cards

A quella manifestazione c'erano molti poliziotti.

Er waren veel politieagenten bij dat evenement.

77
New cards

la questura

het hoofdbureau van de politie

78
New cards

il presidio

de politiepost

79
New cards

l'organo

het orgaan

80
New cards

La questura è l'organo principale della polizia in ogni provincia.

Het hoofdbureau van de politie is het hoofdorgaan van de politie in elke provincie.

81
New cards

il commissariato

het politiebureau

82
New cards

Dobbiamo andare subito al commissariato a denunciare il fatto.

We moeten onmiddellijk naar het politiebureau gaan om het feit te melden.

83
New cards

il commissario

de commissaris

84
New cards

l'ispettore, l'ispettrice

de inspecteur