1/32
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen van diervoeding voor honden en katten, inclusief nutriëntenleer, energiestofwisseling en specifieke voedingsbehoeften per levensfase.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Nutriënten
Chemische verbindingen, organische moleculen of minerale elementen in voedingsmiddelen die onmisbaar zijn voor het functioneren van het lichaam.
Monosachariden
Enkelvoudige suikers die makkelijk kunnen worden geabsorbeerd, zoals glucose, galactose en fructose.
Oligosachariden
Korte ketens van monosachariden die vaak dienen als vezelbron voor het dieet, zoals fructo-oligosachariden.
Bèta-glucanen
Polysachariden met bèta-verbindingen die niet door enzymen van het dier kunnen worden opgesplitst en de vezels in het dieet vormen (bijv. cellulose, pectine).
Voedingsvezels
Niet-verteerbare koolhydraten die de darmfunctie bevorderen en reguleren door de transitietijd te normaliseren en de maaglediging te vertragen.
Fermentatie
Het proces waarbij bacteriën in de dikke darm koolhydraten afbreken in een zuurstofarme omgeving om energie te genereren.
Essentiële aminozuren
Aminozuren die niet door het lichaam zelf kunnen worden aangemaakt en dus via de voeding moeten worden opgenomen.
Taurine
Een essentieel aminozuur voor katten dat alleen voorkomt in dierlijke weefsels en belangrijk is voor de galzoutsynthese, het hart en het netvlies.
Biologische waarde (BW)
Een maatstaf voor de kwaliteit van een eiwit, bepaald door het aminozurenprofiel en de eiwitverteerbaarheid.
Triglyceriden
De voornaamste bestanddelen van vetten, opgebouwd uit vetzuren en glycerol.
Omega-3 en Omega-6
Twee types essentiële vetzuren waarbij een goed evenwicht in de verhouding belangrijk is voor de gezondheid.
Vitaminen
Complexe organische substanties die in kleine hoeveelheden nodig zijn voor groei en gezondheid, maar zelf geen energetische waarde hebben.
Antivitamines
Stoffen die leiden tot afbraak of inactivatie van vitaminen, zoals thiaminase (voor thiamine) en avidine (voor biotine).
Macromineralen
Anorganische substanties zoals calcium en magnesium die in relatief grote hoeveelheden (gram/dag of pph) nodig zijn.
Probiotica
Levende micro-organismen die gunstig inwerken op de darmflora en de immuunweerstand versterken.
Prebiotica
Onverteerbare voedingsbestanddelen die de groei en activiteit van gezondheidsbevorderende bacteriën in de dikke darm stimuleren.
Bruto-energie (BE)
De totale hoeveelheid chemische energie aanwezig in voeder, gemeten via volledige oxidatie in een bomcalorimeter.
Verteerbare energie (VE)
De bruto-energie minus de energie die verloren gaat via de feces.
Metaboliseerbare energie (ME)
De energie van voeder die daadwerkelijk in het organisme kan worden omgezet, berekend als VE−urinaire energie.
Netto-energie (NE)
De energie die in het lichaam beschikbaar is voor onderhoud, productie en activiteit, berekend als ME−extra warmteverlies.
Calorie (cal)
De hoeveelheid warmte noodzakelijk om de temperatuur van 1 g water met 1 °C te verhogen; 1 kcal=4,18 kJ.
Daily Energy Requirement (DER)
De dagelijkse energiebehoefte van een dier voor vitale functies, activiteit, groei en productie.
Metabolisch gewicht
Het gewicht uitgedrukt als G0,75, aangezien warmteproductie evenredig is met de driekwart macht van het gewicht.
Volledig diervoeder
Een mengvoeder dat door zijn samenstelling toereikend is als dagrantsoen en alle vereiste voedingsstoffen in de juiste verhouding bevat.
Body Condition Score (BCS)
Een visuele en tactiele methode om de lichaamsconditie van een dier te beoordelen, variërend van uitgehongerd tot obees.
Theobromine
De stof in chocolade die giftig is voor honden en symptomen zoals braken, snelle hartslag en epileptische aanvallen kan veroorzaken.
Neofilie
De neiging van katten om een nieuw dieet te verkiezen boven een dieet dat zij gewoon zijn.
Eclampsie
Ook bekend als melkziekte of zoogkramp; een gevaarlijke toestand bij teven veroorzaakt door hypocalcemie tijdens de lactatieperiode.
Colostrum
De eerste melk (biest) na de geboorte, rijk aan antistoffen, energie en nutriënten, met een laxerend effect voor neonati.
ATP (Adenosinetrifosfaat)
De belangrijkste energieleverancier in het lichaam, opgebouwd uit adenosine en drie fosfaatgroepen.
Maandagziekte
Een aandoening bij atletische honden gekenmerkt door hevige spierpijnen door ophoping van melkzuur en beschadiging van spiercellen.
Hyperplastische obesitas
Een vorm van vetzucht waarbij het aantal vetcellen toeneemt, vaak ontstaan tijdens de adolescentie.
Hepatische lipidose
Leververvetting; een ernstige aandoening bij zeer zwaarlijvige katten die plotseling stoppen met eten.