1/23
Flashcards over stroomgeleiding, de eigenschappen van metalen, moleculaire stoffen, zouten en de systematische naamgeving van koolwaterstoffen en alcoholen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Voor een stof om stroom te geleiden zijn er geladen deeltjes nodig die zich __________.
vrij kunnen bewegen
In het atoommodel van Bohr worden 1 of 2 elektronen in de buitenste schil die los kunnen worden gelaten __________ genoemd.
valentie-elektronen
De aantrekkingskracht tussen positieve ionen en de langs bewegende negatieve valentie-elektronen noem je de __________.
metaalbinding
Een reactie van een metaal met zuurstof of water, zoals roest bij ijzer, noem je __________.
Corrosie
De aantrekkingskrachten tussen moleculen in een moleculaire stof worden __________ genoemd.
vanderwaalskrachten
Hoe __________ een molecuul is, hoe hoger het kookpunt.
langer
De binding tussen atomen die ontstaat door het delen van valentie-elektronen noem je een atoombinding of __________.
covalente binding
In de scheikunde geeft de __________ aan hoeveel bindingen een atoomsoort kan maken.
Covalentie
Stoffen die mengen met water hebben extra bindingen nodig die je een __________ noemt, aangegeven met een stippellijntje.
waterstofbrug
Een stof die niet oplost in water wordt __________ genoemd.
Hydrofoob
Een molecuul met een hydrofiele kop en hydrofobe staart dat voorkomt dat een emulsie direct ontmengt, werkt als __________.
emulgator
Zouten bestaan uit een geordende rangschikking van positieve metaalionen en negatieve ionen genaamd een __________.
ionrooster
Wanneer zout wordt opgelost in water, worden de __________ verbroken.
ionbindingen
Het proces waarbij grote moleculen uit aardoliefracties worden omgezet in kleine moleculen heet __________.
kraken
Een koolwaterstof is __________ als deze één of meer dubbele atoombindingen bevat.
Onverzadigd
De algemene formule voor alkanen is __________.
CnH2n+2
Alkenen zijn altijd onverzadigd en hebben als algemene formule __________.
CnH2n
Stoffen met dezelfde molecuulformule maar een andere structuurformule noem je __________.
isomeren
De systematische naam voor een alkaan met 4 koolstofatomen (C4H10) is __________.
Butaan
De zijketen van een alkaangroep met 1 C-atoom noem je een __________.
Methyl
Bij de naamgeving van alkenen eindigt de naam op de uitgang __________.
-een
Het voorvoegsel dat wordt gebruikt als er drie dezelfde zijketens aanwezig zijn is __________.
Tri-
Alkanen waarbij één of meer H-atomen zijn vervangen door atomen uit groep 17 noem je __________.
halogeenalkanen
De subgroep alcoholen waarbij 1 H-atoom van een alkaan is vervangen door een hydroxylgroep krijgt het achtervoegsel __________.
-ol