Flashcards Sociale en Gedragswetenschappen 3e graad

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/66

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flashcards met essentiële begrippen en definities voor het vak Sociale en Gedragswetenschappen (3e graad).

Last updated 11:53 PM on 9/9/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

67 Terms

1
New cards

Groeien

Toename in fysieke omvang of lichamelijke veranderingen bij een persoon.

2
New cards

Rijpen

Het natuurlijk tot ontwikkeling komen van aangeboren functies.

3
New cards

Leren

Veranderingen in gedrag die ontstaan door ervaring of oefening.

4
New cards

Nature

De invloed van genetische en biologisch bepaalde factoren op de menselijke ontwikkeling.

5
New cards

Nurture

De invloed van omgevingsfactoren, opvoeding, cultuur en ervaringen op de menselijke ontwikkeling.

6
New cards

Continue ontwikkeling

Een vorm van ontwikkeling waarbij veranderingen geleidelijk gebeuren en vaardigheden zich langzaam opbouwen zonder duidelijke overgangen.

7
New cards

Discontinue ontwikkeling

Een vorm van ontwikkeling die plaatsvindt in fasen of sprongen, gekenmerkt door kwalitatieve veranderingen.

8
New cards

Evolutionaire psychologie

Een stroming binnen de biologische benadering (vertegenwoordigd door Charles Darwin) die de nadruk legt op natuurlijke selectie en gedrag verklaart als resultaat van evolutionaire aanpassing.

9
New cards

Rijpingstheorie

Een theorie binnen de biologische benadering (vertegenwoordigd door Arnold Gesell) die stelt dat de ontwikkeling verloopt volgens een biologisch schema waarin rijping de volgorde van vaardigheden bepaalt.

10
New cards

Epigenetica

Een stroming binnen de biologische benadering (vertegenwoordigd door Conrad Waddington) die onderzoekt hoe genexpressie wordt beïnvloed door omgevingsfactoren.

11
New cards

Psychoanalyse

De psychodynamische theorie van Sigmund Freud waarin de nadruk ligt op onbewuste drijfveren, 5 psychoseksuele fasen, erogene zones en fixaties.

12
New cards

Fixatie

Het blijven vastzitten in een ontwikkelingsfase wanneer een conflict bij onvoldoende of overmatige bevrediging van behoeften niet goed opgelost wordt.

13
New cards

Psychosociale ontwikkelingstheorie

De theorie van Erik Erikson die de menselijke levensloop opdeelt in 8 fasen, waarbij elke fase gekenmerkt wordt door een psychosociale crisis met een positieve en negatieve pool.

14
New cards

Es (Id)

Het aangeboren, volledig onbewuste deel van de persoonlijkheidsstructuur volgens Freud dat gestuurd wordt door het lustprincipe en driften zoals Eros en Thanatos bevat.

15
New cards

Ich (Ego)

Het deel van de persoonlijkheidsstructuur volgens Freud dat werkzaam is op basis van het realiteitsprincipe en bemiddelt tussen het Es, het Über-ich en de buitenwereld.

16
New cards

Über-ich (Superego)

Het geweten binnen de persoonlijkheidsstructuur van Freud dat ontstaat door opvoeding en normen en werkt volgens het moraliteitsprincipe.

17
New cards

Klassieke conditionering

Een vorm van leren binnen het behaviorisme (Ivan Pavlov, John B. Watson) door associatie tussen prikkels (stimuli).

18
New cards

Operante conditionering

Een vorm van leren binnen het behaviorisme (B.F. Skinner) waarbij nieuw gedrag ontstaat en in stand gehouden wordt door de gevolgen ervan (bekrachtiging of straf).

19
New cards

Positieve bekrachtiging

Het toevoegen van een aangename prikkel na gedrag, waardoor het gedrag in frequentie toeneemt.

20
New cards

Negatieve bekrachtiging

Het wegnemen van een onaangename prikkel na gedrag, waardoor het gedrag in frequentie toeneemt.

21
New cards

Sociaal-cognitieve leertheorie

De leertheorie van Albert Bandura waarin centraal staat dat mensen leren via observatie, imitatie en modelleren.

22
New cards

Wederzijds determinisme

Het concept van Albert Bandura dat stelt dat persoonlijke factoren (cognities), gedrag en omgeving elkaar voortdurend wederzijds beïnvloeden.

23
New cards

Zelfeffectiviteit

De overtuiging van een persoon dat hij of zij een specifieke taak of doel succesvol kan uitvoeren.

24
New cards

Interne locus of control

De overtuiging dat men zelf controle heeft over de uitkomsten van gebeurtenissen in het leven.

25
New cards

Externe locus of control

De overtuiging dat gebeurtenissen en uitkomsten bepaald worden door toeval, geluk of externe factoren.

26
New cards

Behoeftepiramide

Het hiërarchische model van Abraham Maslow waarin menselijke behoeften opklimmen van fysiologische behoeften tot zelfactualisatie.

27
New cards

Fenomenaal veld

De unieke, subjectieve werkelijkheid zoals iemand die beleeft, zoals beschreven door Carl Rogers.

28
New cards

Congruentie

De mate van overeenstemming tussen het actuele zelf en het ideale zelf binnen de humanistische psychologie van Carl Rogers.

29
New cards

Bio-ecologisch model

Het omgevingsmodel van Urie Bronfenbrenner dat de invloed van de omgeving op de ontwikkeling indeelt in het microsysteem, mesosysteem, exosysteem, macrosysteem en chronosysteem.

30
New cards

Zone van de naaste ontwikkeling (ZNO)

Het ontwikkelingsgebied tussen wat een kind zelfstandig kan en wat het kan bereiken met begeleiding of ondersteuning (Lev Vygotsky).

31
New cards

Prosociaal gedrag

Social gedrag dat anderen helpt of ten goede komt en bijdraagt aan positieve sociale relaties, zoals delen, helpen en samenwerken.

32
New cards

Antisociaal gedrag

Social gedrag dat anderen schaadt, hindert of tegenwerkt en regels of relaties verstoort, zoals agressie, pesten en vandalisme.

33
New cards

Attitude

Een evaluatie of mening over mensen, objecten, gebeurtenissen of ideeën, bestaande uit een cognitieve, affectieve en gedragsmatige component.

34
New cards

Fundamentele attributiefout

De neiging om bij het verklaren van gedrag van anderen te veel de nadruk te leggen op interne oorzaken en situationele factoren te onderschatten.

35
New cards

Cognitieve dissonantie

De psychologische spanning die ontstaat wanneer gedrag niet overeenkomt met de eigen attitude of bij twee tegenstrijdige overtuigingen (Leon Festinger).

36
New cards

Sociale facilitatie

De verbetering van prestaties bij eenvoudige of goed geoefende taken door de aanwezigheid van anderen.

37
New cards

Social loafing

Het fenomeen waarbij individuen zich minder inspannen bij een groepsopdracht omdat hun persoonlijke bijdrage niet herkenbaar is.

38
New cards

Groepsdenken

Een proces in een groep waarbij het streven naar eensgezindheid zo overheerst dat kritische meningen en alternatieve opties worden onderdrukt.

39
New cards

Conformisme

Het aanpassen van het eigen gedrag aan de groepsnormen zonder dat daar een expliciet verzoek toe is gedaan.

40
New cards

Inwilliging

Een vorm van sociale beïnvloeding waarbij iemand ingaat op een specifiek verzoek van een gelijke.

41
New cards

Gehoorzaamheid

Het veranderen van gedrag op basis van een direct bevel van een autoriteitsfiguur.

42
New cards

Behavioral Inhibition System (BIS)

Een hersensysteem volgens Jeffrey Gray dat reageert op signalen van straf of gevaar en zorgt voor angst, voorzichtigheid en remming van gedrag.

43
New cards

Behavioral Activation System (BAS)

Een hersensysteem volgens Jeffrey Gray dat reageert op beloning en zorgt voor motivatie, enthousiasme en toenaderingsgedrag.

44
New cards

Transactioneel proces

Een wederzijds beïnvloedingsproces waarbij het kind, de opvoeder(s) en de omgeving elkaar voortdurend en dynamisch beïnvloeden.

45
New cards

Primair opvoedingsmilieu

De directe leefomgeving van het kind, gevormd door het gezin of de thuissituatie.

46
New cards

Secundair opvoedingsmilieu

Instellingen waar het kind doelgericht en professioneel begeleid wordt, zoals school, de kinderopvang of een sportclub.

47
New cards

Tertiair opvoedingsmilieu

Bredere maatschappelijke, culturele en mediale invloeden op de opvoeding, zoals media, reclame en religie.

48
New cards

Responsiviteit

De opvoedingsdimensie die beschrijft in welke mate opvoeders aandacht, warmte, begrip en emotionele steun bieden aan het kind.

49
New cards

Gedragsmatige controle

De opvoedingsdimensie die beschrijft in welke mate opvoeders duidelijke en consequente regels stellen en gedrag sturen.

50
New cards

Psychologische controle

De opvoedingsdimensie waarbij opvoeders het gedrag van het kind proberen te beïnvloeden via manipulatie, schuldgevoelens of schaamte.

51
New cards

Democratisch-autoritatieve opvoedingsstijl

Een opvoedingsstijl gekenmerkt door hoge gedragsmatige controle én hoge responsiviteit, waarbij regels gepaard gaan met uitleg en overleg.

52
New cards

Balansmodel

Het pedagogisch model van Bakker et al. waarin opvoeding gezien wordt als een evenwicht tussen draagkracht en draaglast.

53
New cards

Verbindend communiceren

Een communicatiemodel van Marshall B. Rosenberg opgebouwd uit vier stappen: waarneming, gevoel, behoefte en verzoek.

54
New cards

LSD-methode

Een methodiek voor actief luisteren die bestaat uit Luisteren, Samenvatten en Doorvragen.

55
New cards

4G-model

Een feedbackmodel opgebouwd uit het beschrijven van Gedrag, Gevoel, Gevolg en Gewenst gedrag.

56
New cards

Scheiding der machten

Het principe van de Trias Politica waarbij de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht gescheiden zijn om machtsmisbruik te voorkomen.

57
New cards

Unitaire staat

Een staatsvorm waarin de centrale overheid alle beslissingsmacht heeft over het hele grondgebied.

58
New cards

Federale staat

Een staatsvorm waarin de macht verdeeld is tussen het centrale nationale niveau en de deelstaten.

59
New cards

Raad van State

Een Belgisch controleorgaan dat advies geeft over wetgeving en toeziet op de wettelijkheid van bestuursハンドelingen.

60
New cards

Grondwettelijk Hof

Het rechtscollege in België dat toeziet op de naleving van de Grondwet door wetten, decreten en ordonnanties.

61
New cards

Sociale positie

De plaats die een persoon inneemt binnen een groep of de samenleving.

62
New cards

Sociale rol

Het gedrag dat van iemand verwacht wordt op basis van zijn of haar sociale positie.

63
New cards

Sociale stratificatie

De indeling van een samenleving in hiërarchische lagen (strata) op basis van sociale ongelijkheid in inkomen, macht of status.

64
New cards

Intergenerationele mobiliteit

Sociale stijging of daling die plaatsvindt tussen verschillende generaties (bijvoorbeeld tussen ouder en kind).

65
New cards

Agendasettingtheorie

De mediatheorie van McCombs & Shaw die stelt dat de media bepalen waarover mensen denken door onderwerpen te selecteren en herhalen.

66
New cards

Cultivatietheorie

De mediatheorie van George Gerbner die inhoudt dat veelvuldig mediagebruik op lange termijn het wereldbeeld van kijkers vormgeeft.

67
New cards

Framing

Het presenteren van een onderwerp vanuit een specifieke invalshoek of met specifieke bewoordingen om de interpretatie van het publiek te sturen.