1/66
Flashcards met essentiële begrippen en definities voor het vak Sociale en Gedragswetenschappen (3e graad).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Groeien
Toename in fysieke omvang of lichamelijke veranderingen bij een persoon.
Rijpen
Het natuurlijk tot ontwikkeling komen van aangeboren functies.
Leren
Veranderingen in gedrag die ontstaan door ervaring of oefening.
Nature
De invloed van genetische en biologisch bepaalde factoren op de menselijke ontwikkeling.
Nurture
De invloed van omgevingsfactoren, opvoeding, cultuur en ervaringen op de menselijke ontwikkeling.
Continue ontwikkeling
Een vorm van ontwikkeling waarbij veranderingen geleidelijk gebeuren en vaardigheden zich langzaam opbouwen zonder duidelijke overgangen.
Discontinue ontwikkeling
Een vorm van ontwikkeling die plaatsvindt in fasen of sprongen, gekenmerkt door kwalitatieve veranderingen.
Evolutionaire psychologie
Een stroming binnen de biologische benadering (vertegenwoordigd door Charles Darwin) die de nadruk legt op natuurlijke selectie en gedrag verklaart als resultaat van evolutionaire aanpassing.
Rijpingstheorie
Een theorie binnen de biologische benadering (vertegenwoordigd door Arnold Gesell) die stelt dat de ontwikkeling verloopt volgens een biologisch schema waarin rijping de volgorde van vaardigheden bepaalt.
Epigenetica
Een stroming binnen de biologische benadering (vertegenwoordigd door Conrad Waddington) die onderzoekt hoe genexpressie wordt beïnvloed door omgevingsfactoren.
Psychoanalyse
De psychodynamische theorie van Sigmund Freud waarin de nadruk ligt op onbewuste drijfveren, 5 psychoseksuele fasen, erogene zones en fixaties.
Fixatie
Het blijven vastzitten in een ontwikkelingsfase wanneer een conflict bij onvoldoende of overmatige bevrediging van behoeften niet goed opgelost wordt.
Psychosociale ontwikkelingstheorie
De theorie van Erik Erikson die de menselijke levensloop opdeelt in 8 fasen, waarbij elke fase gekenmerkt wordt door een psychosociale crisis met een positieve en negatieve pool.
Es (Id)
Het aangeboren, volledig onbewuste deel van de persoonlijkheidsstructuur volgens Freud dat gestuurd wordt door het lustprincipe en driften zoals Eros en Thanatos bevat.
Ich (Ego)
Het deel van de persoonlijkheidsstructuur volgens Freud dat werkzaam is op basis van het realiteitsprincipe en bemiddelt tussen het Es, het Über-ich en de buitenwereld.
Über-ich (Superego)
Het geweten binnen de persoonlijkheidsstructuur van Freud dat ontstaat door opvoeding en normen en werkt volgens het moraliteitsprincipe.
Klassieke conditionering
Een vorm van leren binnen het behaviorisme (Ivan Pavlov, John B. Watson) door associatie tussen prikkels (stimuli).
Operante conditionering
Een vorm van leren binnen het behaviorisme (B.F. Skinner) waarbij nieuw gedrag ontstaat en in stand gehouden wordt door de gevolgen ervan (bekrachtiging of straf).
Positieve bekrachtiging
Het toevoegen van een aangename prikkel na gedrag, waardoor het gedrag in frequentie toeneemt.
Negatieve bekrachtiging
Het wegnemen van een onaangename prikkel na gedrag, waardoor het gedrag in frequentie toeneemt.
Sociaal-cognitieve leertheorie
De leertheorie van Albert Bandura waarin centraal staat dat mensen leren via observatie, imitatie en modelleren.
Wederzijds determinisme
Het concept van Albert Bandura dat stelt dat persoonlijke factoren (cognities), gedrag en omgeving elkaar voortdurend wederzijds beïnvloeden.
Zelfeffectiviteit
De overtuiging van een persoon dat hij of zij een specifieke taak of doel succesvol kan uitvoeren.
Interne locus of control
De overtuiging dat men zelf controle heeft over de uitkomsten van gebeurtenissen in het leven.
Externe locus of control
De overtuiging dat gebeurtenissen en uitkomsten bepaald worden door toeval, geluk of externe factoren.
Behoeftepiramide
Het hiërarchische model van Abraham Maslow waarin menselijke behoeften opklimmen van fysiologische behoeften tot zelfactualisatie.
Fenomenaal veld
De unieke, subjectieve werkelijkheid zoals iemand die beleeft, zoals beschreven door Carl Rogers.
Congruentie
De mate van overeenstemming tussen het actuele zelf en het ideale zelf binnen de humanistische psychologie van Carl Rogers.
Bio-ecologisch model
Het omgevingsmodel van Urie Bronfenbrenner dat de invloed van de omgeving op de ontwikkeling indeelt in het microsysteem, mesosysteem, exosysteem, macrosysteem en chronosysteem.
Zone van de naaste ontwikkeling (ZNO)
Het ontwikkelingsgebied tussen wat een kind zelfstandig kan en wat het kan bereiken met begeleiding of ondersteuning (Lev Vygotsky).
Prosociaal gedrag
Social gedrag dat anderen helpt of ten goede komt en bijdraagt aan positieve sociale relaties, zoals delen, helpen en samenwerken.
Antisociaal gedrag
Social gedrag dat anderen schaadt, hindert of tegenwerkt en regels of relaties verstoort, zoals agressie, pesten en vandalisme.
Attitude
Een evaluatie of mening over mensen, objecten, gebeurtenissen of ideeën, bestaande uit een cognitieve, affectieve en gedragsmatige component.
Fundamentele attributiefout
De neiging om bij het verklaren van gedrag van anderen te veel de nadruk te leggen op interne oorzaken en situationele factoren te onderschatten.
Cognitieve dissonantie
De psychologische spanning die ontstaat wanneer gedrag niet overeenkomt met de eigen attitude of bij twee tegenstrijdige overtuigingen (Leon Festinger).
Sociale facilitatie
De verbetering van prestaties bij eenvoudige of goed geoefende taken door de aanwezigheid van anderen.
Social loafing
Het fenomeen waarbij individuen zich minder inspannen bij een groepsopdracht omdat hun persoonlijke bijdrage niet herkenbaar is.
Groepsdenken
Een proces in een groep waarbij het streven naar eensgezindheid zo overheerst dat kritische meningen en alternatieve opties worden onderdrukt.
Conformisme
Het aanpassen van het eigen gedrag aan de groepsnormen zonder dat daar een expliciet verzoek toe is gedaan.
Inwilliging
Een vorm van sociale beïnvloeding waarbij iemand ingaat op een specifiek verzoek van een gelijke.
Gehoorzaamheid
Het veranderen van gedrag op basis van een direct bevel van een autoriteitsfiguur.
Behavioral Inhibition System (BIS)
Een hersensysteem volgens Jeffrey Gray dat reageert op signalen van straf of gevaar en zorgt voor angst, voorzichtigheid en remming van gedrag.
Behavioral Activation System (BAS)
Een hersensysteem volgens Jeffrey Gray dat reageert op beloning en zorgt voor motivatie, enthousiasme en toenaderingsgedrag.
Transactioneel proces
Een wederzijds beïnvloedingsproces waarbij het kind, de opvoeder(s) en de omgeving elkaar voortdurend en dynamisch beïnvloeden.
Primair opvoedingsmilieu
De directe leefomgeving van het kind, gevormd door het gezin of de thuissituatie.
Secundair opvoedingsmilieu
Instellingen waar het kind doelgericht en professioneel begeleid wordt, zoals school, de kinderopvang of een sportclub.
Tertiair opvoedingsmilieu
Bredere maatschappelijke, culturele en mediale invloeden op de opvoeding, zoals media, reclame en religie.
Responsiviteit
De opvoedingsdimensie die beschrijft in welke mate opvoeders aandacht, warmte, begrip en emotionele steun bieden aan het kind.
Gedragsmatige controle
De opvoedingsdimensie die beschrijft in welke mate opvoeders duidelijke en consequente regels stellen en gedrag sturen.
Psychologische controle
De opvoedingsdimensie waarbij opvoeders het gedrag van het kind proberen te beïnvloeden via manipulatie, schuldgevoelens of schaamte.
Democratisch-autoritatieve opvoedingsstijl
Een opvoedingsstijl gekenmerkt door hoge gedragsmatige controle én hoge responsiviteit, waarbij regels gepaard gaan met uitleg en overleg.
Balansmodel
Het pedagogisch model van Bakker et al. waarin opvoeding gezien wordt als een evenwicht tussen draagkracht en draaglast.
Verbindend communiceren
Een communicatiemodel van Marshall B. Rosenberg opgebouwd uit vier stappen: waarneming, gevoel, behoefte en verzoek.
LSD-methode
Een methodiek voor actief luisteren die bestaat uit Luisteren, Samenvatten en Doorvragen.
4G-model
Een feedbackmodel opgebouwd uit het beschrijven van Gedrag, Gevoel, Gevolg en Gewenst gedrag.
Scheiding der machten
Het principe van de Trias Politica waarbij de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht gescheiden zijn om machtsmisbruik te voorkomen.
Unitaire staat
Een staatsvorm waarin de centrale overheid alle beslissingsmacht heeft over het hele grondgebied.
Federale staat
Een staatsvorm waarin de macht verdeeld is tussen het centrale nationale niveau en de deelstaten.
Raad van State
Een Belgisch controleorgaan dat advies geeft over wetgeving en toeziet op de wettelijkheid van bestuursハンドelingen.
Grondwettelijk Hof
Het rechtscollege in België dat toeziet op de naleving van de Grondwet door wetten, decreten en ordonnanties.
Sociale positie
De plaats die een persoon inneemt binnen een groep of de samenleving.
Sociale rol
Het gedrag dat van iemand verwacht wordt op basis van zijn of haar sociale positie.
Sociale stratificatie
De indeling van een samenleving in hiërarchische lagen (strata) op basis van sociale ongelijkheid in inkomen, macht of status.
Intergenerationele mobiliteit
Sociale stijging of daling die plaatsvindt tussen verschillende generaties (bijvoorbeeld tussen ouder en kind).
Agendasettingtheorie
De mediatheorie van McCombs & Shaw die stelt dat de media bepalen waarover mensen denken door onderwerpen te selecteren en herhalen.
Cultivatietheorie
De mediatheorie van George Gerbner die inhoudt dat veelvuldig mediagebruik op lange termijn het wereldbeeld van kijkers vormgeeft.
Framing
Het presenteren van een onderwerp vanuit een specifieke invalshoek of met specifieke bewoordingen om de interpretatie van het publiek te sturen.